Zelfdomesticatie

‘We worden minder Bokito en meer bonobo’, luidt de conclusie boven de Grote Zomervraag die NRC deze week behandelt. Nadat in één alinea is afgerekend met het minderheidsstandpunt dat de mens is uitgeëvolueerd, gaat het vooral over de vraag hoe homo sapiens er in het jaar 20.000 of 100.000 na Chr. uit zal zien.

Want er zit nog beweging in. Zo is de inhoud van onze hersenen de afgelopen 10.000 jaar gekrompen (bij mannen met 150 milliliter, bij vrouwen 250). Universele verdomming? Dat idee verwerpt de schrijver, hij houdt het liever op een theorie van Brian Hare en Richard Wrangham dat het hersenverlies te maken heeft met domesticatie. Immers, de wolf boette aan herseninhoud in toen hij hond werd, en de oeros had meer in zijn bovenkamer dan zijn afstammeling de melkkoe.

Bij al getemde soorten wordt doorgeselecteerd op speelsheid, vriendelijkheid en kwispelstaartigheid. Bonobo’s zouden aan zelfdomesticatie doen: de vrouwtjes vallen op sociale, knusse mannetjes.

En de mensenvrouwtjes/vrouwtjesmensen? ‘De mens van nu is een extreem tolerante en sociale aap.’ Dat is geruststellend in tijden waarin de Bokito’s van Boko Haram en ISIS het nieuws domineren.

Territoriumdrift en agressie waren gisteren geheel afwezig bij het Proefpark Haarlem, het exclusieve domein van de Kleverparkmens, de gezapigste en huiselijkste ondersoort van allemaal. Wonderbaarlijk zoals men daar in de rij stond voor de biologische friet, in de late middagzon. Vriendelijk keuvelend, ongehaast, ieder primitief instinct ontbrak om de kraam te bestormen, een patatje pindasaus mee te grissen en dat hoog in een boom op te schrokken. Regelmatig meldden zich bij de rij wachtenden goed gedresseerde kleuters en peuters voor een op gedempte toon gevoerd gezinsoverleg, om vervolgens weer de drassige vlakte op te stiefelen met hun kaplaarsjes.

kaplaars

Hoe lang is het geleden dat ik kaplaarzen droeg? Dat ik aan kaplaarzen dácht, met mijn geslonken brein? Ik had altijd een hekel aan die dingen, maar gisteren had ik ineens een woest kaplaarsverlangen. De hoosbuien van de afgelopen dagen hadden diepe sleuven uitgesleten langs de randen van een pad en in die sleuven stond modderig water, 10-15 centimeter diep. Midden in zo’n sleuf stond roerloos een onbeheerd, halfgedomesticeerd hummeltje – even maar en toen banjerde het die sleuf in de lengterichting door; en nog een keer en nog een keer, steeds sneller en gedurfder. Ze brieste van de spanning, het water kwam tot aan de rand van de laarsjes, ze tartte het gevaar. Toen andere, grotere laarsjes haar dribbelpret zagen, claimden die ook een dribbel- en spetterbeurt. En dan duurt het natuurlijk niet lang of je mama grijpt in…

Met kaplaarzen door hoog water lopen, dat moet een oerinstinct zijn, dacht ik met mijn geslonken brein, dat zit in ons DNA. Toch maar even opgezocht: ‘De eerste rubberlaarzen kwamen er nadat in 1852 Hirma Hutchinson Charles Goodyear ontmoette, die het vulkanisatieproces voor natuurlijke rubber uitvond. Hutchinson gebruikte die uitvinding om laarzen te maken die volledig waterdicht waren. Om meer winst te maken, ging hij in 1853 naar Frankrijk, waar 95% van de bevolking nog op klompen liep.’

Nou ja, oerinstinct of niet… zouden er Nederlanders zijn zonder kaplaarsherinneringen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *