Hard gelag

In de Sir Edmund van vorige week las ik de rubriek Beter Leven (wat is dat toch met het leven, dat het zo zelden goed genoeg is?) over de vraag of je minder gaat lachen naarmate je ouder wordt. 

Jammer, het artikel verschafte geen eenduidig antwoord, er bestaat te weinig steekhoudend onderzoek naar lachfrequentie. Alleen in Canada werd deelnemers gevraagd bij te houden hoe vaak ze per dag lachten. Het gemiddelde was 17 keer daags.

Zeventien? Twee keer per uur…? Ik heb het niet geturfd, maar daar zit ik al dik boven in de tien minuten dat ik aan dit tot u toe nog niet bijster humoristische stukje tik. En er zijn dagen… Mijn gegniffel / gegrinnik / gegnuif / geschater is zeker niet altijd pure vrolijkheid. Gisteren was een goede lachdag, die zijn climax kreeg in het café waar we de werkweek graag afsluiten. Deze week was ik daar nog harder aan toe dan gebruikelijk. Ik zat net, de eerste Brugse Zot was nog niet ingeschonken toen ik via whats-app vernam dat een vriendin was overleden. Vijftig. Ik wist dat dat bericht een dezer dagen moest komen. Maar toch… De Dood was sowieso opdringerig de afgelopen tien dagen (hoe vaak lacht die per dag?).

Ik verkeerde in erg prettig gezelschap, precies de collega’s die ik zelf uitgekozen zou hebben, en de stemming steeg. We bereikten het moment dat iedereen zijn ideale uggelage bereikt heeft – zichzelf grappig vindt en anderen bovendien (= 130 lachjes per uur? Dat moet je laten volgen door dagenlange norsheid om weer op die 17 te komen).

Er kwam een gebrilde man binnen, een bekende van een van ons, met een innemende, rimpelige, loszittende lach. Hij hield zich een tijdje op bij de kapstok en maakte een das los van het haakje. Hij liep ermee naar een lamp, keek en keerde terug naar de kapstok. “Een vriend van mij heeft hier gisteren een grijze das laten liggen.” Er hing nóg een grijze das. Ook die hield hij bij het licht. Hij twijfelde. Grijs, maar was het het goede grijs? “Kan je het anders niet ruiken?” vroeg een van mijn tafeldames jolig. Toen hij wéér een grijze sjaal had opgespeurd en in dubio stond, was het mijn beurt blijk te geven van mijn geestigheid én enorme belezenheid. “Meneer, dit is hopeloos. Weet u hoeveel tinten grijs er zijn? Vijftig!”

Dat erwtje van verdriet voelde ik wel ergens zitten, maar wat was ik blij met die middag, Met die mensen, de ongein, de verbondenheid, de aangeschotenheid en ons gelach, om hoe weinig soms ook.

.

vrijmibo

.

P.S. Het Engels heeft voor zover ik kan nagaan geen woord voor ‘goedlachs’. Wat zegt dat over een land met zoveel humoristen?

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *