Kogelregen

Straatjournaal november

800 kogels per minuut…? Wat moet je je daarbij voorstellen? Ik drukte de stopwatch in en hield mijn middelvinger een minuut lang op de X van het toetsenbord. Het lege Word-document werd razendsnel volgeborduurd met kruisjes, als een oorlogskerkhof. Na een minuut had ik een vol A4-tje, twee x-jes voor elke door het machinepistool afgeschoten kogel.

Iemand bij Hechler&Koch moet ooit bedacht hebben dat 790 of 799 kogels niet genoeg was. Want stel dat je in 55 seconden koelbloedig 790 vijanden hebt neergemaaid. Het schootsveld is leeg, rust en vrede zijn wedergekeerd op wat doodsgereutel en gekreun na. Tijd voor een Bavaria of wat een trigger happy mens nuttigt na een bloedbad en dan… dat zal je altijd zien, komen er 200 meter verderop nóg tien van die sukkels aankakken. Dan ben je toch blij dat jij een Heckler&Koch MP5 hebt om binnen de minuut ook die telaatkomers te neutraliseren?

Ik ben geen erelid van de National Rifle Association, dat moge duidelijk zijn. Sinds mijn klapperpistoolperiode op de bewaarschool heb ik de ontwikkelingen in de vuurwapenindustrie aan me voorbij laten gaan. Dat wil zeggen, tot rond het Haarlemse stadhuis plotseling die grimmige, robuuste, gehelmde, in zwart gehulde bewakers stonden geposteerd om burgemeester Wienen te vrijwaren van onheil. Tot dan toe had je me kunnen wijsmaken dat Heckler&Koch een gerenommeerd champagnemerk was of een aan lager wal geraakt cabaretduo uit Mecklenburg-Vorpommern.

Inmiddels heb ik ook de Kalasjnikov gegoogled (AK-47 voor zijn vrienden). Ontworpen in 1949, van Russische makelij en in het westen een cultwapen. Mozambique heeft er een in zijn nationale vlag sinds de geslaagde onafhankelijkheidsstrijd. Er zouden er wereldwijd zo’n 100 miljoen van bestaan. Nog een aardig weetje: de mensheid heeft een miljard geweren, automatische geweren en pistolen tot zijn beschikking. Jaarlijks worden er 8 miljoen vuurwapens bijgemaakt, plus 12 miljard kogels. 12.000.000.000, oftewel twee kogels per aardbewoner.

In wat voor schijnwereld leef ik? Het enige wapen dat ik zelf ooit zag, was toen ik, liftend in Alabama, aan de chauffeur vroeg of hij niet bang was vreemden mee te nemen. “Hell no… I’ve always got this.” Met een grijns trok hij iets van een fors kaliber uit het handschoenenvak en richtte de loop plagerig op mijn slaap. Maar in de veertig jaar daarop ben ik dus nooit meer geconfronteerd met die miljard wapens.

.

bewakingwienen

.

Die opgetuigde beveiligers bij het Haarlemse stadhuis ben ik niet gaan bezichtigen. Wel schreef ik er voor mijn weblog een stukje over en betrapte mijzelf erop dat ik dreigde te vervallen in flauwiteiten (over de mogelijke aanslagplegers werd niets onthuld, dus zouden het die volkstuinders zijn die een conflict met de gemeente uitvechten? Gewapend met rieken en dorsvlegels?). Tevens vluchtte ik in een naïef soort relativering. Ja, maar er zijn ook veel goede mensen, zoals die twee Haarlemse studentes die het niet konden aanzien dat zoveel verlepte potplanten bij het vuil worden gezet; die zijn nu een ‘plantenasiel’ begonnen, waar weesplanten worden vertroeteld en verpleegd. Zulke schattebouten!

Het laat onverlet dat hier – in wat ik altijd graag wil zien als een tuttig provinciestadje – het burgemeesterschap allang geen erebaan meer is. Dat misdadigers en ander gespuis onwelgevallige maatregelen en ingrijpen van de overheid durven beantwoorden met chantage en wraak. Van Bernt Schneiders herinneren we ons de beelden dat hij ‘s nachts in kamerjas bij zijn uitgebrande auto stond. Zijn opvolger Jos Wienen zal – ook, of juist, als de Heckler&Kochs weg zijn – beducht moeten blijven voor belagers en aanslagen, zelfs als hij voor zijn plezier door de stad kuiert of thuis bij het haarvuur zit. Zo ver is het dus gekomen. Dat is een wrange constatering.

P.S. Zie ook Geen game en  Steunbetuiging

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Hangherten

Column Straatjournaal ‘okt. ‘18

Do not dump your shit on me is een Engelse uitdrukking die zoiets betekent als ‘je moet jouw ellende niet op mij afreageren’. Ik moest eraan denken toen ik las over de laatste activiteiten van Zandvoorter Willem van der Sloot, alias de ‘hertenfluisteraar’.

Die geliefde herten van hem komen uit de Amsterdamse Waterleidingduinen en het zijn er (daar zijn dierenvriend en -vijand het over eens) veel te veel. Toen ik twee jaar geleden zelf in het gebied wandelde was ik geschokt. Ooit slaakte ik verrukt een kreetje als ik een ranke hinde schichtig een veilig heenkomen zag zoeken in het kreupelhout. Das war einmal. De verre afstammelingen van die gracieuze, schuwe beestjes stonden overal langs de route die wij liepen, herkauwend in het struweel (voor zover ze dat nog niet hadden kaalgevreten). Vergeet Bambi. Nors en misprijzend loerden ze naar ons. Het voelde bijna ongemakkelijk daar – alsof we door een verloederd winkelcentrum liepen, waar de lokale probleemjeugd slechts met zichtbare tegenzin twintig centimeter uiteen week om ons een doorgang naar de Blokker te verschaffen. Zouden ze gaan kwatten? Hangherten waren het! Ik zie de mens heus niet als Heer der Schepping, maar deze onbeschoftheid was het andere uiterste.

Over het verlenen van een afschotvergunning werd lang gedelibereerd en geprocedeerd, tot in de Raad van State toe. Dat afschieten gebeurde vervolgens op niet geringe schaal: meer dan 1300 herten in de winter van 2016-2017 op een populatie van 3900. Volgens de planning mochten er dit jaar nog welgeteld 1479 herten over zijn (met 1480 werd kennelijk een kritieke grens overschreden), maar er bleken er desondanks nog 3100 te zijn, overlevenden plus jonge aanwas. Als niemand kijkt doen herten in de bosjes aan voortplanting, daar schijnt het mee te maken te hebben. Sommigen (en niet alleen poeliers) pleiten daarom voor een nog rigoureuzere aanpak om het uiteindelijke streefgetal van duizend te halen, dit tot ongenoegen van de Dierenbescherming.

Intussen zwermen de herten uit. In Zandvoortse plantsoenen en tuinen vinden ze bloemenperkjes met lekkernijen die in de schrale duinen niet groeien. Ze zijn in het Zandvoortse straatbeeld even aanwezig als Duitse badgasten en hebben maling aan verkeersregels, wat onverstandig is bij verkeersaders als de Zandvoortselaan, de Bloemendaalse Zeeweg en de spoorlijn Haarlem Zandvoort. Met grote regelmaat worden er herten aangereden door auto of trein; de bestuurder of machinist krijgt een hartverzakking, het hert legt het loodje of moet worden afgemaakt.

ProRail wilde om herten te verjagen al eens experimenteren met speakers die het gehuil van een roedel wolven uitzonden, wat niet doorging. Men zint nu op andere middelen.

Enter Willem van der Sloot, die zich om die beestjes bekommert, herten-klaar-over speelt en ze zo goed en zo kwaad als het gaat behoedt voor ongelukken bij spoorwegovergangen en andere risicoplekken. Beslist geen sinecure: de goede Willem staat voor dag en dauw op en heeft er bijna een dagtaak aan. Zijn meest recente list is het uitstrooien van drie emmertjes verse leeuwenpoep, voor hem vergaard in Artis. Leeuwenpoep? Het is een sympathieke poging, maar of het echt helpt ter afschrikking is zeer de vraag, want – zoals Willem toegeeft – voor deze ontaarde Neder-herten is een leeuw even onbekend als eerlijkheid voor een ING-bankier.

Voorlopig vrees ik dat massaal afschieten de enige optie blijft, hoe wreed ook. Nog een bof dat herten alleen geweien hebben en geen geweren – en mensen wel geweren en geen geweien. Zodat de kans uitgesloten is dat een Opperdamhert een bevel uitvaardigt dat driekwart van alle Nederlanders moet worden uitgeroeid vanwege de overbevolking. Om even de gedachten te bepalen, dan heb je het niet alleen over alle witwassers en de banktop, maar tevens over alle gezinnen met een of meer ING-bankpasjes.


hertenhertenherten

.

Foto afkomstig van https://awd.waternet.nl/natuurbeheer/dossier-damherten/, waar ook informatie over het afschot te vinden is.

Paars PS In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Ervaringstoets

Straatjournaal sept. ‘18 (het eerste stuk komt RaDa-lezers bekend voor)

Ooit zwoer ik dat Nationale Nederlanden nooit meer een dooie cent aan me zou verdienen, maar helaas… Ik bleek uit 1995 nog twee bescheiden lijfrenteverzekeringen te hebben, een bij Nat. Ned. en een bij OHRA, die beide zouden lopen tot mijn pensioen, oorspronkelijk gepland op mijn 65ste verjaardag. Een durfkapitalist of grootverdiener ben ik nooit geweest, de aanvullende maandelijkse uitkering zou hoogstens goed zijn voor een dagje Artis of een extra stomerijbeurt voor de steunkousen.

Die 65e verjaardag staat als vanouds in de planning, alleen is zoals bekend de AOW-leeftijd opgeschoven. Ik werd gesommeerd iets te ondernemen om het gat te overbruggen. Het leek het simpelst de geldsom te parkeren op een speciaal te openen pensioenspaarrekening. Hoe moeilijk kon het zijn? Ik waagde er een belletje aan. Ik wilde die twee polissen combineren en OHRA verwees me door naar Nat. Ned. Dus… De keuzemenu’s doorliep ik behendig, waarna een servicemedewerker me uitlegde dat ik die spaarrekening hetzij telefonisch kon aanvragen of via internet. Er waren kosten aan verbonden: via internet €25 en als ik een mens van vlees en bloed wilde laten helpen €150.

Ja, ik had het goed verstaan: €150. Ze voerden een ontmoedigingsbeleid. Ik sputterde tegen, zonder overtuiging. Voor een dergelijk bedrag verwacht ik een hoorcollege van Robbert Dijkgraaf en wat ik er wel voor terugkreeg werd me niet direct duidelijk. Ik hing op. Bij ING was het online €30 euro en ah… ook daar liep het via Nationale Nederlanden. Dan maar contre coeur een account aanmaken (gebruikersnaam ‘pensiOENsukkel65’/wachtwoord ‘uitzuigerssinds1845’) om die mij opgedrongen rekening te openen. Het had nog wel wat voeten in de aarde. Ik moest eerst slagen voor een wettelijk verplichte kennis- en ervaringstoets.

Ik beantwoordde de vragen intuïtief, me baserend op het principe dat de kleine klant altijd de dupe is in de wereld van de haute finance. Ik zakte en mocht niet door naar de volgende ronde. Dat was even slikken. Het was zo’n gewone Hollandse zomerdag waarop het kwik binnen en buiten bleef steken op 34°. Ik zweette een kwartiertje op de brochures op het dampende scherm. Er bestond een oude regeling, een overgangsregeling en een nieuwe. Voorlichtingsvideo’s mocht ik niet bekijken, daartoe moest ik eerst meer cookies toestaan dan mij zinde. Ik zakte andermaal. Ik vloekte driewerf en gaf er de brui aan. Voor mijn geestesoog verrees het gigantische Nat. Ned. gebouw van 150 meter hoog in Rotterdam en ik – financiële dreumes – stond machteloos op de poort te bonzen. Oh wacht, je kon bij twijfel ook een financieel advies krijgen: ‘u betaalt €795 en €35 distributiekosten’.

Twee dagen later raapte ik mijn moed bij elkaar en logde opnieuw in. Wederom had ik niet alle vragen goed. Welke fout waren kon je niet zien. Eenvoudig doorklikken naar de relevante brochure was er niet bij. Hoe had ik ooit, in predigitale tijden, Livius en Homerus vertaald en goede cijfers gehaald voor algebra, stereo en goniometrie? Onder aan de pagina vond ik uiteindelijk toch een louche manier om verder te komen. Ik moest akkoord gaan met een verklaring die in rond Nederlands zoiets betekende als: ik ben financieel en fiscaaltechnisch uitgedaagd, maar ik verdom het om met hangende pootjes €150 op te hoesten. Ik geef Nationale Nederlanden het recht mij ongelimiteerd kaal te plukken, uit te persen en chanteren. Vermoedelijk eindig ik in de goot, berooid, omringd door deurwaarders en schuldeisers.

En zo kwam het toch nog goed. Hun bevestigingsemail wreef het er nog even in. ‘U heeft bij de aanvraag verklaard dat u beseft dat de eventuele consequenties voor uw rekening zijn.’

Waar ik vooral zo benieuwd naar ben: hoe doen andere mensen dat?

.

purplepepper

.

Geen enkel verband met het voorgaande. Wel een mooie donkerpaarse paprika uit de volkstuin waar de huisdichteres haar verse groente haalt. Hij probeert hier een handgranaat na te doen.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Bankzitter

Straatjournaal augustus ‘18

Passie, liefde, inspiratie, creativiteit, bevlogenheid – al die zaken waar ze in reclames zo hoog van opgeven kunnen me momenteel gestolen worden. Of zijn me al ontstolen. Ik schrijf dit in de barre laatste dagen voor de zomervakantie. Werktuiglijk verricht ik de noodzakelijke klussen en na thuiskomst beperk ik mijn actieradius tot drie meter van het middelpunt van mijn leven, de tv.

Dit is de fase van het jaar dat ik me afscherm van intellectuele en literaire prikkels, van mondiale problemen en de altijd actuele actualiteit. Ik wil SPORT! Domme, brute, hersenloze sport in onverantwoord grote porties. En wat treft het dat onze wereld zodanig is ingericht dat in die luie behoefte moeiteloos kan worden voorzien. In juli lig ik altijd aan een infuus van topsport, maar nooit was het zo erg als nu, met als hoogte-/dieptepunt de week tot 15 juli, waarin de ontknopingen van het WK voetbal en Wimbledon samenvielen en de Tour de France het kookpunt bereikte.

Waarschijnlijk bied ik een deerniswekkende aanblik, zoals ik daar onderuitgezakt lig, als een uitbuikende python die een biggetje heeft verschalkt dat de komende dagen moet verteren. Af en toe veer ik op, om beter te kunnen zien wat Hawkeye beslist, of de VAR. Incidenteel stoot ik een rauwe vreugdekreet uit, of kreun ik van ellende als een bal via paal en lat en de rug van de keeper in het doel verdwijnt. Neee-heeee!!!!! Mijn vrouw schrikt op van haar boek of lichte administratieve werkzaamheden; zij heeft nooit gesnapt waarom die ene banddikte of onfortuinlijke netbal mijn geluk beïnvloedt. Zij is principieel voor het grootste land, omdat een overwinning van China of Rusland meer mensen gelukkig maakt dan een van IJsland of Kroatië.

Nou zijn sommige krachtmetingen weliswaar enerverend, maar meestal lig ik daar lusteloos, terwijl de wandeletappe (alleen een colletje van de vierde categorie) traag door gaapverwekkend landschap gaat of de wedstrijd ‘op slot’ zit. Ik knabbel wat, sabbel wat, ik bestel een afhaalpizza in afwachting van de slotkilometers of de penalty’s. Ik drink een biertje… Ik verkaas, verpap, verslap. Ik krijg de spiertonus van een marshmallow. En zoals ik zijn er miljoenen bankzitters en sofaplakkers. En allemaal identificeren ze zich gretig met hun vetvrije, afgetrainde idolen: Rafael Nadal, Kevin de Bruyne of Tom Dumoulin.

Maar wat heet identificeren? Over de voorbereiding van Dumoulin las ik een huiveringwekkend artikel. Hoe Giro en Tour te combineren, met een interval van slechts vijf weken? Dat gaat middels een performanceplan, opgesteld door het begeleidingsteam van Sunweb: materiaaldeskundige, voedingsdeskundige, trainers en bewegingswetenschappers. Samen tweaken ze ‘hun’ Tom als ware hij een nieuw model Toyota. Iedere pedaaltrap wordt geanalyseerd. Kan het niet nóg efficiënter of slimmer?

In plaats van de gebruikelijke hoogtestage van drie weken sliep hij twaalf dagen in een ‘hoogtetent’ thuis. En dan de voeding. Een man verbruikt gemiddeld 2500 kilocalorieën per dag. Tijdens de koninginnenrit van de Giro verbrandde Dumoulin er 8700! Genoeg eten is een must voor de renners. ‘Wat eruit gaat, moet erin’ is het principe. Onverbiddelijk. Direct na iedere rit wordt het energieverbruik gemeten en de data worden opgestuurd naar een kantoor in Deventer. Daar zitten de experts. Drie kwartier na de finish zijn de gegevens verwerkt en kan in Frankrijk de kok aan de slag. Een boterham met Nutella in plaats van de geprogrammeerde bosbessenjam? Uitgesloten! Na Parijs pas, Tom, het kan je (zo is uitgerekend) anderhalve seconde kosten bij de tijdrit. Wat een slavenleven…

Ondertussen moet ik dringend beginnen te luisteren naar mijn eigen eenpersoons begeleidingsteam. In augustus zal ik leven volgens een streng regime. ‘Wat erin ging, moet eruit.’ En de tv blijft uit. Weg met de hersenverweking. Tijd voor een topsportstop.

Datadozen

Straatjournaal juli ‘18

Voor een datahotel moet je niet bij Booking.com zijn. Ik weet helaas niet bij wie wel. Het is een van die dingen waar je nooit bij stilstaat. Mijn eigen data gaan via een gordiaanse wirwar van snoertjes en draden naar router en modem en bij de voordeur naar buiten, vanwaar ze samen verder reizen met de bits en bytes van de buren: UPC345679 (beveiligd), NetwerkvanNol, 2-girls-one-router, Van-god-los, Netgek (onbeveiligd), enz.

Hier om de hoek staat een kastje dat soms een inwendig onderzoek krijgt van een buikige man in een Ziggo-hesje, maar dan? Ik stel me dikkere en dikkere kabels voor in primaire kleuren – glasvezel? – en die moeten ergens aansluiting vinden bij hun overzeese vrienden. Maar waar? Ja, bij een ‘hub’, maar veel kan ik me er niet bij voorstellen. Normaal etaleer ik mijn onbenulligheid niet graag, maar in dit geval durf ik het omdat ik vermoed dat u er evenmin veel digi-kaas van hebt gegeten. We sturen onze foto’s blijmoedig ‘the cloud’ in, maar waar zweeft die wolk?

Een paar maanden geleden stond in de Volkskrant een interessant stuk over de Equinixtoren, een 73 meter hoog datapakhuis in het Amsterdamse Science Park. Acht van de twaalf verdiepingen (11.500 m2) bestaan uit verhuurbare ‘white space’. Er is ruimte voor 4200 ‘kooien’; in een kooi passen 32 servers. Dan kom je op 134.400 servers, met daartussen looppaadjes voor de reparatiedienst. Verder bevat het gebouw koeltorens, dieselgeneratoren, elektrische installaties en een brandblussysteem. Gezellig!

.

equanax

. 

Bij de Equinixtoren is volgens het artikel een bewuste poging gedaan het uiterlijk niet al te afstotelijk te maken. Het mocht geen ‘doodse loods’ worden, was de uitdrukkelijke opdracht aan de architecten. Ga d’r maar aan staan, zonder ramen. Een geraffineerd streepjespatroon op de gevel doet het gebouw minder plomp lijken. Niettemin, van buitenaf is de functie er niet aan af te zien. Een kluis zo groot als een flatgebouw? De grootste straalkachel ter wereld?

De meeste bedrijven huren servercapaciteit in een ‘datahotel’. Echt grote jongens als Google en Facebook bouwen hun eigen doodse loodsen en blokkendozen. In Wieringerwerf zette Microsoft voor 5 miljard euro een ‘hyperscale datacenter’ neer. Alles van Office 365 gaat daarheen. En onlangs werd bekend dat in datzelfde glastuinbouwgebied, met de romantische naam Agriport A7, een vergelijkbaar complex komt, van 70 hectare (zet u dat zelf even om naar voetbalvelden?). Van wie, wordt angstvallig geheimgehouden door de provincie Noord-Holland en andere betrokkenen, maar volgens geruchten is het Amazon*.

En Rutte rules! Stijn Grove van NIFA (Netherlands Foreign Investment Agency) bejubelt in het HD het ‘fantastische vestigingsklimaat’ voor datacenters en ik… Ik kan moeilijk protesteren (Netgek, UPC345679 en ik doen net zo hard mee met de data). Wel voel ik me steeds vaker een ‘boertje van buten’, maar dan omgekeerd.

Als ik incidenteel op de snelweg kom – voor mij vreemd gebied – zie ik aan de andere kant van de vangrail zuurstofloze sloten en weiland zonder weidevogels, met alleen een paar symbolische sierkoeien. En verder een verbazingwekkende verscheidenheid aan schaamteloos utilitaire gebouwen. Van een agressieve lelijkheid. Wat zijn het? Gigantische distributiecentra? Koelcellen? Megastallen? Champignonkwekerijen? Opslagbedrijven? Brandt binnen altijd licht? Werken er robots? Illegalen?

Terug in mijn vertrouwde Haarlem zie ik gevels uit de Gouden Eeuw en beschermde stadsgezichten. In mijn tuttige bakfietsbuurt zijn de winkeltjes en horeca o zo trendy en o zo duurzaam. Zolang wifi en iPod het doen en de bezorgers van Bol.com en Ali Express binnen 24 uur arriveren, zoemt iedereen tevreden als een server in een vijfsterren datahotel. Dat die luxe alleen mogelijk is door ontelbare lelijke rechthoekige dozen langs de snelweg, vergeten we maar al te graag.


*Het bleek Google

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Pottenkijker

Ons huis is van 1914 en de wc-pot vermoedelijk ook. Het huis houdt zich kranig, maar bij de pot is het beste er echt af. Het beste was er tien jaar geleden eerlijk gezegd ook al af, maar in ons huishouden leidt zo’n constatering niet tot onmiddellijke actie. Dus die gammele pot had er nog jaren kunnen staan, als we niet op een leuk feestje een dito vrouw hadden ontmoet die in het sanitair zat. Niet op dat feestje, maar beroepshalve.

En zo kon het gebeuren dat mijn vrouw en ik niet naar de dichtstbijzijnde Gamma gingen, maar naar een TOONZAAL. Kan het nog banaler, waar gaat dit over, vraagt u zich wellicht af. Maar bedenk dan dat een toonzaal voor mij een even exotisch oord is als Madagaskar of de Malediven. Ik ben daar op vreemd grondgebied; de bezoekers konden qua mentaliteit niet verder van mij af staan als ze peniskokers droegen en mij bestookten met gifpijltjes. Ik zie ze weleens op tv, in programma’s als BinnensteBuiten. Een echtpaar uit Sulstevaart (Overijssel) dat zóóóó in zijn sas is met de lambrisering van de logeerkamer – toevallig ontdekt in een vergeten weeshuis in het nabijgelegen Oost-Dufferschans! Ze kwijlen van interieurgeluk! Het is een soort extase waar ik niet in kan geloven. Ik weet het zeker, zodra de camera’s uit gaan, tuigen die twee elkaar lelijk af met die ambachtelijk gerestaureerde tengels en hun geliefde kersenhouten schrootjes.

In de toonzaal bekijk ik eerst de douches. Grenzeloos douchen, luidt het bovenschrift, wat me direct confronteert met mijn eigen primitieve inzepen-afspoelen-benadering van hygiëne. Sommige douchekoppen zijn rechthoekig en nauwelijks kleiner dan het hele plafond van de badcel thuis. De badkuipen, ogenschijnlijk van kostbaar marmer of ivoor, hebben stuk voor stuk de afmetingen van een zeewaardig jacht. De modale Romeinse keizer zou zich er niet in hoeven schamen. Gelukkig is mijn vrouw niet van de luxe, we lopen zonder oponthoud door naar de wc-potten.

Wij hebben onze wensen op een eenvoudig briefje geschreven, maar mijn potteus bewustzijn blijkt te hebben stilgestaan. Zo is de opkomst van het soft close toilet mij ontgaan. De bril klettert niet naar beneden, maar sluit zich geruisloos als een bloemkelk in de avondschemering. En dan is er het douchetoilet. Geen wc-papier meer, maar een uitschuifbare sproeikop, die je achterste na gedane zaken schoonspoelt. Op zich niets om nerveus van te worden, tot ik de afstandsbediening zie: plussen, minnen, pijltjes, een gradenboog… Ik ben slecht met afstandsbedieningen. Ik voorzie doorweekt ondergoed, paniekerig drukken op verkeerde knoppen, een intense aarsstraal die onverhoeds mijn neusgat bereikt of de namen op de wc-kalender uitwist. En wat is dat enge icoontje dat op een scheepsschroef lijkt?! Een schrapertje? Een dunschiller?

We leven in een wondere wereld, zo bleek mij eens te meer toen ik onlangs ver van alle toonzalen in de duinen bij Castricum wandelde. Uit een kalm meertje verrees een intrigerende, bruisende waterbol met een doorsnee van een meter. Een kunstwerk? Ja en nee. Op dat punt eindigde – ik heb het van PWN zelf – een pijpleiding van 53 kilometer uit Andijk, met ‘voorgezuiverd’ IJsselmeerwater. We hebben het over 45 miljoen m³ per jaar! Al dat water wordt voor verdere reiniging geloosd in infiltratiekanalen en zakt vervolgens door het duinzand naar een diepte van 40 meter (virussen en bacteriën doen onderwijl hun nobele werk). Om het weer op te pompen zijn winputten nodig.

En met wat geluk… mits u op het goede knopje van de afstandsbediening drukt, komt dat water via het juiste gaatje uit bij het juiste gaatje. Leg dat maar eens uit aan iemand uit Madagaskar. Of uit 1914.

.

waterbel

.

Column voor Straatjournaal juni ‘18

.

Paars PS: In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Eieren lopen

Festivals of rust, vogels of massa’s, mijn Straatjournaal-column van mei ‘18.

MUD MATTERS, verlas ik me toen ik begin april het persbericht zag. Modder maakt het verschil, of Modder, zo belangrijk! Ik was het er direct mee eens. Alleen stond er Mud Masters: Modderkampioenen of Slijkhelden (het Nederlands laat ons hier toch enigszins in de steek). Als alles goed/fout ging, zouden die op 21 en 22 april deelnemen aan een evenement bij Vijfhuizen. Wel of niet, want de Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland had een kort geding aangespannen, dat binnenkort diende.

De vogelvrienden vreesden dat pakweg 16.000 door sloten en weilanden baggerende atleten het broedseizoen danig zouden kunnen verstoren. Geen denkbeeldige gedachte. Het was niet de Jo-met-de-banjo-wandelclub van Jasperina de Jong die door de polder zou flierefluiten. Kaatje met haar mondharmonicaatje? Deelnemers aan Mud Masters worden voortgestuwd door elektronisch gestamp en gedreun, turbodecibellen waarin de zoete lokroep van de leeuwerik evenveel kans heeft als een kindersleetje in een Alpenlawine. En dan was er nog de opbouw van de hindernissen. De Mud Masters hebben drie fulltime parcoursingenieurs in dienst en de opbouwploeg telt veertig leden, zodat de Monkey Bars, de Execution en de Horizon Climber vakkundig worden gemonteerd. Nieuw was de Wave Maker: Laat zien dat je een sterke teamplayer bent wanneer je je over levensgrote draaiende deegrollers in het water manoeuvreert.

De moddermensen betalen €65 per inschrijving en dan mag je een uiterst professionele organisatie verwachten, met de hoge standaard waaraan wij gewend zijn geraakt bij de party scene, pretparken, allerhande festivals en massale sportevenementen. Het is verbluffend hoeveel gedrevenheid en perfectionisme dit kleine land kan opbrengen, zolang het om vermaak en ontspanning gaat en niet om een VN-missie of om vrijwel alle belangrijke inspectiediensten. Saillant was dan ook dat de vogelbeschermers hun zaak hadden aangespannen tegen de in hun ogen falende provinciale toezichthouder RUD, die genoegen had genomen met een flodderig ecologisch rapport, dat luchthartig heenstapte over de aanwezigheid van 25.000 deelnemers en supporters in het gebied.

Wat zou mijn uitspraak zijn, als ik rechter was? Uitstel van de Mud Masters eisen tot het broedseizoen voorbij is, of door laten gaan? Voor het goede begrip, ik kan zelf geen boomklever van een bumperklever onderscheiden. Ik lig in mijn vrije tijd niet met een verrekijker in het struweel in de hoop een druilgorsje of de o zo zeldzame struisvink te betrappen. Maar ik heb wel oog voor de natuur. Zo geniet ik dit voorjaar buitengewoon van een zwerm sijsjes en groenlingen die kwartier maakt in de tuin van de buurvrouw. Die heeft ze gelokt met zonnebloempitten. Het is een vrolijk en muzikaal gezelschap.

En vorige week, in Duin en Kruidberg, was ik met mijn vrouw getuige van een bijna magisch moment. In een meertje deden twee baltsende futen hun verplichte figuren. Een kruising tussen ballet en breakdance te water. We zagen het geflikflooi vertederd aan. Plotseling zwommen ze gedecideerd bij elkaar weg, doken synchroon onder en kwamen weer boven met iets in hun snavel. Zonder aarzeling zwommen ze recht op elkaar af en toen de frontale botsing onvermijdelijk leek, rezen ze verticaal op uit het water en leken elkaar rechtstandig iets te voeren. Was het de paring? Hoe dan ook, over een paar weken tuft daar een fuut rond met een kuikentje op de rug, daar twijfel ik geen moment aan. Dus…

Op 12 april oordeelde de rechter echter dat onvoldoende was aangetoond dat de Natuurbeschermingswet zou worden overtreden (vraagje: hoe toon je aan waardoor een lijster van de leg raakt?). Dus als u dit leest, zijn de deelnemers alweer schoongespoeld en opgedroogd. Ik hoop dat ze genoten hebben tussen de draaiende deegrollers, zo ben ik dan ook wel weer.

.

futen

.

Paars PS: In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Messcherp

Straatjournaal april ‘18 (met voor RaDa-lezers een bekend onderwerp)

Jullie kennen die beroemde pijp die geen pijp was, toch? Die van Magritte, bedoel ik: Ceci n’est pas une pipe, een surrealistisch grapje dat deze maand een absurdistische nazaat bleek te hebben.

In het HD las ik over een ‘geweldsincident’ in de kantine van een Haarlemse middelbare school. Geweldsincident? Het woord kwam me voor als een moeizaam construct, een verdoezelend knutselarijtje van een PR-afdeling. Heibel! Gevecht! Kloppartij! Matten! Een scholier had zich met een bloedende wond aan zijn hand in het ziekenhuis laten behandelen – er werd gewag gemaakt van ‘een scherp voorwerp’.

In mijn verhitte fantasie ging direct een parade van start met al dan niet schoolgerelateerde scherpe voorwerpen: Een geodriehoek? Passer? Kegelsnede? Een slagroompunt? Een feesthoedje? Een haak- of injectienaald? Een taartvorkje? Het zal warempel toch geen…?!?

Nee, nee… De rector van het Lyceum Sancta Maria haastte zich in de krant te melden dat het geen ‘steekpartij’ was. Arme Claasje Quadekker! Ontsnappende rode vloeistof in de kantine (het woord bloed leest ze vast liever niet)! Zoiets wens je geen schoolleider toe; en de timing had niet beroerder gekund. Die week konden hoopvolle, nieuwe brugklassers zich inschrijven, de bekroning van de jaarlijkse wervingscampagne waar scholen zoveel energie in steken. Onschuldige achtstegroepers leid je liever niet langs een rood-wit afzetlint.

Niettemin, zelfs als geharde onderwijsveteraan was ik geschokt door wat er onder druk allemaal uit zo’n professional lekt. “Veiligheid staat hier bij ons juist voorop”, vertelt rector Claasje Quadekker. “We hebben niet voor niets het keurmerk Gezonde School gekregen, waarbij we juist voor onze inzet op veiligheid zijn geprezen.” Desondanks zullen ze ‘het beleid nog weer eens tegen het licht houden.’

Het licht, het licht, het nooit klagende, altijd geduldige polderlicht! Steeds weer nieuwe procedures en protocollen worden ertegen gehouden en, zo lijkt Quadekker te geloven, als school, website en leerlingen dicht genoeg beplakt zijn met keurmerken en vignetten, worden scherpe voorwerpen vanzelf stomp en bot. Of wellicht zien haar beroeps-gedeformeerde ogen de scherpe voorwerpen niet meer… zo scherp?

Bij talrijke getuigen lag dat anders. Had C.Q. zich niet even kunnen laten bijpraten door haar leerlingen? Jongens, help me even, jullie zijn streetwise. Hoe noem je zo’n akelig voorwerp ook weer, ik kan er even niet opkomen, onze school is zó veilig geworden de laatste jaren… Het bestaat uit een stalen lemmet, met daaraan bevestigd een zogenaamd heft. Samen een centimeter of twintig in dit geval. Als een vierdeklasser het in een onveilige situatie tegen je voorhoofd zet (bijvoorbeeld om zijn argumenten kracht bij te zetten) kun je beter geen onverhoedse armbeweging maken, want dan zou de buitenwacht kunnen denken dat er sprake is van een steekpartij…

Overigens schuwde ook de woordvoerder van de Haarlemse politie – het recherchewerk was toen al twee dagen bezig – hardnekkig het woord ‘mes’. Ceci n’est pas un couteau.

.

messenset

.

Het blijft iets wat ik weiger te geloven, met mijn recht-voor-zijn-raap-hoofd. Dat zo’n rector zich in de vingers snijdt ahum… haar eigen belang schade zou berokkenen door de dingen bij de naam te noemen. Door te verklaren: “Wij staan bekend als een voortreffelijke school, met 1400 leerlingen. Daar zitten geheid 15 ploerten tussen en met wat pech dragen er daarvan vijf een mes. Dat voorkom je niet. Met wat geluk blijven die messen op zak. Helaas, wij hadden pech. Ik zal er alles aan doen dat laffe sujet een tuchthuisstraf te bezorgen.”

Waarbij ik er optimistisch vanuit ga dat Quadekker en andere officiële woordvoerders welbewust met meel in hun mond spreken. Er is een andere, ergere mogelijkheid: dat ze niet beseffen hoezeer hun wereldbeeld wordt vervormd door al dat laffe beleidsjargon.

Paars PS: In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Busbaan

Straatjournaal feb. ‘18

Werken, waarom doen zoveel mensen het eigenlijk nog? Complete sectoren brengen hun werknemers louter stress, treurnis en frustratie. Onderbezetting, overbelasting, wanbetaling. Bureaucratie, beknotting en ontmenselijking. Bezuinigingsoperaties en reorganisaties. Bestaansonzekerheid door fusies en overnames.

Het rijtje zwaarbeproefde beroepsgroepen kan iedereen opdreunen: lager, middelbaar en hoger onderwijs, brandweer en politie (met uitzondering van een enkele zelfverwennende ondernemingsraad), bankpersoneel, de gezondheidszorg van eerste hulp tot laatste hulp, de belastingdienst, de verzamelde uitgeklede keuringsdiensten, schoonmakers, rechters, cipiers en alle managers die lijden onder weer andere managers.

When I was just a little girl, I asked my mother, what will I be? zong ooit Mary Hopkin in Que sera, sera. Ja, meissie, blij dat je het niet aan mij vraagt. Soms heb ik even de illusie dat er mensen zijn die dagelijks fluitend naar hun werk gaan. Zo reden er in deze regio eind december ineens nieuwe, glimmende bussen. Sommige zo lang dat je na het inchecken bijna alternatief vervoer nodig had om de achterbank te bereiken. En felrode dubbeldekkers die met hoge frequentie soeverein van A naar B zoefden. Zo’n voertuig besturen, dat moet toch een machtig gevoel zijn, dacht ik in mijn onschuld.

Alleen, op 4 januari staakte het streekvervoer. Voornaamste grief van de chauffeurs was hun hoge werkdruk. Aan het idee van een dienstregeling zijn ze van oudsher gewend, maar tegenwoordig telt iedere seconde, zozeer dat ze bij de halte in gewetensnood komen als er iemand op het laatste moment aan komt hollen. Gassen (en op schema blijven) of vriendelijk wachten en van de baas op hun donder krijgen? En de ritten sluiten zo naadloos op elkaar aan dat een fatsoenlijk plaspauze erbij inschiet. Het rijdt niet lekker als je op knappen staat.

Worden jullie nou ook pissig als je zoiets leest? Kan Connexxion geen bus ontwerpen die op urine rijdt, vroeg ik me af, dan kan de bestuurder 8 uur achter elkaar doorjakkeren zonder losgekoppeld te worden. Intuïtief wil je de schuld geven aan ‘de moderne tijd’ als je leest hoe die chauffeurs worden afgeknepen, maar dat is larie. Ga maar na, kort na die staking las ik in NRC over de gamification van het autorijden.

Steeds meer automerken ‘belonen’ goed rijgedrag, las ik in een geestig artikel van Maarten van Gestel. De bestuurder van een Toyota Prius verzamelt punten. Wie langzaam optrekt en veel cruiset, krijgt 80 punten op een schaal van 100. Bumperklevers en afsnijders krijgen strafpunten. Hoe infantiel het ook klinkt, het werkt. Die autogiganten zijn niet gek. Bezitters van een Opel Ampera proberen een balletje in het midden van hun scherm te houden, zuinige Ford-rijders zien een boompje in hun display […] en wie een Nissan Leaf heeft, strijdt online om de titel ‘beste Leaf-rijder’ ter wereld.

De Faculteit Industrial Design van de TU Eindhoven heeft zelfs een Smart-mobility-squad. Het moet voor die gasten toch een koud kunstje zijn een dergelijk spelletje te ontwerpen voor buschauffeurs? Gewacht tot alle passagiers op hun stoel zitten alvorens op te trekken? Duimpje omhoog! Verdwaalde toeristen afgepoeierd? Duimpje omlaag! Voldoende gedronken én geplast tussen de ritten? Petje af! En de scores worden zichtbaar gemaakt voor het publiek: eens per maand krijgt iedere chauffeur door de directeur van Arriva of Connexxion nieuwe insignes op de revers van zijn uniform gespeld. De besten krijgen een bonus. Zó pak je dat aan in deze app-happy tijden!

En zo was dit stukje bijna op een optimistische noot geëindigd. Bijna, want waar hebben we het over? Dit is de eenentwintigste eeuw. Voordat die chauffeurs nog drie keer een plas kunnen doen worden ze vervangen door een robot, al dan niet met het uiterlijk van Fred Teeven.

.

busbij

.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Tarzanbocht

Straatjournaal december ‘17

Werd Max met de helm geboren? Het gerucht gaat, maar zeker is dat vader Jos de eerste kinderwagen van zijn zoon al voor de geboorte had uitgerust met regenbanden en een knalpijp. Zijn eerste knuffel was een pluchen pitpoes en de Bambix werd al vroeg aangelengd met Red Bull. Max’ eerste woordje? TAR-ZAN-BOCHT! En daarna is het hard gegaan – letterlijk en figuurlijk.

Aanvankelijk waren er diverse tegenslagen en teleurstellingen. In zijn geboorteplaats Maaseik (België) maakte Max als 3-jarige zijn racedebuut in een trapauto van Bart Smit, waarbij hij in de laatste bocht door een onbesuisde inhaalmanoeuvre in de strobalen belandde. Karakteristieke overmoed? Onervarenheid? Max keek met betraand gezicht toe hoe zijn grootste rivaal, Rogier de Gasgever het podium triomfantelijk met een magnum Jip en Janneke-champagne besproeide. “Hij moet leren tot de finish het koppie erbij te houden” grauwde vader Jos. “Hopelijk kan hij hiermee dealen. En vanavond geen Sesamstraat natuurlijk.”

Drie weken later, in het naburige Gapenhoven, ging het wederom mis met Max, ditmaal door materiaalpech. De crankspie van de linker trapper begaf het en de bejaarde mecanicien Ludo de Sleutelaere was door opspelende jicht niet snel genoeg ter plekke om het euvel te verhelpen. Verstappen père destijds, net niet overstemd door een onbedaarlijk snikkende Max (die Bert & Ernie wederom aan zich voorbij zag gaan): “We hebben ons team nog niet rond – kwestie van sponsorgeld. Kijk naar Max zijn kruippakje en je ziet plekken zonder reclame. Dat zegt genoeg…” Later dat seizoen vielen alle stukjes van de puzzel alsnog op hun plek. Grote concurrent Wannes Rousdou werd in de chicane brutaal voorbijgestoken, waarna Max de eerste positie niet meer uit handen gaf.

Karten was een logische volgende stap. “Max is er als zevenjarige rijp voor,” sprak Jos. Bij zijn eerste wedstrijd werd het knulletje door de jury nog gediskwalificeerd wegens duimzuigen. De volgende 356 kartraces won hij.

Waarna geschiedde wat de kenners al hadden zien aankomen: ook in de Formule 1 staat er geen maat op Max. Inmiddels heeft de 20-jarige drie Grand Prix-overwinningen op zak en elke Nederlander die weleens in de file heeft gestaan, volgt iedere wielomwenteling. Want is het niet prachtig om, als je zelf net een uur hebt staan kniezen bij knooppunt Rottepolderplein, via de boordcamera mee te beleven hoe onze nationale coureur in Brazilië in een soort onderwaterrace tussen zijn rivalen door slalomt en bij die waanzinnige inhaalrace niet wordt geflitst? Bij de fandagen in Zandvoort kwamen vorig jaar 100.000 Max-maniakken opdagen om hun idool toe te juichen. Wir leben Max!

Onlangs verscheen Bernhard van Oranje in het journaal, zoon van prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven, ons nationale geweten als het gaat om risicomanagement en verkeersveiligheid. En die Bernhard (zelf snelheidsduivel) presenteerde glunderend een haalbaarheidsonderzoek naar de terugkeer van het Formule 1-circus naar Zandvoort. En jawel! Het kon!! Binnen een paar jaar!!! Mits er een slordige 30 miljoen wordt opgehoest door overheid en bedrijfsleven, staat het licht op groen. En gelukkig, burgemeester Nick Meijer kent in zijn dorp maar ‘vijf of tien mensen’ die tegen zijn.

Lees: zuurpruimen en azijnpissers. Vreugdeloze types als ik, die anderen het licht in de ogen niet gunnen en de teringherrie in hun oren. Die miepen als ze op ‘geluidsdagen’ door Middenduin of het Kraansvlak lopen en er kilometers verderop iemand met een zwart-wit geblokte vlag zwaait, waarna motorengebulder en -geknetter urenlang de stilte verdrijven. Die dan tegen elkaar zeggen, kan er niet eens een haalbaarheidsonderzoek komen? Wat zijn de kosten en de baten als we dat helse circuit teruggeven aan de natuur?

,

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.