Tja en Soit…

Het Haarlems Dagblad wijdt vandaag een hele pagina aan Dick Verkijks bewering dat onze ereburger Harry Mulisch als dertien- à veertienjarige is gespot in het uniform van de Jeugdstorm.

Kroongetuige Annie Peperkamp-Smit komt in het artikel van John Oomkes naar voren als iemand die weet waar ze over praat. Ze ratelt de namen van haar toenmalige buren moeiteloos af. Er is ook nog een anonieme getuige, doch aanvullend ‘bewijs’ wordt nergens geleverd.

Verkijk zegt in de Grote Broer: “Voor mij is de centrale vraag waarom hij nooit iets heeft gezegd over dat Jeugdstorm-verleden. Had hij dat wel gedaan, soit. Iedereen maakt fouten in zijn jeugd. Nu hij voor de camera’s heeft gezegd zijn voormalige buren niet te kennen, tja…”

Die veelbetekenende ‘soits’ en ‘tja’s’ komen overduidelijk van iemand die baat heeft bij een Jeugdstorm in een glas water.

Veel boeiender dan deze affairette vind ik de passage over Mulisch die ik van de week tegenkwam in ‘De Kat in de Boom’, herinneringen aan Haarlem van Frédéric Bastet.

Bastet zat een klas hoger dan Mulisch, wiens moeder hij als volgt portretteert: Een gewone moeder was het niet bepaald. Nu eens droeg zij kaplaarzen als de Gelaarsde Kat, dan weer lichtelijk voyante bontmantels of vossen. Ze was modieus geonduleerd en geverfd (maar mijn op hol geslagen archeologische herinnering kan mij wel parten spelen; ik bied bij voorbaat mijn excuses aan).(p.59)

Hetzelfde voorbehoud maakt Bastet nog tweemaal, ook bij deze scène, waarin een badmeester de kleine Mulisch het ‘ondiepe’ in drijft.

Had hij een soort watervrees? Zijn moeder was ook in het bad gekomen, geheel gekleed, pootje badend, met opgestroopte rok, die zij angstvallig vasthield. Ernstig en enigszins bekommerd sprak zij haar kind toe. Ze trachtte hem ertoe te bewegen een paar stapjes in de richting van de hengel te doen. Vergeefs. Scherp als op een foto – maar alweer, de foto kan overbelicht zijn – zie ik Harry met beide handen om zich heen woedend in het water slaan. Hij weigerde een stap te verzetten, spatte, maakte veel lawaai. Hoe is het afgelopen? Geen idee. Zijn ze later teruggekomen, heeft hij alsnog leren zwemmen? Ik neem het maar aan. Je vraagt je af wat hij er zichzelf nog van herinnert.

Tja… misschien is het allemaal Quatsch.

Soit.

16 gedachten over “Tja en Soit…

  • 25/01/2006 om 12:06
    Permalink

    Flauw.
    Ieder jaar, bij de ‘dodenherdenking’, word ik vanzelf wel stil als ik tracht te bedenken hoe ikzelf zou hebben gehandeld als ik toen een vent van 20, 30 jaar zou zijn geweest. (ik was er nog niet eens) Joden beschermt? Hen te eten gegeven en verborgen? Verzet gepleegd en bonnenboekjes vervalst? Normandië bestormd onder het luid roepen van strijdkreten? Of gewoon braaf naar Duitsland om bommen te maken? Nog steeds weet ik het niet. Mijn vader ging in ieder geval niet, dook onder maar heeft er nauwelijks over willen spreken. Wellicht is het daarom dat ik altijd een beetje boos word op dat Hollandse gemuggenzift en het veroordelen van jeugdzondes van hen die toen erg jong waren. Aantjes is er aan kapot gegaan (hoewel hij dat zelf ontkent geloof ik) en nu moet Mulisch er aan geloven? Dick Verkijk heeft enig recht van spreken natuurlijk, hij was niet bang van de Russen, maar toch … beetje flauw.

  • 25/01/2006 om 13:57
    Permalink

    Ook in de Volkskrant van vandaag stond een aardig stuk uit de hand van Jan Blokker. Hij zal het vast niet erg vinden als ik een stukje citeer:

    “De pamflettist wilde een zekere lotverbondenheid met de veelgeprezen schrijver aangeven en schreef”:

    <quote>hij is van 29 juli 1927, ik van 4 juli 1929.We schelen dus bijna op de kop af slechts twee jaar</quote>

    “Bijna op de kop af slechts”

    “Als je zoiets leest, kun je de verdere moeite besparen. Dit wordt het proces-verbaal van een ras-Swiebertje”

  • 25/01/2006 om 15:02
    Permalink

    Zo ongeveer moet het gegaan zijn, qua Mulisch.

    Toen ik (Harrie van der Meulen, 1947) in 1959 op twaalfjarige leeftijd van Amsterdam naar Haarlem verhuisde, ging ik niet alleen naar de eerste klas van het Eerste Christelijk Lyceum aan de Zuider Emmakade, maar leek het m’n ouders ook verstandig me ‘op de zeeverkenners te doen’. “Dan acclimatiseert die arme ontwortelde ziel wat sneller en maakt hij daar misschien wat vriendjes etc.” Niet alleen dat uniformpje vond ik een crime, maar ook de sfeer en activiteiten werden door mij als een bekant ondraaglijke hel ervaren. 4 keer ben ik daar geweest, 3 keer heb ik gespijbeld en na een kleine twee maanden smeekte ik m’n ouders me uit te laten schrijven. Aldus geschiedde. Alleen directe buren en de leden van de betreffende padvindersgroep hebben mij in uniform gezien, want ik zorgde er wel voor dat ik een route koos waar de kans minimaal was dat een bekende mij zou zien. Uiteraard heb ik deze korte episode nooit opgenomen in ‘het verhaal van m’n leven.’ Het was een incident, een vergissing, een misverstand, hoe je het ook noemen wilt. Toen ik negentien was en actief in de Provo-beweging, was ik inderdaad even bang dat iemand er achter zou komen dat ik me ooit enkele zatermiddagen bezondigd had aan dat God, Nederland en Oranje-gedoe. En hoe hysterisch, maar zo was de revolutionaire tijd van Oranje Franje Beu bij tijd en wijle: Dat er een foto zou opduiken waarop te zien was hoe ik sta te salueren naar de Nederlandse driekleur…

    Het verschil in dezen tussen mij en die andere Harry: 1- Ik zou nooit iemand die bovenstaand verhaal naar buiten had gebracht wegzetten als een demente zot. 2- Ik heb de Gnade der Spxc3xa4tgeburt want de zeeverkennerij (anno 1959) is wel wat anders dan de Jeugdstorm (anno 1941). 3- Ik ben een volstrekte anonymus, die niets te verliezen heeft en Mulisch is wereldberoemd in West-Europa.

  • 26/01/2006 om 23:07
    Permalink

    Om nog maar te zwijgen, Harrie, van de twijfelachtige liederen die passerende trimmers je op het strand hebben horen galmen!

  • 27/01/2006 om 14:10
    Permalink

    Tsja, ik weet ook niet wat het Raarlems Dagklad allemaal bij me teweegbrengt qua openhartigheid en bekentenissen. Normaliter ben ik iemand die verstijft als mxc2xb4n vrouw me ietwat luide op straat vraagt of het goed is dat we vanavond spinazie eten. Want mijn motto is: Hoe minder men van je weet, hoe beter. Maar op deze plaats loop ik – zonder aan de vreselijkste martelingen onderworpen te zijn – leeg als de gemiddelde neotofelemoon in een diepmenselijk praatprogramma van de KRO… 8)

  • 27/01/2006 om 15:13
    Permalink

    maar harrie m. is zo heel open over andere jeugdzonden. hij had met zijn literaire gaven toch ook van zijn periode bij de jeugdstorm iets moois, wat zeg ik iets verhevens kunnen maken. lees bijvoorbeeld het verhaal ‘welp’van jma biesheuvel. een jeugdiger en overtuigender antiheld ben ik nooit tegengekomen op mijn nog onvoltooide odyssee door de wereldliteratuur 😀 . het was toch voor harry een koud kunstje geweest om een literaire evocatie te componeren, die ons duidelijk, zo wilt diets, zou maken dat harry geknipt was voor vele varianten heldendom, maar dat het veronderstelde heldendom van de jeugdstorm voor hem een plankje te hoog was gelegd. kortom hij had zijn imago als dandy / antiheld kunnen oppoetsen. jammer 8)

  • 28/01/2006 om 20:34
    Permalink

    Natuurlijk is het historisch gezien niet van belang of iemand op de leeftijd van Mulisch lid was van de jeugdstorm. Dit wordt anders als het gaat om onze grootste schrijver wiens hele werk in het teken van de oorlog staat.( Mulisch: ‘ Ik ben de Tweede Wereldoorlog’ ) Lees de recente biografie van Wim Hazeu over Vestdijk, hoe in de literatuur kleine zaken grote gevolgen kunnen hebben. Zo zit dat ook met Mulisch. Inmiddels hebben weer nieuwe getuigen zich gemeld. Blokker kan dat af doen als Swiebertjes werk, vooralsnog ziet het er naar uit dat Verkijk gelijk heeft met zijn bewering en dat er een hoop werk ligt voor nederlandici.

    afdeling voorlichting 😛

  • 28/01/2006 om 20:45
    Permalink

    Uitgeverij Aspekt
    Amersfoorstestraat 27
    3769 ad soesterberg

    aanvulling op bovenstaande bericht.

    Betreft: desinformatie debat VERKIJK-MULISCH

    Wij kunnen ons voorstellen dat u het debat rond jeugdstormverleden van Harry Mulisch zoals beschreven door Dick Verkijk met belangstelling volgt. De vraag of hij daar wel of niet bij was is van groot belang gezien zijn positie als auteur en de invloed van zijn werk binnen de Nederlandse letteren, waarbij ook nog eens de oorlog centraal staat. xc3x8dk ben de Tweede Wereldoorlog’, zoals Mulisch zelf zei.

    Er “zijn twee zaken die op zijn zachtst gezegd heel w o n d e r l i j k zijn en voor enorm veel desinformatie zorgen. De indruk die nu ontstaan is is dat Verkijk, een gerenommeerd journalist (zie ons portret over hem op http://www.uitgeverijaspekt.nl) slordig werk heeft geleverd. Daar zijn twee belangrijk zogenaamde getuigenissen van, maar aan beiden kleeft een verdacht luchtje:

    1)David Barnouw van het NIOD sprong direct voor Harry Mulisch en meende, ZONDER het boek gelezen te hebben, dat Verkijk zich slechts baseerde op twee anonieme getuigenissen. Beiden is niet juist. Het gaat in het boek om vijf getuigenissen, en er is nog een zesde (jeugdstorm) getuige, die echter niet durfde. Een getuige is vanwege KZ-verleden van zijn vrouw anoniem opgevoerd, maar de naam hebben wij wel aan Mulisch zelf gemeld (die ook inzage in tekst kreeg vooraf en zijn eigen verdediging mocht schrijven, maar via Bezige Bij met advocaat dreigde) Inmiddels heeft zich een zevende gemeld. Drie daarvan woonden bij Mulisch in de straat! Het is onbegrijpelijk dat Barnouw zich in het NIOD-instituut voor NOVA liet filmen en zo vergaande uitspraken durfde te doen over een ongelezen en nog niet gepubliceerd boek. Normalitair blinken dergelijke instituten uit in het nog eens rustig bekijken en het geven van een mening als de stof is neergedaald.

    2)Rudie Kagie in Vrij Nederland deze week meent dat het boek op pijnlijke blunder is gebaseerd. Hij heeft navraag gedaan bij Nationaal Archief en de ledenlijsten van NSB en Jeugdstorm laten doornemen en daarop komt naam Mulisch niet voor, ook niet in justitiële stukken. Wij was zeer verbaasd, want wij wisten dat deze lijsten (van NSB en jeugdstorm) helemaal niet bestonden: desalniettemin schrijft Kagie: ‘Het instituut beheert de complete ledenadministratie van NSB en jeugdstorm’. Wij hebben ons direct telefonisch bij het Nationaal Archief gemeld en mw. A.M.Jolles bevestigde onsj inderdaad dat deze ledenlijsten helemaal niet bestonden, en dat de medewerkers van het archief niet gelukkig waren met de manier waarop hun instituut (net als NIOD dus!) gebruikt werd in deze discussie.

    Nogmaals, het boek Verkijk is helemaal geen aanklacht richting Mulisch en geen beschuldigend vingertje, maar niemand zal ontkennen dat het al of niet hebben van een Jeugdstormverleden een belangrijke verklaringen kan geven voor het werk van onze grootste schrijver welke gedomineerd wordt door diezelfde oorlog.

    Uitgeverij Aspekt afdeling voorlichting
    😛

  • 29/01/2006 om 22:11
    Permalink

    @Dick Verkijk/Perry Pierik a.ka. Uitgeverij Aspekt afdeling voorlichting.
    Enkele losse opmerkingen, bevindingen en suggesties:
    – Op het moment dat ik hoorde over Dick Verkijks boekje/artikel vielen een aantal incidenten uit het verleden voor mij op hun plaats. Pijnlijke stiltes, knipogen, ‘ja, ja Mulisch..’ etc op momenten dat ik het in de jaren zestig met enkele wat oudere Haarlemmers over de schrijver had. Op mijn vraag of genoemde reacties te maken hadden met zijn ‘telefoon voor Meneer Mulisch’-gedrag of z’n grote aantal verloofdes, werd ontkennend geantwoord. ‘Ach, laat ook maar’, sloten ze meestal gauw het onderwerp Mulisch af. Sommigen waren afkomstig uit het verzet en konden op dat moment beschouwd worden als ideologische geestverwanten van Harry Mulisch. Hun ongemakkelijkheid is achteraf begrijpelijk: Moet je het iemand van 14 blijvend nadragen dat hij enkele weken of maanden (aspirant)lid van zo’n club is geweest? Nee, eigenlijk niet natuurlijk. Maar tegelijkertijd was zo’n blauw hemdje voor hen natuurlijk ook net weer te heftig om het helemaal te negeren in hun appreciatie van de persoon Mulisch. Nog afgezien van het feit dat ze het waarschijnlijk ook maar via de grapevine hadden vernomen en hem persoonlijk nooit in zijn hoedanigheid van Jeugdstormer hadden gezien.
    – Toen ik het artikel van Rudie Kagie in Vrij Nederland las viel ook ik bijna van m’n stoel. Ik weet namelijk niet beter dan dat de administratie van de NSB en aanverwante organisaties een gatenkaas is/was. Rond Dolle Dinsdag zijn veel (lokale) ledenlijsten om begrijpelijke redenen vernietigd. Of een (aspirant?)lid als Harry Mulisch, die het na enkele weken of maanden voor gezien hield, xc3xbcberhaupt op zo’n lijst voor zou kunnen komen, onttrekt zich aan mijn oordeel, maar lijkt me wel een interessante vraag voor het NIOD. Wat betreft het Nationale Archief: Vraag een fotokopie van de ledenlijst van de Jeugdstorm afdeling Haarlem en zeg erbij dat ze alle namen met een dikke viltstift mogen doorhalen. Dat kunnen ze jullie niet weigeren, lijkt me zo.
    – Nog steeds is het NIOD een oncontroleerbare reputatierechtbank.
    – Het zwakste punt in het boekje vind ik de bij elkaar gegaarde citaten uit het werk van Mulisch. Psychologie en literatuurbeschouwing van de koude grond. Maar vooruit – ieder z’n hobby – en daarom krijg jij (Dick Verkijk) er van mij nog een aardige uit Mulisch’ Paniek der Onschuld (1979 ) bij. Een schitterende, toepasselijke titel trouwens voor een eventueel volgend pamflet over de aftermath van de affaire, Paniek der onschuld… Enfin, op pagina 19 lezen we: “Ik ben bereid om vandaag nog (juist vandaag!) ieder gewenst aantal nazi’s eigenhandig om zeep te brengen. Praat mij niet van ‘gelijkwaardige methoden’! Ik ben gerechtigd zo te spreken omdat ik scherp oplet en de fascist ieder uur van de dag in mijzelf dood. Hij is nog lang niet dood: in mij niet en om mij heen niet, – integendeel. Het gaat hem best, het gaat hem voor de wind.”

  • 29/01/2006 om 22:19
    Permalink

    Het lijkt mij sterk dat Verkijk werd gedreven door louter literaire interesse in die ‘jeugdzonde’, zoals het heet op jullie site. Waarmee ik niet beweer dat hij het pamflet niet had moeten schrijven.
    Er zit niets anders op: ik ga het lezen (al vond ik het zaterdag nog te dun voor €10, en het lettertype te groot)

  • 29/01/2006 om 22:31
    Permalink

    Harrie, dank voor je uitvoerige en scherpzinnige reacties. Ze verdienen een betere plek dan het RD je kan bieden.

  • 30/01/2006 om 13:05
    Permalink

    Uitgeverij ASPEKt

    Amersfoorstestraat 27
    3769 AD Soesterberg
    Tel: 0346-35.38.95
    Fax: 0346-35.09.47
    http://www.uitgeverijaspekt.nl
    info@uitgeverijaspekt.nl

    PERSBERICHT

    DAVID BARNOUW, MEDEWERKER VAN HET NIOD, VERSPREIDDE DESINFORMATIE OVER OORLOGSVERLEDEN HARRY MULISCH

    HET DEBAT N.A.V. HET BOEK VAN DICK VERKIJK;
    HARRY MULISCH, ‘FEL ANTI-NAZI’ VANAF WANNEER?
    ISBN 90 5911 263 6
    EURO 9,.95
    ZOJUIST VERSCHENEN

    Op dinsdag 17 januari heeft David Barnouw als stafmedewerker van het NIOD in Nova een oordeel gegeven over het door mij geschreven pamflet: “Harry Mulisch, ‘fel anti-nazi – vanaf wanneer?” Op dat moment was het nog niet gepubliceerd en de berichtgeving erover kon uitsluitend gebaseerd zijn op de aanbiedingstekst in de Voorjaarsprospectus van de uitgever: Aspekt. Daarin was alleen sprake van een “jeugdzonde” van Harry Mulisch. Op navraag van journalisten bij Harry Mulisch heeft deze zelf gezegd dat het om het lidmaatschap van de Jeugdstorm ging.
    Ik was verbaasd dat Barnouw commentaar had geleverd. Ik had de eerste versie van mijn verhaal op 3 juli 2005 aan het NIOD ter interne beoordeling voorgelegd, o.a. met het verzoek het ook David Barnouw te laten lezen. Het commentaar (niet van Barnouw maar van een andere stafmedewerker) kwam erop neer dat het artikel zeker geplaatst kon worden maar dat enig nader speurwerk de zaak steviger zou onderbouwen. Dat speurwerk heb ik verricht en de nieuwe versie op 21 december 2005, aangevuld met een kleine correctie op 24 december, opnieuw ter beoordeling aan het NIOD gestuurd. Daar heb ik nooit antwoord op gekregen; blijkbaar was verder commentaar overbodig – niet beseffende dat ik dat antwoord op 17 januari via de televisie zou vernemen
    Toen ik, hier in Amerika waar ik woon, door Nova werd benaderd voor commentaar, zei men dat Barnouw had gezegd dat het bewijs in mijn pamflet “flinterdun” was. Ik heb Barnouw onmiddellijk gebeld en hij zei, zoals hij ook in een e-mail aan mij op 23 januari bevestigde: “Toen jij mij afgelopen dinsdag 17 januari laat in de middag belde, heb ik je duidelijk gemaakt dat ik mijn reacties alleen zou baseren op het stukje in De Volkskrant en niet op jouw stuk, inclusief naschrift 2 (13 december 2005)”. Met dit laatste bevestigt hij dus dat hij de volledige laatste versie had gelezen. Overigens klopt dat “zou baseren” niet, want toen ik door Nova werd gebeld, waren de interviews met Barnouw en Harry Mulisch al gemaakt. De inhoud daarvan was mij zeer fragmentarisch meegedeeld en pas na de uitzending hoorde ik dat Barnouw had gezegd dat mijn verhaal o.a. berustte op “twee getuigen, anonieme getuigen” – met een sterke nadruk op “anonieme”. Ik heb hem daarover onmiddelijk aangesproken en in een eerdere e-mail, op 19 januari, zei hij daarover: “Ik kon niet anders dan mij baseren op het Volkskrantbericht, daarin worden twee getuigen genoemd, zonder naam, die zijn dus op dat moment anoniem.”
    Tegenover o.a. Het Parool heeft hij verklaard: “Ik zit ermee dat die twee getuigen pas na zestig jaar met dit verhaal aan komen zetten, dat is het rare. Als het echt waar is, dan vraag je je af waarom mensen er niet eerder mee zijn gekomen.” – en ook dat zei hij nog voordat het pamflet was gepubliceerd.
    Van de 17e tot de 26e januari heeft zich een levendige e-mail uitwisseling tussen Barnouw en mij afgespeeld, waarbij ik uitdrukkelijk om een openlijke intrekking verzocht van zijn kwalificatie dat het pamflet “een dun verhaal” zou zijn, omdat dat oordeel uitsluitend, volgens zijn eigen verklaring, was gebaseerd op dat stukje in De Volkskrant. Bovendien heb ik er daarbij op gewezen dat in dat stukje helemaal niet werd gesproken van anonieme getuigen. Integendeel: uit de woorden van Mulisch bleek duidelijk dat hij die namen wel kende. Hij heeft dat intrekken geweigerd en in zijn laatste e-mail van 27 januari zegt hij plotseling: “Als je mijn e mails goed gelezen zou hebben, zou je niet constant herhalen dat mijn mening over jouw verhaal alleen op al of niet anonieme getuigen gebaseerd is.” M.a.w.: hij heeft bij die uitzending van 17 januari en zijn commentaar tegenover het AD en Het Parool wel degelijk op de volledige tekst gebaseerd, want zijn andere negatieve opmerkingen konden niet worden afgeleid uit het Volkskrantartikel. Dat maakt de zaak alleen maar erger. In de eerste plaats heeft hij dan gebruik gemaakt van een tekst die ik het NIOD ter interne beoordeling heb toegestuurd. Ten tweede wist hij dan heel goed, dat het helemaal niet om anonieme getuigen ging. Want in die tekst wordt één getuige. Anneke Peperkamp-Smit, met naam en toenaam en preciese toenmalige adres genoemd, de ander staat in het pamflet weliswaar onder een fictieve naam maar de ware naam, en ook dat staat in het pamflet, is inclusief het preciese toenmalige adres, aan Harry Mulisch doorgegeven. De betrokkene heeft uitsluitend om die fictieve naam gevraagd omdat hij, om zeer respectabele redenen die in het pamflet worden uiteengezet (en die o.a. te maken hebben met de executie door de Duitsers van een broer van zijn echtgenote), zijn privacy tegenover derden wilde beschermen. Dat zijn naam tegenover Harry Mulisch zou worden genoemd had zijn vanzelfsprekende instemming.. In die zin is ook de tweede getuige allerminst anoniem.
    David Barnouw wist dit.
    In het pamflet staat ook dat de fictieve-niet-anonieme getuige Anton S. wel degelijk aan de bel heeft getrokken: één keer in 1993, toen Harry Mulisch een buste in het Christelijk Lyceum in Haarlem zou krijgen en twee keer in 1995 toen hij bij verrassing tot eerste ereburger van Haarlem was benoemd; eerst bij de gemeenteraadsfractie van het CDA en vervolgens bij het Haarlems Dagblad.
    David Barnouw wist dit.
    Alle drie de keren heeft Anton S. persoonlijk bij de betrokkenen zijn protest ingediend en toegelicht
    Laat ik de e-mail citeren die Anton S. mij op 15 maart 2005 stuurde: “Ik heb alle klokken, die ik kon vinden al geluid, zonder enig resultaat: niet op het Christelijk Lyceum, niet bij het CDA (gemeente Haarlem) en niet bij het Haarlems Dagblad (waar men van alles op de hoogte was). Wat wil jij nog bereiken met het eventueel publiceren van de door jou verzamelde feiten?” Ik vind wel dat je lef moet hebben om dan zonder enige nadere informatie te zeggen: “Waarom zijn ze niet eerder met hun verhaal gekomen?” Anton S. heeft het herhaaldelijk gedaan, werd niet geloofd en heeft zijn pogingen tenslotte gefrustreerd opgegeven.
    David Barnouw heeft het volste recht met zijn mening naar buiten te komen en te zeggen dat mijn verhaal “dun” is – ná publikatie. Maar hij kon daar nu in dat interview in Nova en tegenover het AD en Het Parool ongestraft deels volstrekt onware redenen voor aanvoeren, omdat zijn gesprekspartners de tekst niet kenden en dus ook geen weerwerk konden leveren in de trant van: “Ja, dat zegt u nu wel, maar in het pamflet staat toch ….enz” De kern van mijn bewijs vormden de verklaringen van die twee getuigen. Op het moment dat iemand met het gezag van het NIOD die getuigen in strijd met de waarheid van het adjectief “anoniem” voorziet, ondermijnt hij daarmee in hoge mate de geloofwaardigheid van dat bewijs. Die zogenaamde anonimiteit, dat hij als eerste en kennelijk centrale bezwaar noemde, speelde een hoofdrol in zijn conclusie dat het pamflet “een dun verhaal” was.
    Ik heb tien dagen tevergeefs geprobeerd Barnouw tot een rectificatie te brengen en hem in mijn laatste e-mail van 26 januari “een elegante wending” aanbevolen. Halverwege onze e-mail-uitwisseling heb ik hem een rectificatietekst gestuurd die hem die “elegante wending” bood en gezegd dat ik zelf publiekelijk met die tekst aan de slag zou gaan, als hij die rectificatie niet wilde geven. De inhoud daarvan week in beginsel niet veel af van de tekst van deze verklaring en de publikatie hiervan is dus geen verrassing voor David Barnouw. Ik kon niet anders dan insisteren dat hij die verklaringen zou intrekken, omdat het voortduren van de onjuistheid daarvan “mijn integriteit als publicist in hoge mate aantast”, zoals ik hem in een e-mail heb laten weten.
    Ik heb bij mijn schrijverij over de bezetting altijd veel steun ondervonden van het NIOD, niet in de laatste plaats van David Barnouw. Het spijt me daarom meer dan ik zeggen kan dat ik met dit verwijt aan het NIOD en aan hem naar buiten moet komen.

    Sandy/USA, 29 januari 2006
    Dick Verkijk

  • 31/01/2006 om 21:53
    Permalink

    Deze week heeft de Vara Gids een uitgebreid portret van journalist Dick Verkijk. Dat is mooi, want voor de wat jongere lezers is Verkijk minder bekend dan voor de wat ouderen onder ons. Daarnaast is op de website van uitgeverij Aspekt ook een kort portret van Verkijk en zijn werk opgenomen. Een belangrijk tegenwicht voor de vreemde opmerkingen van Mulisch die meende dat Verkijk een ‘ chreep’ was en een ‘ derde rangs journalist’. Het lijkt er op dat het debat in wat serieuzer vaarwater komt. Interessant is de recensie in het Nederlands Dagblad welke Verkijk het voordeel van de twijfel geeft. Het Haarlems Dagblad is inmiddels eigen onderzoek gestart, zodat meer verrassingen niet zijn uit te sluiten. Interessant was bovenstaande bericht van puzzelstukken die op hun plaatsvielen. De zaak Mulisch lijkt ergens ook een publiekgeheim.

    Uitgeverij Aspekt
    afdeling persvoorlichting 😛

  • 01/02/2006 om 22:40
    Permalink

    02.02.2006
    Persbericht:
    Dick Verkijk klaagt Rudie Kagie (Vrij Nederland) aan inzake berichtgeving over jeugdstormverleden Harry Mulisch bij de Raad voor de Journalistiek
    In het nummer van 21 januari van Vrij Nederland staat een artikel “Dick Verkijk versus Harry Mulisch”, geschreven door Rudie Kagie. Dick Verkijk heeft n.a.v dit artikel een klacht bij de Raad voor de Journalistiek ingediend.
    Op 19 september 2005 had Dick Verkijk aan Emile Fallaux, hoofdredacteur van Vrij Nederland via diens persoonlijke e-mailadres een artikel aangeboden over Harry Mulisch . Aanvankelijk stelde hij zich positief op, maar hij stelde wel een bewerking voor. Op zijn beurt liet Verkijk weten daar in beginsel voor open te staan. Vervolgens liet Fallaux niets meer van zich horen, waaruit Verkijk de conclusie trok, dat VN afzag van publikatie – wat achteraf een juiste conclusie bleek te zijn. In de eerste helft van januari heeft de uitgever Aspekt zijn voorjaarsprospectus rondgestuurd en in de begeleidende tekst wordt uitsluitend gewag gemaakt van een “jeugdzonde” van Harry Mulisch. De te publiceren pamflettekst was intussen aanzienlijk uitgebreid . Daarom heeft Verkijk alle vier persorganen, die door hem eerder waren benaderd maar die niet tot plaatsing waren overgegaan, laten weten dat het oorspronkelijke artikel als pamflet zou worden uitgegeven, dat de tekst aanzienlijk was uitgebreid en als ze eventueel toch aandacht aan het pamflet wilden besteden, ze dan moesten wachten tot de nieuwe tekst er was en geen gebruik maken van de tekst die ze waarschijnlijk nog ergens hadden bewaard.
    Op zondag 15 januari werd Verkijk gebeld door Rudie Kagie van Vrij Nederland die wat meer wilde weten over dat pamflet. Verkijk zei hem niet meer te kunnen vertellen dan wat in de aanbiedingstekst stond. Kagie drong aan en liet het woord Jeugdstorm vallen – en hij erkende dat hij het artikel, dat Verkijk vertrouwelijk aan Fallaux had toegestuurd totdat hij tot publikatie zou overgaan, aan Rudie Kagie had gegeven als uitgangspunt voor een verhaal. Verkijk bleef herhalen dat hij “geen commentaar had totdat het pamflet zou zijn verschenen”. Verkijk kon en wilde hem uiteraard niet beletten contact met Harry Mulisch op te nemen, maar hij vond dat ze geen gebruik mochten maken van zijn oorspronkelijke artikel. Hij heeft dat Fallaux en Kagie nog diezelfde dag per e-mail laten weten met het verzoek hem vóór plaatsing de tekst te laten lezen. Daarop kwam geen antwoord. Dat leidde tot een nieuwe e-mail d.d. 16 januari waarin Verkijk VN categorisch verbood ook maar iets uit het door hun afgewezen verhaal te publiceren. Dat heeft VN diezelfde week toch gedaan. Verkijks hoofdklacht is
    1. dat Rudie Kagie tegen zijn categorisch verbod in toch gebruik heeft gemaakt van die eerdere tekst.
    2. dat hij dat heeft trachten te omzeilen door een interview met hem te verzinnen waarin hij die tekst heeft verwerkt alsof Verkijk hem die op die zondag had meegedeeld. Sappige opmerkingen als “daar kan je vergif op innemen” en “ik denk dat Mulisch er niet onderuit komt om te reageren op mijn bevindingen” heeft hij eenvoudig uit zijn duim gezogen, evenals zijn mededeling dat Verkijk van een bepaald, eveneens door hem verzonnen, argument “niet onder de indruk” was. Dramatisch last hij op een gegeven moment de passage in: “na een korte stilte” waarna hij een paar woorden aanhaalt die Verkijk inderdaad heeft gezegd, maar die nauwelijks iets met het eigenlijke onderwerp te maken hadden.. Een van de weinige dingen die Verkijk wel heeft gezegd, heeft hij niet gepubliceerd: “geen commentaar tot na de publikatie”.
    Verkijks verdere bezwaren zijn, dat Kagie al een negatief oordeel over het pamflet heeft, het afwijst als onwaar zonder de hele tekst te kennen en het al bij voorbaat een “schotschrift” noemt. Volgens Verkijk is het artikel geschreven in de trant van: “If you can’t kill the message, kill the messenger.” Daarbij gebruikt Kagie o.a. middelen die Verkijk zeer beledigend acht. Zo beweert hij (en dat moet haast tegen beter weten in zijn, volgens Verkijk), dat Verkijk “in 1992 door de NOS aan de dijk werd gezet” en dat hij daarna “onder protest zijn standplaats Belgrado heeft verlaten”. De werkelijkheid is dat de NOS (en andere omroepen waar hij voor werkte) hem zelfs na zijn pensionering op 4 juli 1994 verder als correspondent hebben gebruikt en dat zeker nog jaren zouden hebben laten voortduren, ware het niet dat het regime- Miloxc2x9aevic hem in oktober 1994 heeft uitgewezen omdat hij als een “vijand van het Servische volk” werd beschouwd. Daarna heeft hij voor dezelfde media zijn werk nog tot maart 1995 in de Sloweense hoofstad Ljubljana voortgezet. Toen de hoop verdween dat hij alsnog naar Belgrado kon terugkeren, heeft hij uit eigen beweging maar een punt achter zijn werk gezet.
    Beledigend is ook de bewering van Kagie, al weer zonder enige onderbouw, dat de getuigenis in Verkijks verhaal berust “op twee bejaarden, die zich menen te herinneren dat Mulisch in Jeugdstormuniform over straat liep”. Voor hem zijn blijkbaar allen van boven de 70 min of meer dement.
    Samengevat meent Verkijk dat Vrij Nederland in het algemeen en Emile Fallaux en Rudie Kagie in het bijzonder de journalistiek-ethische en auteursrechtelijke normen op grove wijze hebben geschonden.

    Sandy/USA, 31 januari 2006 Dick Verkijk

    😛

  • 03/03/2006 om 21:55
    Permalink

    Ik heb niet zo op Mulisch, maar een grotere en onbetrouwbaarde schoft als Perry Pierik de zelfingenomen uitgever is hij in elk geval niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *