Claustrofilie

Een van mijn leerlingen heeft belangstelling opgevat voor Isaac Asimov en wil daar een profielwerkstuk over schrijven, met mij als begeleider. Ik heb nooit iets met science fiction gehad, maar dit jaar – noem het ontsnobbing, noem het regressie / infantilisering – kocht ik toevallig een fraai, gebonden SF-boek met Five Classic Novels 1956-1958, dus die Foundation Trilogy kan er deze zomer nog wel bij.

Ter voorbereiding op mijn begeleiderstaak hopte ik door enkele internet-biootjes van Asimov, die ik grinnikend las. Zo zat de man wiens ruimteschepen van het ene melkwegstelsel naar het andere zoeven, zelf maar twee maal in een vliegtuig. En hij was claustrofiel, d.w.z. hij had een voorkeur voor kleine, benauwde ruimtes. Zo schreef hij liefst in een kamertje zonder ramen. Zijn toekomstdroom als jongen was om te werken in zo’n klassieke kokerachtige krantenkiosk bij een New Yorks metrostation, met op de achtergrond het gedender van de treinen.

Aan vakantie had Asimov ook een broertje dood, dat spreekt (och arme, hoeveel claustrofielen zouden dit weekend onder dwang van agorafiele partners afreizen naar sierra, toendra of woestijn? En weet die partner wel van hun afwijking? Uit de kast komen is voor de claustrofiel dubbel moeilijk…).

En claustrofilie blijkt nota bene ook een afwijking in schakerskringen, in het bijzonder bij probleemcomponisten (geen componisten die problemen veroorzaken in winkel- of uitgaanscentra, maar bedenkers van schaakpuzzels). Tim Krabbé noemt in zijn Curiosa met name J. Hasek als iemand met een perverse voorliefde voor stellingen waarin de koningin opgesloten zit of raakt tussen de eigen stukken. Deze ‘ingekerkerde dame’, zoals Krabbé haar aanduidt, is van een andere liefhebber, G. Hörning:

horningWit speelt en wint. Oplossingen hier.

Nou, voordat het onweer losbarst trek ik er nog maar even op uit, de vrije natuur in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *