Westerveld

Als jongen viste ik vaak in de Tankval bij Duin en Kruidberg en als ze niet wilden bijten, probeerden we het tussen de rietkragen aan de overkant, op het terrein van Driehuis Westerveld. Het prikkeldraad over en dan hopen dat je niet werd gesnapt. Sluipend met onze hengels, passeerden we soms bergen oude kransen en verlepte boeketten. De grafmonumenten waren een heel eind verderop, daar was ik toen nog nooit geweest.

Tegenwoordig is het crematorium mijn dagelijkse memento mori. Ik fiets er langs op weg naar mijn werk en dan besef je wat een continubedrijf het is. De dood neemt nooit een snipperdag. Om de zoveel tijd ben ik er om zelf van iemand afscheid te nemen. Zo ook afgelopen zaterdag, van een dierbare oud-collega.

Ik had op mij genomen om tijdens de plechtigheid een toespraakje te houden. Altijd hachelijk, maar al snel won ik aan vertrouwen. De geluidsinstallatie was dermate goed dat ik niet op de microfoon hoefde letten. Ook de katheder was ideaal. Mijn tekst lag stil tegen een richel op een marmeren plaat, die bovendien mijn handen houvast bood.

Pas toen ik terug op mijn plaats zat, liet ik mijn gedachten uitgaan naar al degenen die daar eerder hadden gestaan of nog zouden staan, zoekend naar steun – velen ontredderd, verslagen, snotterend, stotterend, of sprakeloos. Hoeveel verdriet zou dat koele steen al hebben geabsorbeerd?

Terwijl we zaterdag van de ontvangstruimte naar de hoger gelegen aula schuifelden, een wandeling van een paar minuten langs de zerken, maakte helemaal vooraan een klein meisje zich los uit de stoet en huppelde voor iedereen uit tegen de heuvel op, met huppelpasjes zo levenslustig als geen filmregisseur het ooit gefilmd zou krijgen. Na een paar meter draaide ze zich vrolijk om, haar jurkje zwierend, een beetje verbaasd dat niemand meedeed. Haar opa was nog even niet dood.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *