Klotsende stemmen

Mijn november-column voor Straatjournaal (waarvan het eerste deel trouwe RaDa-lezers bekend zal voorkomen uit Koepelschaak)

Lang geleden speelde ik zaalvoetbal in de Haarlemse Koepelgevangenis, op het enorme middenterrein. Tegen echte zware jongens, die echt zware overtredingen maakten. Behalve hun misdadige tackles herinnerde ik me vooral de akoestiek daar. Rammelende sleutelbossen van cipiers, dichtslaande celdeuren – ieder geluid veelvoudig versterkt.

Onlangs was ik er terug met een delegatie van mijn schaakclub Het Witte Paard, voor een aantal vriendschappelijke partijtjes tegen vluchtelingen. Het galmde, klotste en echode als vanouds – mijn eigen klaterende lach hoorde ik na minuten ineens weer terug. Ha-ai-Hanaa-Ha-HiaHia-Hyena!! Vervormd na mysterieuze omzwervingen langs het Koepeldak en de gaanderijen met cellen, inmiddels omgebouwd tot kamertjes.

Tijdens de ergste crisis werden hier 380 vluchtelingen opgevangen. Door de aanstaande sluiting verblijven er momenteel nog zo’n 200 in de noodopvang – dat scheelt dus in het kabaal. Niettemin… wat een surrealistisch decor! Veel Eritreërs, Kosovaren, Afghanen of Syriërs die het gebouw voor het eerst betraden, moeten gedacht hebben aan een sadistische grap van het COA. Ook ons gezelschap moest wennen aan de onwezenlijke entourage. Enigszins schutterig zetten we de tafeltjes en stukken op in de enorme leegte van het middenterrein, niet goed wetend wat te verwachten. Maar weldra – ja, we waren gesignaleerd, zo’n Panopticum heeft ook z’n voordelen! – meldden zich de eerste schaakliefhebbers en al snel hadden alle dertien HWP-ers een tegenstander.

Zo zat ik tegenover een getaande Mongoliër met honkbalpet. Zijn leeftijd liet zich niet raden en we hadden geen gemeenschappelijke taal tot onze beschikking. Af en toe mummelde hij wat, of giebelde als hij zijn dame in liet staan. Er ging een bovenaardse rust van hem uit en ik kon me voorstellen hoe ze in de lange winters van zijn vaderland urenlang over één zet deden, om die bij nader inzien bedaard terug te nemen en onverstoorbaar verder te peinzen. Als ik ook namens hem mag spreken: wij hadden het goed samen, ook zonder woorden. Toen hij verloren had, grijnsde hij met al zijn rimpels, zwaaide en vertrok.

Mijn volgende tegenstander was zijn tegenpool: een rad Engels sprekende, branieachtige, snel spelende Iraniër. Het lukte mij die partij te verliezen, door één onbesuisde zet. Goed voor zijn humeur was het zeker. Terwijl we speelden, kregen we af en toe bekijks, van schakers en niet-schakers (de avond was een spoedcursus land- en volkerenkunde voor mij). Er werd serieus gespeeld, maar het ging er gemoedelijk aan toe.

Weer buiten stond iedereen er enigszins beduusd bij. Ja, we hadden vriendelijke mensen ontmoet. En ja, de inzet van vrijwilligers hier in Haarlem geldt als een succesverhaal. Daartegenover stond dat niemand ook maar één nacht zou willen doorbrengen op zo’n plek waar de uitzichtloosheid langs de muren sijpelt en ongeduld en frustratie uit het her en der opgehangen wasgoed druipen. We fietsten terug richting centrum, naar de andere Spaarne-oever. Daar prijkte de Bakenessertoren tussen eeuwenoude gevels, flatteus uitgelicht. De stad op zijn mooist en stilst. Dat krijgen ze er tenminste bij, suste ik mezelf.

Zoiets wil je dan graag geloven, maar kort daarna verscheen Straatjournaal, met deze doffe zinnen van collega-columniste Damiana uit Guinea, die straks wordt doorgeschoven naar een AZC: Ik woon sinds februari in De Koepel, maar ik ken Haarlem nauwelijks en heb hier ook bijna geen contact gemaakt met nieuwe mensen. Ik heb vooral op mijn kamer gezeten, alleen daar voelde ik me geborgen. En dan is Damiana nog een van de weinigen die haar ervaringen kan verwoorden (en voortreffelijk ook). Maar daar in die Koepel voel je honderden individuele geschiedenissen spoken – het gros nooit uitgesproken, onverstaanbaar of veronachtzaamd. Dat maakt het zo verwarrend daar te zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *