Cornelis van Haarlem

Voorgelezen bij het Historisch Café in het NH-Archief op 21 november

Voor mijn weblog bedacht ik ooit het woord ‘bavocentrist’. Bavocentristen zijn mensen wier leven zich afspeelt binnen een straal van 500 meter van de Grote Kerk. Über-Haarlemmers. Types zoals u… en u daar… Veel Haarlemser en Haarlemmeriger dan dit gezelschap krijg je het niet gauw bij elkaar, nietwaar?

Afhankelijk van de context heeft ‘bavocentrist’ een positieve of negatieve bijklank. Het kan duiden op een uiterst beperkte actieradius (denk daarbij aan de Alcoholische Driehoek café Koops, de Witte Zwaan en de Uiver) of anders op een benepen geestelijke horizon (blijven mopperen dat noch Godfried Bomans noch Lennaert Nijgh ooit de Nobelprijs voor de Literatuur heeft gewonnen). Daartegenover staan gelukkig ook bavocentristen die zich waarlijk verdiepen in hun stad, van 1245 tot het heden.

Wat al die hedendaagse Haarlemmers bindt, is een zekere eenkennigheid. Hoewel, een zekere? Ook zonder elkaars stamboom te bestuderen ‘ruiken’ ze van elkaar hoeveel generaties hun Haarlemmerschap teruggaat. Wie deze stad eenmaal verlaat, wordt gebrandmerkt als een verrader. Een geboren Amsterdammer (al heeft ie hier nog op de crèche gezeten en zwemt hij bij wijze van penitentie dagelijks in het Spaarne) blijft levenslang een gevaarlijke infiltrant.

Tegenover import-Haarlemmers uit het verre verleden is de tolerantie en nieuwsgierigheid aanmerkelijk groter. Zo stootte ik onlangs mijn hoofd aan de laagste museumdeur die ik ken, die van het Archeologisch Museum, waar ik was om Cornelis te zien. Cornelis van Haarlem uit 1450. Toen ik deze foto maakte was het beste er bij hem duidelijk al van af.

.

clip_image002

.

Het geraamte werd een paar jaar geleden opgegraven op de Botermarkt en kreeg (voordat het helemaal tot stof kon vergaan) een voorkeursbehandeling. Met behulp van moderne wetenschappelijke technieken werd zo nauwgezet mogelijk gereconstrueerd hoe deze proto-Haarlemmer er uitzag toen hij op zijn 34-ste overleed. Hij kreeg weer vlees op zijn botten en werd nieuw in de kleren gestoken, volgens de laatste mode van de late middeleeuwen: zijn rode hoofdtooi heet een ‘kaproen’ en in plaats van een ordentelijke pantalon draagt hij ‘beenlingen’.

.

clip_image004

.

Toen onze stadsarcheologe Anja van Zalinge het eindresultaat zag, riep ze uit: “Ik vind het wel een lieverd!”

Die vertedering begrijp ik wel, maar zelf bezag ik onze verre voorvader toch met wat meer scepsis, zeker toen ik het informatieve filmpje over zijn wederopstanding had bekeken.

.

clip_image006

.

Zonder die onschuldige fletsblauwe ogen is het meteen al een ander verhaal, al kan ik me dan nog niet voorstellen dat die aardige Anja dan iets had geroepen als ‘Wat een achterbakse gluiperd’

Maar wat ik me vooral afvroeg toen ik daar zo oog in oog stond met Cornelis, was in hoeverre wij elkaar zouden begrijpen, stel dat we ergens hadden kunnen afspreken, op neutraal terrein. Ik noem maar wat, in 1750, op ‘zijn’ Botermarkt, voor een bakje koffie. Hoewel, koffie? Die had hij nog nooit gedronken, neem ik aan. We zouden heel erg aan elkaars koeterwaals moeten wennen en dan konden we voorzichtig op zoek gaan naar gemeenschappelijke interesses. Moest ik me laten bijpraten over de Hoeksche en Kabeljauwse Twisten? Of vertellen van die fantastische nieuwe uitvindingen die hij had misgelopen, zoals de fiets? / de waterleiding? / de anticonceptiepil? de verdoving bij de tandarts? de centrale verwarming?

.

clip_image008

.

Die laatste twee boden misschien nog de beste aanknopingspunten. Dit jaar liep ik twee dagen met een hamsterwang door een ontstoken kaak en vorige week viel thuis de verwarming uit. Wat werd het snel kil! We vernikkelden in no time. En pas op zulke momenten sta je stil bij de dagelijkse ongemakken en ontberingen van vorige generaties, niet eens zo heel lang geleden.

The past is a foreign country’, wil het cliché, maar zo staand, tegenover die brave Cornelis, kwamen er veel en woeste vragen bij mij op. Stel dat ik nu in gesprek moest met mijzelf van 30 jaar geleden… Ook dan zouden er al afgronden van onwetendheid gapen. De mensen rookten nog in restaurants, hondenuitlaters droegen nog geen poepzakjes bij zich en in 1985 bestond Windows ’98 nog niet. Ik moest mijn eerste email nog sturen.

Mijn geest racete door naar een Historisch Café van de toekomst. Het hoefde niet eens in 2600 te zijn. 2116 mocht ook. Ze hadden mijn skelet naar eer en geweten opgetuigd en mij uitgedost als ‘een typische Haarlemmer anno 2016’. Mart Smeets, Dennis van der Geest, Jaap Pop, Paul Witteman, Beau van Erven Dorens en Ruud Geels een beetje door elkaar geklutst. Wat een lieverd! zouden ze hopelijk zeggen; ook zouden ze meewarig vaststellen dat ik al vóór mijn honderdtwintigste was overleden en dat mijn gebit nog moeite moest hebben gehad met lammetjespap en aardappelpuree. En idioot, neusverkoudheid kwam nog algemeen voor in die primitieve tijd. Een eigenwijze columnist vroeg zich af waarover hij in vredesnaam met mij zou kunnen praten.

Nou ja, als ik vast een suggestie mag doen: de rivaliteit tussen Amsterdam en Haarlem? Díe zal over honderd jaar hopelijk toch nog wel gewoon bestaan?

wearelem

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *