Hollandse Kermis

Column Straatjournaal juni ‘19

Bestaat Lutjebroek? En zo ja, in welke provincie ligt het? Leidt er minstens één verharde weg naar toe? Mijn vermoeden is dat 93% van de Nederlanders met of zonder aardrijkskunde in hun pakket niet alle drie die vragen goed zou beantwoorden.

Ik was een van hen, tot in de familie de mare ging dat mijn nichtje zich er had gevestigd met haar man. Dus ja, Lutjebroek bestaat echt en is niet bedacht door lolbroeken en grappentappers die een spreekwoordelijk boerengehucht wilden noemen. Mijn vrouw en ik gingen niet direct op ontdekkingsreis, maar onlangs zaten we in Haarlem te wachten op een NS-sprinter naar Overveen, waar we wilden wandelen, toen het info-bord een trein naar Hoorn aankondigde. Hoorn? Lag Lutjebroek niet in die contreien?

Het was een spontane onderneming; we app-ten mijn zus om het adres van de nicht en we zouden wel zien of ze thuis waren. We spoorden langs grazige weiden, brede vaarten, rietlanden en frisse bollenvelden. Vreemd dat je telkens weer vergeet hoe prachtig Noord-Holland is. Wel hadden we een ergerlijk liedje van Trea Dobbs in ons hoofd: Was jij maar in Lutjebroek gebleven/ met je hengel en je wurmen erbij.

Terwijl station Bovenkarspel-Grootebroek naderde, ginnegapten we over de primitieve condities die we zouden aantreffen. Hadden we geen kaplaarzen moeten aantrekken? Lieslaarzen? Klompen? Lag Lutjebroek in de eurozone? Moesten we alle zeventien inwoners de hand schudden en snuisterijen uitdelen? Hadden we een inheemse gids nodig, aangenomen dat Maps het af lieten weten, en hoe zouden we communiceren met die onnozele pummel, bijvoorbeeld om hem duidelijk te maken dat we trek hadden in patat? Opperdoes was niet ver weg, qua aardappelgerechten zou het wel snor zitten.

De werkelijkheid ondertrof de verwachtingen. De ANWB had het gebied gewoon bewegwijzerd. Niks terra incognita… We volgden de pijlen richting Lutjebroek. Een braaf winkelcentrum met parkeerplaats, een nette bibliotheek (er woonden niet alleen analfabeten dus). Her en der pittoreske gevels en vertroetelde voortuintjes. Plots zag ik mijn nicht aankomen, in traditionele klederdracht, met twee emmers verse karnemelk aan een juk. Nee niet, ze kwam toevallig aanfietsen met haar man en riep “Hé, oom!” Ze hadden een afspraak, maar eerst gingen we samen naar het terras van de snackbar voor een ijsje.

We praatten gezellig bij en namen afscheid. We slenterden naar Hoogkarspel (‘karspel’ is een oud woord voor parochie), waar we de trein terug namen naar Flora. Het was drie uur. Nu ter bekroning van ons avontuur een bruin café met uitzicht over het IJsselmeer? De dijk hebben we nooit bereikt. Het was kermis. Die bereikten we evenmin. Bij een partycentrum wenkten joviale ‘matrozen’ ons binnen. Polsbandje, plastic muntjes… Binnen liepen behalve matrozen ook een paar honderd woeste Vikingen, ruwe zeebonken en drommen blonde meisjes in bijzonder gewaagde, nautisch geïnspireerde rokjes. Klederdracht, maar dan anders (bestond er nog ouderlijk toezicht?). Iedereen was zo dronken als een opperdoes en wilde graag nóg dronkener worden. Jan en alleman sjouwde random met volle dienbladen bier, op de maat van eerlijke rampetampmuziek. ‘Pijpen, pijpen, pijpen’ was één refrein en ook verder waren de teksten goed te doen voor ons buitenstaanders.

Hoewel, buitenstaanders? We hoorden er helemaal bij! ‘Ich bin ein Lütjebrucker’ jubelde ik na een uurtje. We gingen zelfs op zoek naar een hotel, maar alles zat vol. Ja, kermis, hè… We bespraken het fenomeen met een serveerster – ze was niet ‘van hier’ maar uit Knorrengraf of Uierhoef. Een andere wereld, naar haar zeggen, met een eigen kermis. Gaan de jongens later op de dag nog op de vuist, informeerde ik, als ze nog wat meer hebben gedronken? Ze beaamde het onomwonden en dat deed mij deugd. Sommige tradities zijn heilig.

.

lutjefun

.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *