Twee Hongaren

We zouden per trein naar Utrecht reizen, samen met een nieuwe kennis, een oudere, ontwikkelde heer van Hongaarse afkomst. Door de drukte konden we pas in A’dam bij elkaar zitten. Ferenc bleek in Nederland geboren. Zijn Hongaars had hij op vijfjarige leeftijd afgezworen, maar later had hij het weer geleerd, vertelde hij.

Een stevige man met een solide dossiertas, vulde naast mij de laatste vrije zitplaats in de coupé. Wij vervolgden ons verkennende gesprek over het Hongaars, waarbij ik me voor die taalfamilie uit lang vervlogen colleges Taalkunde de term Fins-Oegrisch herinnerde.

“Wist u dat het Fins en het Hongaars maar vijf woorden gemeen hebben?” interrumpeerde de nieuwe man. Hij noemde er twee of drie en haperde. Ferenc stelde een vraag, waarop zich een wellevend gesprekje in melodieus Hongaars ontspon. Ik luisterde geboeid naar deze hartverwarmende hereniging van twee landgenoten. Op de achtergrond zwol een rapsodie van Béla Bartók aan, de Donau ruiste machtig en ik meende het kruidige aroma van goulash te bespeuren. Toen ze zich na de eerste begeestering onze aanwezigheid herinnerden, schakelden ze terug naar het Nederlands. Kennelijk  hadden ze het gehad over modern idioom. “Weet je wat ‘verkeersfile’ is?”

“Ja, ‘doego’*, dat wist Ferenc nog wel, maar helemaal up to date was hij toch niet. Gabor was in 1956 hier gekomen, met zijn gevluchte ouders. Ik vroeg waarom de Polen hier zoveel talrijker waren dan Hongaren, waarop het gesprek zich verplaatste naar de economie. Terstond werd een breuklijn zichtbaar. Ferenc zag het niet zo zonnig in. Hij kende academici die in arren moede emigreerden. Een gepensioneerde vriendin van hem moest rondkomen van €250. Gábor was niet zo van de schrijnende gevallen. Hij had zijn cijfers paraat en die toonden onmiskenbaar aan dat… Zijn tas verleende hem extra autoriteit.

Het was maar een kleine stap van economie naar politiek. Viktor Orbán schoof aan. Een slechte man, zoveel wist ik zelfs nog. Die wilde dat wij voor zijn grenshek met Servië betaalden… Maar Gábor verguisde de Nederlandse pers. Die lui baseerden hun opinies op een paar onbeholpen terrasgesprekjes in Boedapest. In dat hek zaten trouwens zes deuren. Een Syriër die beleefd aanklopte mocht heus naar binnen. Daar had Ferenc wel wat op af te dingen. Zag ik. Hij zei het niet. Gábor had nog meer geharnaste meningen. Over een paar maanden kwam zijn rapport uit, kondigde hij aan, waarin hij een aantal heersende misvattingen zou ontkrachten.

Het gesprek tussen de landgenoten bleef onverminderd beschaafd en vriendelijk; er viel tot Utrecht geen onvertogen woord. Maar toen we uitstapten was die breuklijn verbreed tot een gapende kloof en de rapsodie was overgegaan in een schel duet gespeeld op twee ontstemde violen.

.

bartok

Foto: Keith Bramich

*dugó

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *