Anti-zen

De man die naast mij plaats nam in de bijna volle trein van Leiden naar Utrecht was groter dan strikt noodzakelijk.

Het eerste wat mij opviel was niet zozeer zijn stoere, atletische lichaam, maar de plompe manier waarop hij zijn helft van ons bankje koloniseerde. Hij plofte naast mij neer met minder gratie dan een pallet bakstenen. Zonder mij een blik waardig te keuren begon hij aan zijn persoonlijke installatieprogramma.

Eerst moest zijn jas uit. Het was een sportieve, stugge jas met veel ritsen, klittenband en knopen. De jas moest aan het minieme knopje dat hij had ontdekt tussen de rugleuningen voor ons. Het knopje wilde niet. Het lusje wilde niet. De hele jas wilde niet. De man liet zich niet kennen; hij wurmde, wrong en frommelde. De jas zette een hoge rug op, vermomde zich als airbag en bedekte inmiddels mijn boek. “Gaat het zo?” vroeg hij al worstelend, zonder mijn antwoord af te wachten.

Hij klapte zijn tafeltje uit, want de koptelefoon moest op. Die zat in een tas. De tas was groter dan strikt noodzakelijk en had veel hysterische ritsen en krijsend klittenband. Die koptelefoon moest ter plekke gemonteerd worden, zo leek het, met alle snoertjes en stekkertjes die de firma Bose levert en daarna aangesloten op een ander geavanceerd apparaat, dat daar duidelijk niet van gediend was.

Zo. Die zat. Hij zat. Hij had muziek. En honger. Hij pakte de tas. Ja, die tas. De broodtrommel moest uit de tas. Hij vouwde een tafellaken van een zeer knisperige Metro en dekte het tafeltje. De trommel was voorzien van een vernuftig mechanisme, dat niet zonder slag of stoot open klikte. Uiteindelijk kwam er een mandarijn uit. Zo een die niet uitgekleed wil worden. De man gaf geen krimp. Na zijn overwinning deed hij trommel en tegenstribbelende Metro terug in de klittenbandtas. Hij zeeg achterover. Minstens vijf tellen zat hij zo en toen pakte hij de tas. En de Metro.

Hij bladerde naarstig door de Metro (zonder rits en klittenband) en vond de sudoku. Hij vond – in de tas – een pen. De sudoku werkte niet mee, dat kon ik zien, maar niettemin, vanaf Bodegraven zaten wij geluidloos naast elkaar. Even voor Woerden pakte hij tas, jas, Metro en stak kordaat het gangpad over, naar een zojuist vrijgekomen plaats en begon zich te herinstalleren. Toen de trein stil stond, stapte ik uit en liet ons bankje leeg achter.

Het boek dat ik las was Lord of the Flies, nog steeds populair op scholen. Over de primitieve driften die in ons schuilen en ons na een kort verblijf op een onbewoond eiland in bloeddorstige inboorlingen kunnen veranderen. Zou het? Eerder zie ik het gebeuren dat moderne mensen elkaar naar het leven staan uit onrust en verveling. Doordat hun ritsen het hebben begeven, alle sudoku’s zijn opgelost en dwergaapjes de koptelefoon hebben gegapt. 

Eén gedachte over “Anti-zen

  • 25/01/2015 om 13:10
    Permalink

    De dood lijkt me een verademing voor zo’n man. Een eeuwig leven lijkt me te hoog gegrepen. Werkt niet bij de sociale dienst Haarlem?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *