Het Melkwoud

Ik herinner me Dries, die door de grote voorruit Het Melkwoud binnenviel of misschien zelfs sprong, wat niet één keer, maar minstens twee keer is gebeurd. Zou het drie keer gebeurd kunnen zijn? Tot hij voor een nieuwe ruit had betaald mocht hij het café niet meer in. Ik was er bij toen hij eens zijn schuld voldeed en vervolgens met een biertje aan een tafeltje ging zitten en tevreden achteroverleunde waarbij hij met zijn achterhoofd het glas van een ingelijste tekening verbrijzelde zodat hij meteen weer het café uitgestuurd werd.

De tekening was een al te kleurig, lyrisch-abstract kunstwerk, dat herinner ik me nog goed. Ik heb een keer over een hondje heen gekotst in het Melkwoud. Het was een koude tijd in mijn leven, maar in Het Melkwoud was het altijd warm.

(Pam van Emmerik in Haarlemse Huiskamers, p. 79)

Vandaag krijg ik een overdosis verleden: de school waar ik van 1978 tot 1998 Engels gaf houdt een reünie. Er komen 1400 leerlingen en oud-collega’s. Dat zijn een heleboel spoken om vrijwillig op te roepen en bovendien heb ik het op me genomen een gastles = nostalgieles te geven.

Alleen, waarover? Shakespeare dringt zich dan op, maar gruttend in vale mappen en pluizig geworden stencils stuitte ik ook op een kort verhaal van Dylan Thomas. En zo werden twee lijntjes verknoopt.

Ineens zat ik weer in Het Melkwoud (Under Milk Wood), zo ergens rond 1975, toen boven het café nog een muffe filmzolder was. Met hooguit vijftien stoelen, die je op alle mogelijke manieren duidelijk probeerden te maken dat ze er niet van hielden als je op ze ging zitten. Tussen de kieren van de vloerplanken had je zicht op de toog beneden.

In dat filmhuis (tussen een handjevol toeschouwers) zag ik destijds een verpletterende Russische filmversie van Shakespeares gruwelijkste tragedie, King Lear. Vertaling van Boris Pasternak, met muziek van Sjostakovitsj en desolate steppen van Russische modder, waarover radeloze horden almaar nieuwe ellende en vernederingen tegemoet strompelen. Korol Lir(1970) van Kosintsev.

Het heeft geen zin mijn emoties van toen hier in de groep te gooien; het was te mooi, te aangrijpend, het was te veel en jullie waren er niet bij (hoewel er negen kaartjes onverkocht bleven die avond). Ik volsta met een citaat. In deze scène, in een meedogenloos noodweer, vlucht de oude, door het verraad van zijn dochters tot krankzinnigheid gedreven koning een hut binnen, waar hij een kluwen jammerende, klappertandende, in gescheurde lompen gehulde armoedzaaiers aantreft en tot het inzicht komt dat hij het lijden van zijn onderdanen altijd veronachtzaamd heeft:

Poor naked wretches, whereso’er you are,

That bide the pelting of this pitiless storm,

How shall your houseless heads and unfed sides,

Your loop’d and windowed raggedness, defend you

From seasons such as these? O! I have ta’en

Too little care of this.

(III, IV, 28-33)

(En in Het Melkwoud was het altijd warm.)

2 gedachten over “Het Melkwoud

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *