Chiel en Steve

Gepubliceerd in Straatjournaal mei ‘16

Bij het Verwulft in Haarlem liggen twee levensgrote stenen zwijnen in de dakgoot. Het is een van de drukste plekken van de stad, pal tegenover het stoffelijk overschot van V&D. In 1637 betrok een spekverkoper dat pand, vandaar, maar wat ik me afvraag is hoeveel passanten zich bewust zijn van die dikkerds boven hun hoofd.

Op de begane grond doet men er immers alles aan je blik op etalagehoogte te houden – daar wordt onze begeerte gewekt en de hebzucht geprikkeld. Pas na sluitingstijd, als de rolluiken met veel gerammel en gerochel zijn neergelaten en de laatste koopverslaafden zijn weggetrokken, krijgt zo’n winkelstraat een eerlijke kans. Dan zie je de afzonderlijke gevels afsteken tegen de lucht en daagt het besef dat ook een koopgoot een eerbiedwaardige geschiedenis heeft, ook al is die slechts vanaf de tweede etage zichtbaar. Alleen daarom al verheug ik mij op het boek dat Stichting Polyvista gaat uitbrengen rond de meer dan honderd tekeningen die de Haarlemse tekenaar Chiel Braat maakte van de Grote Houtstraat.

Chiel Braat is een fenomeen; waar anderen gevels zien en blinde muren, ziet Chiel individuele bakstenen, elk met een eigen gezicht – sproetig, stoppelig, verweerd. En aan al die kenmerken moet en zal hij recht doen: ook mos, aankoeksels en uitstulpingen pietepeutert hij in zijn tekeningen. Chiel is een man met een missie. Met een obsessie. Jarenlang ontfermde hij zich over panden die op de nominatie stonden te worden gesloopt. Afgedankte, afgeleefde huizen legde hij op de valreep vast voor het nageslacht. En zijn nieuwste project is dus de Grote Houtstraat. Hoeveel bakstenen zijn dat, alles bij elkaar? 200.000? 500.000?**

Voor dat nog te verschijnen boek vroegen ze mij om een bijdrage. Komt voor de bakker, schreef ik per kerende post. En please, mag ik de Apple Store? Eerst maakte ik foto’s van dat schizofrene gebouw. Boven is het bewoond (ramen met vitrage in een net iets te professioneel gereinigde gevel). En daaronder, als een soort schuifla, de Store.

.

appelzuur

.

Een tempel voor Steve Jobs, een walhalla voor consumenten met een gehackt brein. Ik nam mij voor het er afgrijselijk te vinden. Walgen zou ik! Het interieur was voorspelbaar strak en steriel. Alles glansde en glom er optimistisch. Ook de klanten, van wie sommigen leken te zweven… Alsof ze verwachtten direct na aanschaf van hun nieuwste i-toy ten hemel te stijgen. Andere i-humans schoven plechtig aan voor een consult met een Apple-medewerker.

Jakkes, wat zijn die hip! En stuitend vriendelijk en onbetamelijk jong en vitaal. Een kroezige jongen danste mijn kant op. Ik keek hem zo appelig mogelijk aan. “Ik heb een 89-jarige moeder met een iPad van vijf jaar oud die aderverkalking heeft. Zíj is geestelijk nog goed. Mag ik ze hierheen sturen?” Hij beantwoordde mijn vraag welwillend. Deskundig. Perfect, moest ik toegeven. Niettemin, ik bleef me krampachtig vastklampen aan mijn tweedeling: boven goed (klokgevels en baksteentjes), beneden slecht (neoliberale geldharkers en privacy-schenders). Na een week ging ik terug. Nu babbelde ik met een Apple-meisje. Ze hoopte op te klimmen in de organisatie, vertelde ze monter en nee, ze was beslist geen computer geek. Hier bij Apple voelde ze zich gezien. Ik bleef wroeten naar een duister geheim. “Waarom zie ik nooit één vingerafdruk op al die schermpjes hier?” Het was mijn laatste poging tot cynisme.

Ze toverde een doekje uit haar achterzak. “Dus je bent hier ook nog poetsvrouw?” Ze beaamde het, met een triomfantelijke lach. Dat olijke Apple-doekje brak mijn laatste verzet. Waarom houden mijn strenge tweedelingen nooit stand, kan iemand me dat uitleggen?

** Tel het zelf na bij de onlangs geopende expositie in het ABC Architectuurcentrum.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *