PAVOHOVAHA-brug

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen

 

 

Toen Marius zo’n vier jaar geleden de Partij voor het Onnut van het Algemeen (PAVOHOVAHA) lanceerde, was ik meteen enthousiast. In een mate zelfs die tegen het uitgangspunt van de partij indruiste. Niet gehinderd door valse bescheidenheid zag ik voor mezelf wel een rol weggelegd. Lid worden van de klankbordgroep van de assistent van een backbencher leek me wel wat.

Mijn ambities waren waarachtig niet gering. Met de dadendrang van een nieuw bekeerde begon ik terstond te filosoferen over beleidsnota’s en voorstellen waarmee De Partij zich kon profileren. Omdat ik zo snel niks kon bedenken, ontliep ik een gewis prematuur royement. Bijtijds verviel ik gelukkig weer in onthaast geslenter en gedreutel en werd ik weer een slapend lid van PAVOHOVAHA. Tot ongeveer twee weken geleden.

Een paar keer per jaar begeef ik mij voor een wat langer blokje om met de hond naar het paradijs van licht, lucht en ruimte, te weten Schalkwijk. En elke keer verwijt ik mezelf dat ik daar niet vaker kom. Het zuidelijke gedeelte bij de Molenplas kan me zeer bekoren, maar favoriet is – uiteraard, zou ik bijna zeggen – het terrain vague tussen grofweg de Engelandlaan en het Spaarne. Er zijn mensen die liever in een vochtige, donkere kelderwoning in het oude centrum wonen dan – voor hetzelfde geld – op acht hoog in Schalkwijk met vanaf het zonnige balkon prachtig uitzicht op park, Spaarne en Grote Bavo. Ik zou het wel weten als ik moest kiezen.

Een ding staat me echter nog steeds fors tegen qua Schalkwijk en dat is de entree. De drukte en de lelijkheid in het gebied bij de Schipholweg en de fuik van de Buitenrustbrug. Een niemandsland, dat de wandelaar het gevoel geeft dat hij van de ene stad naar een andere gaat. Toen ik twee weken geleden op het eind van de Belgiëlaan over het Spaarne naar de overkant keek en recht tegenover me de Spaarnelaan zag liggen, had ik een eureka-moment. Daar moet een hoge brug voor wandelaars en – vooruit – fietsers komen! Of – goedkoper – een pontje. Stel je eens voor hoe je al kuierend vanuit Schalkwijk over die brug of met de pont via de rustige en fraaie dreven van Tuinwijk, Zuiderhout en Hout naar het centrum kan wandelen! Geniaal, toch? Een echt onversneden PAVOHOVAHA-project, niet gericht op 3 minuten tijdwinst (Zuidtangenttunnel), maar op verbetering van de infrastructuur voor de levensgenietende slenteraar, die aldus de stad meer als een geheel kan ervaren.

De vraag is natuurlijk of er ‘draagvlak’ voor zo’n initiatief zou zijn. Anders gezegd: Zouden de wat meer praktisch ingestelde medeburgers er ook wat aan hebben? Dat leek me evident. Voor de bewoners van Haarlem-Zuid komen bijvoorbeeld het Kennemer Gasthuis, de Vrije School, de JeugdRIAGG en de Vomar op de Belgielaan ineens heel dichtbij. En dan hebben we het nog niet over al het moois en functioneels wat de herstructuringsprocessen voor Schalkwijk tot 2050 voor hen in petto hebben. Voor Schalkwijkers worden scholen en strand en nog veel meer beter bereikbaar.

En toen was het tijd om eens te kijken wat zo’n brug moest gaan kosten en hoe het met de bestemmingsplannen zat. Gedurende een uur bevond ik mij in de wereld van overspanningsdelen, pilotstudies, RONA-richtlijnen, PvE’s, fietsgoten, waarderingskaarten, voorzieningen van openbaar nut (!), VAC, landhoofden, Ballast Nedam en prioriteringen. Daarna was het hoog tijd om met de hond een wandelingetje maken door het Ramplaankwartier en Duinvliet. Wees gerust: Wat mij betreft, horen jullie niks meer van de PAVOHOVAHA-brug over het Spaarne.

Zo fout…!

 

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen

  Dit is een fragment van het zogeheten pre-production script van een aflevering van de quiz Twee voor Twaalf, waar ik in 1978 samen met een vriend aan deelnam. Kort geleden vond ik het op zolder. Vooral deze vraag 12 wekte mijn verbazing, niet het minst vanwege de geringe moeilijkheidsgraad. Voor de Haarlemse Kennisquiz zouden Marius en ik ‘m zeker als te gemakkelijk hebben laten vallen. Was Anton Pieck (een vroegere stad- en streekgenoot!) in die tijd minder bekend dan tegenwoordig? Ik geloof er niks van.

Maar het meest opmerkelijk is natuurlijk de kwalificatie ‘zo fout in de oorlog’. Wat moet je normaal gesproken tijdens de bezetting misdaan hebben om aldus betiteld te worden? Als Waffen-SS’er strijden aan het Oostfront? Ondergedoken joden verraden? Bunkers bouwen of nazi-propagandapraatjes houden voor de gelijkgeschakelde omroep? Iets in die richting, lijkt me nu anno 2009.

Ik heb gisteren een aantal naslagwerken geraadpleegd en uitgebreid gegoogled, maar niets anders gevonden dan dat Anton Pieck tijdens de bezetting geëxposeerd en gepubliceerd heeft. Op grond daarvan is hij vrijwel zeker lid geweest van de Kultuurkamer, een feit dat hem echter niet ernstig is aangerekend want hem is geen publicatieverbod opgelegd door de zuiveringscommissie. In de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek is te zien dat er vanaf 1945 onafgebroken door Pieck geïllustreerde boeken uitgegeven zijn.

‘Zo fout in de oorlog’, jemig. Echt gezellig was het toch niet in die gepolariseerde jaren zeventig en tachtig.

                                                                                                                                                            P.S. Een vraag die wegens te moeilijk niet in aanmerking kwam voor de Haarlemse kennisquiz 2009: Welke nu nog levende Haarlemmer (m/v) is lid geweest van de Kultuurkamer?

Wij zijn allen zondaars

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen
Op zich een prima initiatief, zo’n cursus. Helemaal als de trainer je ook leert om middels een overtuigende dialogue intérieur de overlastgever in jezelf aan te spreken. Want daar valt winst te halen, blijkt uit een in opdracht van SIRE uitgevoerd onderzoek over hinderlijk gedrag. Persbericht SIRE: “Bijna iedereen in Nederland gedraagt zich weleens onbewust asociaal, zonder dat zij dit door hebben.” (Sic! Alle waar naar z’n geld, copywriters werken gratis voor ideële campagnes…)
Zelf ben ik op veel fronten actief als overlastgever. Via mijn hond, mijn vaak te luidruchtige licht gehandicapte zoontje, het te laag overhangende groen in ons stoeptuintje en ga zo maar door. Ik doe m’n best mijn medeburgers zo min mogelijk tot last te zijn, maar het gaat dus regelmatig onbewust mis. Ter verontschuldiging valt aan te voeren dat normen permanent veranderen.
Neem het roken van tabak. In mijn vroege jeugd trok niemand een wenkbrauw op als een arts aan het bed van een ziek kind een sigaret opstak. In 2009 kan je – zoals bekend – bijna nergens anders meer roken dan buiten. En zelfs dat is niet meer probleemloos. Verleden jaar werd ik tijdens Bevrijdingspop  – op een plek buiten de grootste drukte! – kribbig aangesproken door een dame die zei last te hebben van mijn rook.
Wij zijn dus allen zondaars. En dat is een gegeven waar de cursusleiders in Dietsveld/Delftwijk rekening mee dienen te houden. Als er twintig deelnemers zijn, zitten er dus twintig brave burgers én twintig potentiële overlastplegers in het buurthuiszaaltje. En dat is tricky. Ik zal namelijk niet de enige zijn die allergisch is voor aangeleerde standaardbejegeningen. Zo’n dertig jaar geleden ging het op een haar na mis, toen een man mij erover aansprak dat m’n hondje tegen de zonnebloem in z’n tegeltuintje geplast had. Ik mompelde excuses, maar de man bleef maar herhalen: “Ik heb er veel moeite mee dat je hond dit doet. Ik heb er veel moeite mee dat je hond dit doet”.
Hij mocht van geluk spreken dat ik een totale nul ben op het gebied van geweldpleging. M’n blinde woede richtte zich naar binnen: ik werd misselijk, duizelig en begon te hyperventileren. Want ineens besefte ik: “De techniek van de kapotte grammofoonplaat! Die man heeft de AVRO TV-cursus assertiviteit gevolgd!”

En het koningswater gaat naar…

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen


Als het goede antwoord op de prijsvraag (zie hier & hier) niet gegeven was, had ik vandaag als laatste inkoppertje nog een gedicht geplaatst uit de jaargang 1963/64 van de schoolkrant van het Eerste Christelijk Lyceum, Janus. En wel het éénregelige Taal is mijn talisman. Vergeleken met de andere verzen toch wel andere koek en na 45 jaar nog steeds het schrijversmotto van… tromgeroffel… L.H. Wiener.


Lidia heeft ofwel door kennis van zijn werk (de dode grootouders in Esther Ofarim?) dan wel slim gokken de prijsvraag gewonnen. Gefeliciteerd, en de fles met koningswater (of iets anders, als je dat spul niet blieft) komt binnenkort jouw kant op. Op deze plaats geen milde sneren naar RaDa-lezers die met de vreemdste namen kwamen (Beau van Erven Dorens!), want ik reken het mezelf aan dat ik het jullie – zeker in eerste instantie – veel te lastig heb gemaakt. Geen jaartal en school noemen, bewust een gedicht als wij kraaien koning (zie onderaan) niet in de selectie opnemen, het riekt naar gierigheid om maar geen prijs te hoeven toekennen.

 

Mijn zoldervondst valt natuurlijk geheel in het niet bij de Max Beckmanns en Emil Noldes in de Zandvoortse bunker, maar toch voelde ik wel degelijk iets van de rush van de goudzoeker, omdat deze gedichten schier onvindbaar waren gebleken. Enkele jaren geleden had ik een nummer van Janus met werk van LHW in een oude schoolatlas gevonden en die toen in de bus gedaan bij Flip Hammann, die samen met Rob Huizinga en Wiener zelf het L. H. Wiener-genootschap vormt, dat zijn werk bijeenbrengt en bibliografeert. Ik mailde Hammann dat er meer moest zijn en dat het niet uitgesloten was dat ik ze ooit nog eens zou terugvinden, maar daar wilde hij niet op wachten. Zijn speurtocht begon bij de schrijver zelf, maar die is op z’n zachtst gezegd niet zo bewaarderig. Sterker nog, Lodewijk Henri herinnerde zich niet of nauwelijks dat hij de verzen ooit geschreven had. Vervolgens wendden Rob en Flip zich tot het ECL, maar daar kregen de heren te horen dat het schoolarchief een incompleet zooitje was en het werd hen geweigerd in die bende zelf nog een kansje te wagen. Tenslotte gingen ze naar Marijke van Schaik, die blijkens het colofon de illustratrice van die jaargang was, maar zij had haar exemplaren eens bij een verhuizing weggegegooid. Even leek het erop dat deze vroege Wieners definitief verloren waren, maar ze zijn nu dus weer boven water. Of de schrijver het leuk vindt of niet, z’n schoolkrantgedichten komen bovenaan in zijn bibliografie te staan. De vraag of dat terecht is, moet maar door literatuur-historici beantwoord worden.

————————-

*wij kraaien koning*

in ons ijverig konijnendomein

kraaien wij kraaien koning

en

het bloeddoorlopendroodblozen

kleurt fleurig konijnkonen

.

 

Hints, hints, hints

Nu al de langstlopende literaire prijsvraag in deze vierde jaargang van het RaDa! Wie o wie is de auteur of auteuse van deze poëtische jeugdzonden, vroeg supersub Harrie ons. Een Bekende Haarlemmer moest het zijn en de gedichten werden aangetroffen in een vergeelde schoolkrant.

Bekende en onbekende Haarlemmers rekenden zich al rijk, maar na een week is de prijs nog niet gepakt, het goede antwoord nog nietgegeven. Liever dan hier plompverloren te melden dat het Tom Okkerwas, of Jaap of Margreeth Pop of Brenda Schultz-McCarthy, geeft Harrie iedereen een nieuwe kans. Hieronder twee andere juvenilia van dezelfde schrijver plus een nieuwe hint.

*hirosjima*

de zon viel in dit landschap
en schiep een kindertekening
en luidde een tijdperk in
en mensenhoop dode mieren
lach nu breed z-onderkaak
daar nabij
jouw amour
mijn a-bom
hirosjima
*Esther Ofarim*
gaskamergekerm
van verkoren volkeren
de dode grootouders
tonen nu hun tanden
Hint 1: Deze Bekende Haarlemmer, die zich  – naar ik begrepenheb – nu wel een beetje schaamt voor deze gedichten, deed deze verzen in het schooljaar ’63/’64 in de kopij-bus van een Haarlemse schoolkrant.

Jubileumprijsvraagje

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen
Enkele weken terug vond ik in een verhuisdoos een jaargang van een schoolkrant met daarin poëzie van een Bekende Haarlemmer (m/v). Omdat Raarlems Dagklad vandaag 3 jaar bestaat – @Marius: van harte, voor een dagelijks weblog is dit de leeftijd van de zeer sterken! – leek het me wel een aardig idee om aan deze vondst een prijsvraagje te koppelen. De eerste die middels inzicht of gokken in de reactiebox meldt van wiens/wier hand onderstaande gedichten zijn, ontvangt een attentie. Begin volgende week wordt de winnaar bekend gemaakt.
– – – — – – – – – – – – – – – – – – –
*Asfalttaal*
Modewoorden wonden
als as valt taal
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
*Orchidee*
bij jou
orchidee
bijou
orgi-day
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
voor een gefusilleerde
onsterfelijke trochee:
rakketakkerakkeraak…
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
*Margraten*
dode namen lezen zich voor
in het ritme van de knieën
zullen deze doden doodgaan
als het hek gesloten wordt
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
*Abstract Extract*
onleesbare woorden voelen
wil ik wil
ankers maken van dagelijkse gedachten
ik wil klimmen in
manshoge mangrove

Kloek architectonisch gebaar

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen

Als iemand mij in 1960, 1975 of 1990 gevraagd had wat ik het lelijkste gebouw van Haarlem vond, zou ik zonder te hoeven nadenken de HBS op de Zijlvest genoemd hebben.

Ik herinner me nog de eerste keer dat ik dit sombere, kazerne-achtige schoolcomplex bewust waarnam. Het was 1959, op een mistige dag in de herfst. Zondagmiddag half drie, zelfmoordtijd. Rond die tijd zwierf ik altijd doelloos door de stad omdat dan Frans Nienhuis’ verzoekplatenprogramma op Radio Veronica begon, maar dit was vele malen deprimerender.

Het werd me dan ook vreemde te moede toen ik in de jaren negentig – na een paar decennia weer terug in de stad -tot de ontdekking kwam dat alle weldenkende Haarlemmers deze schepping van Dumont zo’n beetje het mooiste gebouw van Europa bleken te vinden. Bij tijd en wijle moet een mens zich karaktervast betonen en dus gaf ik – desgevraagd – mijn eerlijke mening: dat wat mij betreft de sloopkogel z’n werk mocht doen. Te zeggen dat mijn afwijkende mening me vriendschappen heeft gekost zou overdreven zijn, maar het scheelde niet veel. 

Dus toen de discussie over de plannen voor de schouwburg aan het Wilsonsplein van start ging had ik m’n lesje geleerd. Alleen nog in de beslotenheid van de echtelijke slaapkamer ventileerde ik mijn meningen. Dat het best een aardig gebouw was, waar ik bovendien goede herinneringen aan had, maar ook weer niet zo bijzonder dat het per se behouden moest blijven. Dat deze plek aan de rand van de oude stad zich wel voor iets gewaagds leende, voor een kloek eenentwintigste-eeuws architectonisch gebaar. Dat ze wat mij betreft Frank Gehry mochten inhuren, de architect van het Guggenheim Museum in Bilbao (zie foto). Maar dat het met die behoudzucht van de Haarlemmers wel weer iets oersaais zou worden. 

Toen twee weken geleden de steigers en dekzeilen aan de kant van het Tuinlaantje verwijderd werden en deze moderne apenrots (zie foto hieronder) zich aan ons vertoonde, wist ik dan ook even niet wat ik zag. Een Gehry is het niet geworden – op z’n hoogst een polderachtige Nederlandse baksteenvariant ervan  –  maar een echte Erick van Egeraat is het wel met zijn speelse afwisseling tussen verticale en schuine lijnen. En niet te vergeten de fraaie porseleintegels van Babs Haenen, die over enkele maanden prachtig zullen oplichten als de floodlight-installatie klaar is. En nu maar afwachten wat de Haarlemmers ervan vinden…

Typisch Nederlands?

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen

De discussie over wat typisch Nederlands is, dateert niet van vandaag of gisteren (lees: de omstreden toespraak van Prinses Máxima van eind vorig jaar). Zelf houd ik me met deze vraag al bijna een halve eeuw bezig.

In de jaren zestig maakte ik deel uit van een gezelschap van wetenschappelijk medewerkers en studenten van het Antropologisch-Sociologisch Centrum in Amsterdam, dat wekenlang tijdens de middagpauze fanatiek deze heilige graal probeerde op te sporen. De opdracht was simpel: vindt een onderscheidend kenmerk van de bewoners van de noordelijke Lage Landen. Het was een ideale plek voor deze (quasi-)wetenschappelijke queeste, want in het gebouw bevond zich een omvangrijke bibliotheek met volkenkundige studies. Als iemand dacht beet te hebben, snelde een van de anderen naar boven en schoot met een boek in de hand de vondst af. De naïeveling die dacht te scoren met iets als kop en maaiveld, werd bestookt met zeventien Melanesische volkjes die veel egalitairder waren dan wij Bataven.

Omdat Nederland en Denemarken veel gemeen hebben, hielp het dat er vaak een Deense antropologie-studente bij was. Zo dachten we er een keer heel dichtbij te zijn met ‘de fietsende hoogwaardigheidsbekleder’, toen Helle ons wees op het veelvuldige gebruik van de fiets door koning Frederick IX en we weer terug bij af waren. Als ik het me goed herinner, gooiden we vlak daarna de handdoek in de ring.

   

Dit alles laat natuurlijk onverlet dat de fietsende hotemetoot op zijn minst een bijna exclusief kenmerk is van de Nederlandse cultuur. Terwijl het in aardig wat landen niet ongebruikelijk is dat loco-burgemeesters van provinciestadjes zich verplaatsen in geblindeerde auto’s met een motorescorte, zie je in  Nederland onderkoningen (Tjeenk Willink) en ministers op de fiets naar het Binnenhof rijden. Ik heb altijd gedacht dat ze dat deden omdat ze van fietsen houden en het prettig vinden iets uit te stralen van de calvinistische soberheid en de voor-God-zijn-we-allen-gelijk -mentaliteit, maar als je wat langer kijkt naar foto’s van bijvoorbeeld een fietsende Donner, slaat de twijfel toe.

 

Het kost me moeite hier geen ijdeltuit of social climber te zien. Als je een fiets vooral beschouwt als een transportmiddel, dan is dit niet echt een handig model in ons klimaat, met al die tegenwind. Zo’n zorgvuldig uitgekozen vintage Burco of Fongers, waar je niet anders dan kaarsrecht op kan zitten, maakt helemaal duidelijk waarom een fiets vroeger een stalen ros werd genoemd. Een ros? Zou dat het zijn? Donner’s betovergrootvader was een kruideniertje. Ben ik malicieus als ik hier een nazaat van kleine luyden zie die druk doende is op te klimmen tot de neo-adel? Iemand die anno 2008 eigenlijk het liefst als dienaar des konings te paard naar Binnenhof of Ridderzaal zou willen rijden om zich aldus te verheffen boven het gemene (gemotoriseerde) volk?

Nee, dan Jos van Kemenade. (“Een stadgenoot, stadgenoten!”) Deze Minister van Staat beweegt zich – onveranderlijk in windjack – voort op het soort sportieve toerfiets dat gangbaar was eind van de jaren tachtig. De kleur van het rijwiel is een onbestemd grijsgroen. Zadel en stuur staan vrij laag, zodat hij nogal ineengezakt zit. Je zou hem 82 geven, terwijl hij nog maar net 71 is. Het enige wat nog ontbreekt is een plastic zak aan het stuur met oud brood voor de eendjes.

“in februari haarlemt het donker”

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen


Voor schrijvers en dichters is de verramsjing van hun boeken een schrikbeeld en gruwel. Heel begrijpelijk, maar het zegt niet altijd wat over de waardering van het werk op wat langere termijn. Het zou mij nu heel wat meer naar den vleze gaan als ik in de afgelopen veertig jaar met trefzekere hand had gewinkeld in restpartijen van bepaalde titels. Neem Oog om oog van de jonggestorven fotograaf Sanne Sannes:  7 gulden 50 bij De Slegte in 1967, nu tussen de 600 en 850 euro op AntiqBooks. Paradiso Stills, een fotoboek vol punkers van Max Natkiel: 9 gulden 90 eind jaren ’80 bij Het Martyrium in Amsterdam, nu tussen de 150 en 300 euro. De Kat uit de Boom van Frédéric Bastet, recent in de ramsj bij De Vries voor 3 euro 95 – nog getipt door Marius op RaDa! – en nu, anderhalf jaar later al weer 15 euro waard. Zo snel kan het gaan.


Wat echt erg voor een schrijver is, is terechtkomen in de ééneurobakken voor de gevels van antiquariaten. Dan is het gedaan met je. De vergetelheid naakt. Blootgesteld aan regen en wind ligt daar het werk van de Van Schendels, de (Jo) Boers, de Carmiggelts,  de Bomansen, de Ter Braaks, de Costers etc etc. Allemaal dood, dus alleen lullig voor de nazaten, maar sommigen overkomt dit al tijdens hun leven. De laatste tijd ritselt het bijvoorbeeld ook van de vroegere bestsellers van Kees van Kooten en Wim de Bie in die bakken. Hoe hard het bergafwaarts met ze gaat, constateerde ik van de week in Amsterdam toen ik in zo’n afvalputje van de boekenbranche hun ooit gezochte debuut aantrof. Een 10 voor de 10-ers, zeg maar een soort Het Beste uit de Nederlandse schoolbladen van het cursusjaar 1958/59.



Na een uurtje erin gebladerd en gelezen te hebben, stelde ik vast dat dit boekje bij vergissing in de ééneurobak terecht moet zijn gekomen. Alleen al om het genoegen in de inhoudsopgave te zoeken naar andere bekende schrijvers. Ik vond er twee: Manuel Kneepkens en Annemarieke (!) Oster. Maar het gedicht van Wim de Bie raakte me vol, om het ordinair te zeggen. Het gaf me het gevoel dat het voor mij persoonlijk geschreven was. “In februari haarlemt het donker,” dat schreef een scholier van het Haagse Daltonlyceum op het moment dat ik als twaalfjarige van het lichte, weidse, moderne Nieuw-Zuid in Amsterdam verkast werd naar Haarlem, met z’n sombere burgerlijke herenhuizen en smalle straten. Alles was grijs, tot de stadsbussen toe. Had Wim soms familie in de Pieter Kiesstraat of de Van der Vinnestraat, en was hij daar op een druilerige zondagmiddag in de jaren ’50 op verplichte theevisite geweest? Ik heb geen idee, maar voor mij maakt het niet uit. Dankzij puber De Bie heb ik nu de woorden die mijn eerste jaren in onze stad perfect kenschetsen. Voor mij haarlemde het van 1959 tot 1964 donker. Daarna werd het door gewenning iets lichter allemaal.


Hieronder het hele gedicht.


Manessier


want groen ruikt de zomer

en geel proeft het eiland van zon

in een pupil is groen is de zomer

in een lens is geel is de zon


in februari haarlemt het donker

bijten de huizen de spits

af is de pijn van de doorn

de pijndoorn van jezus de schilder


het zwijgende pierement van water

drijft in het kroos van de dood

water is dood en groen de zomer

morgen een weelde van vormen

nacht een weefsel van pijn


Wim de Bie (1958/59)

.

 

 

 

 

Taxi-oorlog bij station

Gastbijdrage van Harrie van der Meulen

De titel van dit bericht stond vandaag op de één van Grote Broer’s unique selling point, het Haarlemkatern. Daar ga je als oud-Amsterdammer wel even geschrokken voor zitten. Hemeltje, denk je dan, als van taxi’s afhankelijke niet-autobezitter. Krijgen we dat gedonderjaag nu ook hier? In de hens gestoken wagens, bedreiging met vuurwapens, intimidatie van klanten, kapotgeslagen autoramen, zware mishandeling en diverse andere mob-related crimes?

Na lezing overheerst opluchting. Er is slechts sprake van ‘onenigheid’ over taxiritjes. De stemming is ‘verziekt’, omdat een taxibedrijf, Taxi Max, zich niet aan de ongeschreven regels houdt. Voorheen maakten de chauffeurs van concurrerende bedrijven onderling nog wel grapjes, maar dat is er nu niet meer bij, meldt de krant.

Iets ernstiger lijkt het dat een week geleden een chauffeur van Taxi Max met de dood is bedreigd. Maar als ik een gokje mag wagen denk ik dat hier, zoals vaker in dit soort situaties, sprake is van een botsing der culturen. Ik stel me zo voor dat de bedreigde chauffeur (middle class) door een boze concurrent (lower class) sissend werd toegevoegd: ‘Als je dit nog een keer flikt, maak ik je dood, ik weet waar je woont’. Al of niet begeleid door een gebaar dat het afsnijden van de keel symboliseert. Een in bepaalde kringen tamelijk alledaagse zegs- en handelwijze, waarmee de spreker wil aangeven dat hij enigszins ontstemd is.

De eerste keer dat mijn zoontje thuiskwam van de enige sociaal gemengde school van Haarlem-Zuid en ons vertelde dat klasgenootje Jeffrey hem aldus bejegend had, waren we toch wel wat ontdaan. Maar de juf, meer streetwise dan wij, moest er desgeklaagd hartelijk om lachen en stelde ons gerust door ons in boven beschreven zin sociologisch bij te praten.

Nee, voorlopig ga ik er maar vanuit dat het met de Haarlemse taxi-oorlog wel zal loslopen. Ik durf er een goede fles rode op te zetten dat we de komende jaren in Haarlem geen muurschilderingen te zien zullen krijgen zoals deze uit Belfast, waar in de moeder aller taxi-oorlogen werkelijk cabbies gesneuveld zijn.