Weeszin

Twee fietsers (m + v) passeerden mij op de Noorderbrug samen met deze woordsliert, zonder pauze uitgesproken door de vrouw:

“Jamaarjamaarneedoemaardan…”

Blijkbaar was de overredingskracht van haar medefietser haar te machtig, maar het was onmiskenbaar een lastige afweging geweest. Hij zou iets gaan doen, daar kwam het op neer. Formeel had zij hem toestemming verleend. Wat dat aangaat had ze net zo goed ‘Ja, goed’ kunnen zeggen. Maar zo simpel werkt het taalmachientje in ons hoofd niet. Dit was een ‘ja’ met ingebouwde ‘nee’, een onvolmondig ja.

Op het Dichtersbal in De Brakke Grond stond woensdag een kraampje van een studente grafische vormgeving, die je in het kader van een studieopdracht (waar verwachten lezers punten en komma’s?) vroeg om de interpunctie aan te brengen in een gedicht van K. Schippers, dat zo begon: in maar ooit nu dan ook van op na niet om en door naar voor over te bij met ter uit toch zo vast er tot wat toe meer wel aan niet om nog al tussen of er tot er tot in te er tot in te tussen toen naast of er achter tot wel uit zo toe enz.

Iets dergelijks zou je met ‘mijn’ woordslinger ook kunnen doen.

“Ja

maar

ja

maar

nee

doe

maar

dan…”

En als ik les gaf aan een Toneelakademie zou ik de aspirant acteurs maandag meteen laten improviseren: zeg “Jamaarjamaarneedoemaardan…” met drie verschillende intonaties en bedenk er een context bij. En als ze tegensputterden zou ik zeggen”Doe dan maar Neemaarmaarneejadoemaarnietdan.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *