Smeergeld

Wat zijn ze gevat en welbespraakt allemaal, de Haarlemmers in Smeergeld van Nausicaa Marbe! Neem nou rechercheur Alkema, die hier bij een biertje in een buurtcafé even bijpraat met de hoofdpersoon:

‘Om drie redenen, Job. De eerste is evident. Als iemand geheimen kan bewaren, dan ben jij dat. Jij vreet liever je tong op dan dat je een waarheid aan het licht brengt die tot heibel, complicaties, verklaringen, wantrouwen, onderzoeken, contact met instanties, officiële procedures en verlies van de eigen regie leidt. Anders was je met je vermoeden van fraude meteen naar de gemeentelijke integriteitscommissie gestapt. Maar je dacht in eerste instantie aan jezelf, je functie misschien, maar ook…’

Ja, zo praten wij hier! Ettelijke personages lijken ontsnapt uit een toneelstuk van Oscar Wilde; ze paren scherpe opmerkingsgaven en een kritische geest aan taalvirtuositeit. Job van Emmerik, de ontslagen stadsbouwmeester, is niet het soort verteller waar je je graag mee identificeert (een loser van bijna bijbelse proporties – de voornaam zegt het al en ook zijn achternaam is omineus). Abject, leugenachtig, labiel en van zichzelf vervreemd mag hij dan zijn, het belet hem allerminst te grossieren in schurende observaties als deze, over de gepamperde hummeltjes in zijn woonbuurt bij de Wagenweg:

‘Urbane monstertjes van zelfgenoegzame beheersing, die hadden we grootgebracht. In het tijdperk van het meest uitgedokterde, gedocumenteerde, wetenschappelijk onderzochte ouderschap. Waarin elke maand een nieuwe theorie over het welzijn van kinderen de oude verdreef, voer voor de ouders die hunkerden naar perfectie.’

Nausicaa Marbe staat niet op mijn vaste columnistenmenu (ik ben geen VK-of Telegraaf-abonnee) maar in een adempauze bij het lezen (het boek heeft enorm veel vaart en een geraffineerd plot) betrapte ik me erop dat ik de auteursfoto bestudeerde in een poging vast te stellen hoe malicieus of gevaarlijk zij zelf eigenlijk is vergeleken bij al die vileine, goedgebekte types die haar boek bevolken. Jammer dat haar nagels er niet op staan.

marbe

Smeergeld speelt zich af tegen het decor van de fraai geschetste Hout (‘De bladerenkelim die in november de grond kleurt is in december veranderd in een zwarte gelei die de motregen diep in opwellende modder drukt.’). Als bavocentrist was ik natuurlijk benieuwd hoe Haarlem ervanaf kwam – dat ‘dorp waar je nooit aan elkaar ontkomt,’ in Jobs typering. Vreemd genoeg leidde dat aspect eerder af van het leesgenot dan dat het iets toevoegde. Want was het nou een sleutelroman of niet? ‘Een polder-Gatsby’ uit Aerdenhout’, wie zou dat kunnen zijn? En de corrupte burgemeester Benno Braat interfereerde vervelend met onze onkreukbare Muggenmeester Bernt Schneiders.

Daar komt bij dat Smeergeld geen boek is dat je kijk op Haarlem blijvend zal kleuren, zoals De Walsenkoning van Ferron (‘Wat in de Bomenbuurt wordt opgekweekt slaat dood. Het hart wordt in de pekel gelegd voor de slechte tijden die je altijd te wachten staan.’).

Het voelt tamelijk ondankbaar dat ik dit schrijf. Want ik wil helemaal niet zeuren. Ik heb niks te zeuren. Ik heb genoten van dit boek. Ga maar na, ik heb de hele weekendkrant onberoerd gelaten om de ontknoping te kunnen lezen. Dat zegt genoeg, lijkt me.

8 gedachten over “Smeergeld

  • 03/11/2014 om 15:16
    Permalink

    Mooi vind ik de beschrijving van veertigers die hun hoogbejaarde ouders meenemen naar zo’n hippe ciabattazaak ‘waar zo’dikke gevulde broodenvelop naar de te kleine mond wordt gebracht waarbij stukken kip en taugé op tafel en schoot vallen. “Mam, je morst!” snerpt dan zo’n dochter…..’ . Heerlijk, fantastische waarnemingen liggen vaker ten grondslag aan een goede roman dan een sterk ‘gegeven’ dat wordt ‘uitgewerkt.

  • 03/11/2014 om 21:04
    Permalink

    @schulp: en nog dank voor de tip!

  • 03/11/2014 om 21:25
    Permalink

    Tja leuk Cassee gate met de nodige smeergelden en ander Haarlems gekronkel op ambtelijk niveau. Wat zou Feron hier allemaal over hebben geschreven, als hij nog in leven zou zijn. Eerst wordt Haarlem half opgeschrikt door een zaak die gaat over het actief helpen met het uitreizen van een uit Overijsel afkomstige jihadist en nu dit. Zou echt voer voor hem zijn geweest voor een mooie cynische roman over het altijd nette slaperige overkomende Haarlem.

  • 04/11/2014 om 13:12
    Permalink

    O ja, en Job is geen loser, die uit de Bijbel. Eerder een heer van stand. Natuurlijk bevatten die redevoeringen een partij slap gelul waar Socrates nog een puntje aan kan zuigen, tenminste als we die betweterige Plato met zijn opschrijfboekjesmanie moeten geloven, maar dan nog blijft Job een nette vent. Hoewel, hij ruilt zijn oorspronkelijke nageslacht wel heel makkelijk om voor nieuw kroost, in dubbel zo grote aantallen. Zie ik mezelf niet doen, ben dan ook geen heer van stand,

  • 10/11/2014 om 09:36
    Permalink

    Twijfelde of ik nu wel of niet moest gaan lezen, dus dank voor de recensie, Marius! Vier sterren? Of toch drie vanwege die niet-levensechte goedgebektheid van de personages?

  • 10/11/2014 om 19:19
    Permalink

    @Brigit: Ze is donderdag geloof ik om 19.30 uur in AB-Haarlem. En ach, die sterren… Ik vond het een erg goed boek (van mij mogen de mensen in het echt zo gaan praten!)

  • 10/11/2014 om 21:23
    Permalink

    Duidelijk 🙂 Ha leuk, misschien ga ik donderdag wel even luisteren.

  • 23/11/2014 om 18:18
    Permalink

    Dat het ondanks herkenbaarheid van wethouder, burgemeester en wat snelle vastgoedjongens, toch fictie is blijkt wel uit het gegeven dat Alkema een gemeentelijke integriteitscommissie noemt. Gemeente Haarlem heeft zulks niet.

    Wat zeer realistisch is en waarom dit boek waarschijnlijk nog waarschijnlijk lang en veel gelezen en besproken gaat worden is dat het een treffend beeld geeft van de tijd waarin we leven. De economische crisis, het milieu van welgestelden in en rond Bosch en Vaart en allerhande misstanden die welig tieren op ons stadhuis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *