Rimpelloos

Vanochtend moest ik in Velserbroek zijn in dienst van mijn schaakclub. Externe competitie noemen ze dat, maar dit voelde wel extreem extern. Voorafgaand aan de wedstrijd wandelden we ter ontspanning even door het winkelcentrum en voor we er erg in hadden, hadden we dat hele Velserbroek kapotgeyoupvan’thekt. Maar waarom nou eigenlijk?

Deze kerk zouden ze beter om kunnen bouwen tot atoomcentrale, denk je als onschuldige atheïst, maar die Velserbroekers denken waarschijnlijk heel anders. Je kunt daarbinnen knielen, het wijwater is er even effectief als in de Sacré Coeur, en als de woestijn goed genoeg was voor Mirakels, waarom dan niet ons Kruispunt??

Er was vijf uur uitgetrokken voor de schaakontmoeting, maar toen ik na een drie kwartier kon kiezen tussen een lui halfje (remise, niet slecht voor een invaller) en een lange middag piekeren (met ongewisse afloop), gaf ik mijzelf denkvrij, met als bonus een lange planloze middag. De rest van het team zou nog vier uur bezig zijn.

Ik lummelde wat rond bij de bushalte en besloot naar Haarlem terug te lopen.

Eerst door Velserbroek, later steeds verder van Velserbroek. Op de Slaperdijk maakte ik onderstaande foto, ter illustratie van iets wat op de heenweg in de auto bij mij opkwam. Dat ik het bestaan van Velserbroek na twintig jaar nog steeds niet heb geaccepteerd. Het verdring. Op de Slaperdijk knipper ik nog steeds drie keer met mijn ogen als ik de bebouwing aan de horizon zie.

In de Hekslootpolder (als 16-jarige mijn favoriete visstekkie) betrapte ik me op hetzelfde, nu met de huizen aan de Vondelweg.

Niet getreurd, toen wist ik al dat het een glorieuze dag zou worden, een lome dag met ingebouwde vertraging. Het water was rimpelloos. Honderden ganzen hielden luidruchtige jam-sessies, ik zag twee zwarte zwanen, en er borrelden herinneringen op. Hoe heetten nou ook weer die voorntjes, bij Nova Zembla (de ijsbaan, verboden hengelgebied), waar je alleen kon komen door over prikkeldraad te klimmen? Je ving ze alleen daar, aquariumvisjes haast, met een prachtige gouden gloed. Ik kwam er niet op, en kon het niet uitstaan.

Langs het Spaarne was een viswedstrijd geweest; de deelnemers leegden hun enorme leefnetten en hingen de vangst aan de anti-leugenaar. “Heren, mag ik iets vragen?” Het mocht, maar ze wisten het geen van vieren.

Bij de volgende had ik wel beet. “Bittervoorn!” Alleen in heel helder water kwamen ze voor, zei de man. Met zoetwatermosselen.

Fort Bezuiden was open, ik at een soepje op het terras, en vervolgde mijn weg. In Spaarndam was een festival met muziek en poëzie en bekenden. En ik zag er deze bloemen, gegroeid uit een zaadje dat er het beste van maakte, ook nadat zijn broertjes en zusjes in de haven waren verdronken.

‘Eerst kom het Leven, dan de Strijd, daarna de Dood en men is alles kwijt’, stond er op een bord verderop, maar dit was zo’n dag dat de Dood ook ergens in een hangmat lag te genieten en het verder wel geloofde. Nou ja, zo leek het terwijl ik naar Penningsveer slenterde, onderweg fotograferend en een dolletje makend met een pony zonder gevoel voor humor.

En de mensen waren ook goed vandaag.

Bij Saplaza nam ik de laatste van vele foto’s met spiegelend water, van deze palen.

Galgen in oprichting? Integendeel, iets met survival vertelde een trimmer me.

Survival, ik vond het prima en liep door naar station Spaarnwoude. De trein zou over 20 minuten komen en ook dat was prima – zo’n dag was het, heerlijk ontspannend, ook voor de machinist van de trein van 17.40 uur, die dat hele Spaarnwoude vergat en ontspannen doorsjeesde, waarna het informatiebord ontspannen op 18.10 uur sprong.

En van de tien beteuterde passagiers op het perron was er niet een die vloekte. Zo’n dag.

.

.

12 gedachten over “Rimpelloos

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *