Haarlem ademt

Voorgelezen op het Geschiedenisfestival 2015 in de Philharmonie, voor het NH-Archief

Goedemiddag, beste Haarlemmers, bestaand en niet bestaand.

Hij dreigt inmiddels aan zijn eigen succes ten onder te gaan, maar laten we niettemin even stilstaan bij de leuze die onze grote buurman 020 sinds jaar en dag de wereld in slingert. In brutale kapitalen: I AMSTERDAM

Wat direct opvalt (zeker op dit knusse samenzijn onder de noemer ‘Haarlem bestaat niet’) is het ontbreken van iedere existentiële twijfel. I AMSTERDAM – waar een groot filosoof als Descartes stapje voor stapje, bibberend, op de tast, arriveert bij zijn cogito ergo sum, schreeuwen die Mokumers het van de daken met alle branie die hen eigen is. Egocentrisch. In Engels met een Jordanees accent. Het helpt natuurlijk dat zij met velen zijn daar aan het IJ: 800.000 lefgozers en lefwijven bij elkaar. IK BENNEKOM zou beduidend minder impact hebben of IK BENNEBROEK. Zelf bedacht ik een aantal jaren geleden voor Haarlem een snaaks antwoord op I AMSTERDAM.

WE ARE LEM benadrukte onze kleinsteedse saamhorigheid en verbondenheid, zo was de achterliggende gedachte. Helaas, de verkoop van de T-shirtjes stokte na de eerste oplage van vijf. Ook de overige WE ARE LEM-merchandise ligt opgeslagen in een zoek geraakte loods ergens in de Waarderpolder. Vergeleken met alles wat de citymarketing-hype verder opleverde, stak mijn eigen poging nog betrekkelijk gunstig af. Zeg nou zelf…

DOE HET in Dronten
HET KAN in Almere
Tilburg, JE BENT ER
HELEMAAL Hengelo
JE TREFT HET in Tiel
Veldhoven VERRASSEND VEELZIJDIG
JE KUNT NIET OM Zederik HEEN (Zederik????)
Enkhuizen BOEIT [Ja, nu de categorie heavy woordspelingen]
Sneek = MEER
ERVAAR Maassluis
Hoorn MOET JE VOELEN
Harlingen heeft WAD
Den Helder KUST DE ZEE,

Bestaan er stadspsychiaters? Dorpspsychiaters? Vlek-op-de-kaartpsychiaters?

Er bestaat in elk geval wel een stoornis die bigorexia heet en waar al die stadspromotieteams aan lijken te lijden – bigorexia is een broertje van anorexia. De patiënt is een obsessief bezoeker van sportscholen en doet er alles aan om zijn spiermassa op te pompen. Hij gaat, geholpen door plastische chirurgie en voedingssupplementen, gevaarlijk ver om zijn verwrongen, negatieve zelfbeeld in overeenstemming te brengen met een onbereikbaar ideaal.

Dat negatieve zelfbeeld brengt ons terug bij HAARLEM BESTAAT NIET, dat het helaas nooit geschopt heeft tot stadsslogan. Zoals u hopelijk weet, is het de titel van dit prachtig uitgegeven boek van Lennaert Nijgh.

1001004005347409

Gepubliceerd in 1996, met dank aan het Haarlems Dagblad én de voorintekening van duizenden rechtgeaarde stadgenoten. Hun namen beslaan vier dicht bedrukte pagina’s en alleen al het lezen daarvan wekt bij mij een vage ontroering.

De titel is ontleend aan de reeks mythes en legendes die in het boek wordt doorgeprikt. Blijft er daarna überhaupt nog iets over van onze geschiedenis, vraagt Nijgh zich af. En ook hij psychologiseert: Haarlem lijdt aan een Calimero-complex. Het klampt zich krampachtig vast aan zijn pseudoverleden doordat de stad economisch is overvleugeld door het veel dynamischer Amsterdam. Nuffig en suffig is Haarlem geworden en uit frustratie tuigt het zijn heldenverhalen steeds fraaier op.

Wat mij betreft komt er snel een herdruk van dit boek. Vanwege het gesoigneerde taalgebruik, dat ook bij verschijning waarschijnlijk al wat archaïsch aandeed. En omdat het een goudmijn van informatie is. Omdat het de liefde voor Haarlem uitdraagt. Omdat het ons in de gekwelde ziel van Lennaert Nijgh laat gluren. En omdat zíjn weemoed bij iedereen die aan het Spaarne is opgegroeid talloze herinneringen losmaakt.

Mijn lievelingshoofdstuk is ‘De Mottenballenfabriek’, over de jaren zeventig. Het ‘milieu’ is dan nog maar net ontdekt, althans door actiegroepen. Nog niet door de gemeente, die zonder gewetensbezwaren vuil slib in de Mooie Nel blijft storten. Berucht was ook het zogenaamde Ridsterrein in de Waarderpolder, dat werd gebruikt als afvoerputje voor alles wat toxisch, schadelijk of gewoon goor was. Op die afgelegen locatie stond in de naoorlogse jaren de mysterieuze Ridsfabriek, die insecticide maakte en trotyl voor Korea en iets gemeens wat ‘mengzuur’ heette. Er klonken daar regelmatig explosies en er was vaak brand. Volgens een Spaarndamse sage zou er ooit een brandweerman in een gat of kelder zijn verdwenen. ‘Alleen zijn trouwring is nog teruggevonden’, aldus de overlevering.

Als de wind verkeerd stond liep Haarlem-Noord naar adem te happen, schrijft Nijgh, quasi-neutraal. Niettemin, ik verdenk hem van een geamuseerde grimas tijdens het schrijven. Of een nostalgische glimlach. Want dat is het gekke: met het verstrijken van de jaren wordt de stank van vroeger je dierbaar. De drollen die in hele scholen door de Jan Gijzenvaart zwommen, de weeë chocolademist van Droste, de penetrante dampen bij slibverwerkingsbedrijf Rutte. Misschien komt het daardoor wel dat de nieuwe wervingskreet van onze stad niet aan mij besteed is. Kent u hem?

Adem in. Adem uit. Adem Haarlem
Adem in. Adem uit. Adem Haarlem

In mijn geheugen strijden te veel vervlogen geuren om voorrang. Want dat is wat die leuzenbakkers vergeten: een ieder maakt zijn eigen stad, bestaand of niet bestaand. Daar heb je als het goed is geen hulp bij nodig.

GF2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *