Verbogt

Soms wil je je intuïtie al te gretig gelijk geven. Vorige week was Thomas Verbogt te gast op de jaarlijkse schrijversavond van mijn school. Ik liep toevallig achter hem op weg naar de aula en meende aan zijn loopje een heel oeuvre af te kunnen lezen.

Op de buitenkant van de voet. Beetje stram in de heupen, geen swagger en schwung. Alsof hij net had leren lopen. Ahum, Verbogt maakte prompt grote indruk op me. De interviewende leerlingen hadden zich voorbeeldig gekweten van hun taak en kregen daarvoor veel terug. ‘Ik heb me in de trein hierheen voorgenomen zo eerlijk mogelijk te zijn,’ zei hij op een gegeven moment. Hier zat geen ijdele showman, maar iemand die zijn gehoor zonder aanstellerij deelgenoot maakte van de onzekerheden en dilemma’s van het schrijversberoep; ook ging er troost uit van de zuivere manier waarop hij sprak over de schrammen en butsen die het leven hem sinds zijn vroegste jeugd had bezorgd.

Ik kocht Waaitaal, een bundeling van Verbogts columns uit De Gelderlander en smikkelde die in twee dagen op. Geef die man een woord als ‘vleesvervanger’ of ‘sierbestrating’ en hij tovert er een stukje van. Pretentieloos? Dat zou je kunnen denken, maar samen leveren die stukjes een fraai zelfportret van iemand die niet aan vanzelfsprekendheden doet en de wereld met bevreemding en lichte argwaan beziet. Die enigszins schutterig op de buitenkant van zijn voeten loopt en daardoor elk moment stil kan staan om zijn waarnemingen over te doen en te verifiëren.

Zelf had ik vandaag een huppeldag – leve de impulsen en onbekookte acties! Ik viel bij de OGER-outlet voor een prachtig, zwaar afgeprijsd pak dat ik eigenlijk niet nodig had. Elders vond ik de nieuwe regenjas die ik wel nodig had en in de Gierstraat tikte ik tien exemplaren op de kop van National Geographic voor in de klas (samen €1), plus de Jeruzalem Trilogie van Amos Oz. Bij dat nieuwe antiquariaat, Huijsing Books, dat met smart wacht tot Hudson Bay eindelijk uit de steigers mag. Bij de kaasboer in de Koningstraat waren vier grijze Duitse vrouwen voor me, met een brede Käsebelangstelling – van Friese nagelkaas tot Borsseler belegen. Toen het eindelijk mijn beurt was, bleek ik de Stilton met rode port niet te kunnen weerstaan.

[Zwakke poging tot een typisch Verbogtiaanse slotzin, met ingebouwde anti-climax].

.

gevels

.

Bavomoorden?

Hoe groot en gevaarlijk moet een stad minimaal zijn om als locatie te dienen voor een detectivereeks?

Die vraag rees toen ik vanochtend las in Rebus’s Scotland van Ian Rankin. Over een paar weken ga ik met school naar Edinburgh en bij het inlezen (Google ten best books about…) struikelde ik over boeken van Ian Rankin, wiens personage Inspector Rebus in de Schotse hoofdstad opereert. Ik las Knots and Crosses, het eerste deel van de serie, waarvan ik er mettertijd vast nog wel een paar zal consumeren.

Rebus groeit met Rankin mee, ze doorlopen dezelfde actuele en maatschappelijke ontwikkelingen, al zijn ze niet even oud. Ze hebben veel gemeen qua achtergrond, maar verschillen ook. Zo schrijft Rankin over zijn eigen creatie: ‘It’s fortunate I’ll never meet him. I have the feeling we wouldn’t get along.’

Edinburgh heeft zo’n 500.000 inwoners, heeft een haven en is internationaal georiënteerd; het voelt groot genoeg voor een gestage productie van zware delicten. Amsterdam heeft Baantjer, Maastricht heeft Flikken (tv, weliswaar), maar Haarlem? De menselijke verbeelding vermag veel, evenals de menselijke wreedheid, maar ik vermoed dat ‘onze’ serie (Spaarnemoorden, Dooie Muggen) na drie of vier deeltjes uh… dood zou bloeden / een natuurlijke dood zou sterven bij gebrek aan een werkelijk giftige voedingsbodem.

Het is mijn genre niet, dus wie weet zie ik een lokale grootheid over het hoofd. Zoektermen als ‘detectiveschrijver, Haarlem’ leveren weinig op. Bies van Ede schreef Doodstil; veelzeggend, hij situeerde dat in het eponieme Groningse dorp in plaats van het Rozenprieel of de Vijfhoek.

Leuke bijvangst bij ‘detective Haarlem’: recherchebureau Rebuss. Jammer, ze hebben hun basis in 030 (= Zeist), anders had ik eens op de koffie kunnen gaan om te onderzoeken hoe we het doen als misdaadstad, en of er een gat in de markt is.

.

onderdeloep

.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Lakschoenen

Om het weggezakte Duits een beetje op te halen kocht ik voor mijn trip naar Flensburg een boek van de Keulse schrijfster Elke Heidenreich, van wie ik nog nooit had gehoord. Korte stukjes – anekdotisch, autobiografisch (?), spits, wrangkomisch; soms doet ze denken aan Lydia Davis. Columns, verhalen? Ik lees Alles kein Zufall met veel genoegen. Van Heidenreich zijn als ik het vluchtig natrek alleen twee kinderboeken in het Nederlands vertaald. Dus als ik zo vrij mag zijn…?

Lakschoenen

Na het concert zie ik achter de schermen een magere, bleke jongeman in een zwart pak, met mooie lakschoenen. Op beide schoenen zitten forse witte briefjes. Eerst denk ik, wat een aparte versiering. Dan kniel ik voor hem neer en zeg: ‘Mag ik?’ ‘Natuurlijk,’ brouwt hij en ik lees de briefjes, die met schoenveters vastgesnoerd zitten:

Ik word gedwongen deze schoenen te dragen.

Ik richt me op en zie in zijn twintigjarige, bleke, vertoornde gezicht onder het hoge, schrandere voorhoofd wat een gevoelig kereltje hij is. ‘En?’ vraagt hij, eerder angstig dan provocerend.
‘Ja’ zeg ik, een lachje onderdrukkend, ‘dus iemand dwingt je deze schoenen te dragen. Het zijn anders best mooie zwarte lakschoenen.’
‘Mijn vader,’ zegt hij, ‘mijn vader dwingt me. De dirigent.’ Hij laat zijn stem zakken, we staan voor de deur van de dirigentenkamer. ‘Hij wil niet dat ik met sportschoenen naar concerten ga. Maar ik ben veganist. Ik eet niets van dieren, ik draag niets van dieren. En dát – hij wijst vol afschuw op zijn schoenen – dat is leer. Dierenhuid. Mijn voeten lijden. Ik lijd.’
‘We lijden toch allemaal,’ zeg ik mild. ‘Volgens Kafka staan we ons leven lang op het toneel en zingen. Omdat we lijden. Daar moet je doorheen.’
Ik loop van hem weg en hoor hoe hij mij naroept: ‘Maar dat wil ik niet!’
De maestro, zijn vader, komt zijn kamer uit. Applaus klinkt van de getrouwen hier achter het podium. De vader knikt gevleid. De zoon staat afzijdig en lijdt, de witte briefjes lichten op.

Uit Alles kein Zufall.

Over lijden gesproken: rappe RaDa-lezers die in een grafstemming zijn kunnen vandaag nog naar een bijzonder evenement hier in de omgeving.

.

uitvaartbraderie .

*Na de uitvaart de biecht: zojuist bij het vertalen heb ik mezelf nog net behoed voor een Ausrutscher van jewelste. In het origineel stond ‘seltsamer Schmuck’. Dat had ik met mijn duffe koffieloze zondagochtendhoofd vertaald met: ‘wat een zeldzame eikel!’ (zoals in ‘I can’t believe what a schmuck that guy is’).

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Mug shots

Noem het ontsnobbing, noem het hersenverweking (of liever nog noem het voor de verandering eens helemaal niks!) maar op mijn leesmenu stonden deze zomer ineens enkele detectives.

Voor mij praktisch onontgonnen gebied (zoals ik nog nooit in Afrika, Australië of Azië ben geweest). Zo ontdekte ik Edmund Crispin (The Moving Toyshop, uit 1946, opgedragen aan Philip Larkin), met een professor uit Oxford als hoofdpersoon/speurder. Een genot om te lezen door de humor en stilistische brille.

Al lezend maak je je (of ik me) een voorstelling van de auteur (echte naam Bruce Montgomery en teven componist). Crispin, dus dat ‘knisperig’ zat al in mijn hoofd toen ik ontluisterende passages las over zijn alcoholisme en ontwenningskuren: …on one occasion [Rossiter] found him more or less crawling up the walls. Although he had nothing in his hand, he was flicking the ash of an imaginary cigarette and stubbing it out. Daar is weinig knisperigs aan. Het zal me er niet van weerhouden meer boeken van hem te lezen, daar niet van. Ze liggen al klaar.

Josephine Tey was een andere ontdekking. Ik begon met The Daughter of Time (waarin een bedlegerige detective vanuit het ziekenhuis aan een ‘cold case’ tegen Richard III werkt). En omdat we dit jaar niet naar Schotland gingen las ik ter compensatie The Singing Sands (1952). Ook al zo geestig en onsentimenteel. Nieuwsgierig geworden naar de schrijfster vond ik deze prachtige foto:

.

 

.Momenteel ben ik bezig aan mijn eerste Dorothy L. Sayers, The Nine Tailors (1934), waarin een hoofdrol is weggelegd voor kerkklokken en hun luiders. ‘Ringing the changes‘ kende ik eigenlijk alleen als uitdrukking voor ongeïnspireerd variëren op een thema. [Zelfspotgrapje over klok en klepel weggelaten]. Sayers legt de principes van deze eeuwenoude, typisch Engelse tak van sport/folklore/manie gewetensvol uit (zie ook hier); de scène waarin de dominee van Fenchurch St.Paul zijn ‘dreamteam’ voorstelt aan invaller/detective Peter Wimsey deed me een paar keer in de lach schieten. Ze beginnen aan een recordpoging die de hele Oudejaarsnacht zal duren.

Voor een indruk van de lichamelijke inspanningen en de wiskundige principes zie dit filmpje.

Nogmaals over het uiterlijk van de schrijver: Sayers’ mug shots zijn net als die van Josephine Tey erg de moeite waard.

Overigens (je moet ergens beginnen) liet ik mijn boekenkeus onder meer bepalen door de zeer nuttige site Five Books (the best books on everything).

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

 

Thomas Beijer

Gisteren raasde en tierde het RaDa hier met onkarakteristiek schuim op de bek tegen de drie pagina’s in het NRC over ‘ons’ veranderende leesgedrag. Het zwaartepunt van dat vreugdeloze artikel lag bij verkoopsucces – de Toptiens, de prijzenjacht, de verfoeilijke recensiebolletjes en ***; bij de homogenisering van de smaak, met dank aan de DWDD en uitgeverijen die hun auteurs groomen voor hun doorbraak naar literaire (liefst internationale) faam.

LEES LOKAAL (kon ik net niet meer uitkrijten doordat mijn stukje te lang werd), lees onmodieus, lees groezelig & smoezelig, lees marginalen en onbekroonden, lees vergeten schrijvers en dode schrijvers en ongeboren schrijvers, lees mismaakte schrijvers en korstige, onwelriekende, lichtschuwe schrijvers die zich nimmer zouden prostitueren voor welke gelikte of ongelikte promotiesessie dan ook.

En toen was daar, als tegengif voor de NRC, De Haarlemmer (wekelijkse uitgave van de Buijze Pers), met een aankondiging van een door de Kennemer Boekhandel georganiseerde literaire avond in het NH-Archief rond A. Alberts (ooit een buurtgenoot, buurtgenoten!). Ik kan zelf helaas niet op 30 maart, maar fleurde er toch van op.

En in diezelfde Haarlemmer stond een aardig vraaggesprek met Thomas Beijer (een stadgenoot, stadgenoten!), wiens romandebuut Geen Jalapeños in april verschijnt. Mijn oog bleef haken aan dat interview – Beijer (28) is concertpianist en haalt een minder bevlogen collega aan: “Liever vijf minuten van schaamte [op het podium] dan vijf uur studeren.”

Alleen aan zo’n uitspraak kan je al een trilogie ophangen. Wat ik verder las over Beijer beviel me erg. Er bestaat natuurlijk nog steeds kans dat dat ‘plotloze’ boek van hem eindeloos doorbaggert, maar ik ga het een kans geven. En als hij even virtuoos schrijft als speelt, komt het zeker goed. In een opwelling (wat De Haarlemmer allemaal niet met een mens doet!) bestelde ik een CD van hem, Canción y Danza, met Spaanse pianomuziek. Daarna ging ik naar een feestje en bij thuiskomst lag het pakketje al op de mat. Prachtige, prachtige muziek (o.a. Granados, de Falla, Albéniz en Beijer).

.

downloads

 

De moraal van het verhaal: lees lokaal! Luister lokaal!

(Hé, horen jullie ook echo’s van ‘Doe Normaal’? ‘Lees normaal’: lezen wat iedereen leest omdat je anders met je mond vol tanden staat op de receptie en andere ons-scant-ons-bijeenkomsten. Kan er niet een uitgeverij komen die zijn auteurs eruit knikkert zodra ze per abuis meer dan 1500 exemplaren verkopen? Uitgeverij FTD (Fuck de Tweede Druk), die asiel biedt aan schrijvers die voor hun laatste boek slechts éen of twee sterren kregen… OK, ik hou alweer op… ik ga een categorie RaDa Maniakaal aanmaken).

PS Een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen? Abonneer je via ‘Over RaDa’ of in de zijbalk.

Verlieslatend

Bij het begin van de Boekenweek beleef ik meer literair plezier aan De Haarlemmer (een wekelijkse uitgave van de Buijze Pers) dan aan NRC Handelsblad.

Bij laatstgenoemde naast de reguliere boekenbijlage drie pagina’s over bestsellers en worstsellers, verkoopcijfers (dalend bij de Nederlandse literaire roman), het aantal lezers volgens CPNB (dalend) en de invloed van het almachtige boekenpanel van DWDD. Over Big Data (de nieuwe goden, vandaar de hoofdletters) die uitgevers in de nabije toekomst in staat zouden moeten stellen zich te behoeden voor zeperds. Patrick Swart van uitgeefconcern WPG (o.a. Bezige Bij): “Als je straks een manuscript in de machine stopt, kun je de recensie schrijven zonder het gelezen te hebben.”

Ik geef toe, vies uit zijn verband gerukt, Patrick, maarruh… het staat er echt. Wat mij benieuwt, waarom zou je een recensie willen schrijven zonder het boek te lezen? Een boek lezen en géén recensie schrijven, daar kan het RaDa zich nog iets bij voorstellen, maar andersom? “Van elke honderd boeken die uitgevers op de markt brengen zijn er zo’n negentig verlieslatend. Stel je voor dat we dat kunnen terugbrengen naar zeventig, of misschien wel vijftig.”

Stel je voor! De natte droom van deze algoritmekoning is natuurlijk om – zonder zelf iets te lezen – slechts drie boeken uit te brengen die alle drie winstlatend zijn (of heet dat nog wél ‘winstgevend’?). De RaDa-reda wordt er mismoedig van. Voor het geestesoog verschijnen nare beelden van het manuscript van Hier moet ik ingrijpen dat ongelezen in Swarts Succespredictor wordt gestopt. Na 30 seconden begint het apparaat te rochelen en zieltogen.

.

9200000046205063

.

Op het display verschijnt de mededeling: genre ???? > hapklaar xxxx > 0 bolletjes > kans op Libris <0,000002074%. “Ik kan het meteen voor u shredden als u wilt”, biedt Swart gedienstig aan, de hand op een rode knop. “Dat scheelt u weer werk…”

Nou blijf ik jullie alleen de boekenofferande van De Haarlemmer nog schuldig. Maar goed, morgen is er weer een RaDa (of anders overmorgen).

PS Een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen? Abonneer je via ‘Over RaDa’ of in de zijbalk.

De Dikke de Vries

Ik had al weet van het bestaan van het Grote Gastenboek voordat ik het afgelopen zaterdag voor het eerst onder ogen kreeg – in zijn volle lijvigheid. Na afloop van een gemoedelijke voorleessessie bij boekhandel De Vries, samen met andere Haarlemse grootheden als Lucas Hirsch en Bas Belleman, werd de huisdichteres gevraagd om een van haar gevreesde poëtische impromptus.

.

dikkevries

.

Terwijl zij talmde (verscheurd tussen ‘leuk om hier te zijn’ of ‘goed om hier te zijn’, of bij nader inzien toch maar ‘erg fijn om hier te zijn’) bladerde ik vluchtig maar vervuld van diep ontzag door de bijdragen van haar vele, vele, vaak roemruchte voorgangers. Wat een schatkamer! In de eerste jaren (het gaat terug tot 1980, als ik het wel heb) doen ook de gewone klanten hun duit in het zakje (‘Lees de Bijbel!’ / ‘Lezen is voor de dommen’ / ‘Een boek is voor mij om te vergeten wie ik ben, waar ik ben en wat ik ben (hoe heerlijk soms!’), maar gaandeweg nemen de literatoren het over. En anderen met een boek. Wacht, eerst even de snobs wegjagen:

.

ratelvries

.

Donderdag ging ik nog even terug om op mijn gemak te snuffelen. Wat ik desondanks niet kon vinden was de pagina waar Harry Mulisch opbiecht als jongen het een ander uit de winkel ontvreemd te hebben (Daan van der Valk had er glunderend gewag van gemaakt). Wel trof ik van onze ereburger deze pagina, met een andere jeugdherinnering.

.

mulischvries

.

Charlotte Mutsaers is rap klaar bij het signeren, die heeft haar eigen stempeltje – wel zo praktisch.

.

mutsaersvries

.

Dit vaardige zelfportret van Jean-Pierre Rawie zou ook niet misstaan op een stempel.

.

Rawievries

.

Terecht veel lofprijzingen voor het pand en de zaak zelf: Zo mooi als Blackwell’s, Oxford / Zo dichtbij als Haarlem / Ik hoop dit boekenparadijs nog eens/ rustig te bezoeken. Is getekend, Andreas Burnier. Govert Schilling (wetenschapspublicist) verlegt de grens nog een stukje.

.

schillingvries

.

Voor de amateurgrafoloog in mij is zo’n boek ook smullen. Wat te denken van de handtekening van een bergbeklimmer die

.

bartvosvries

.

wel erg de diepte in gaat, richting ravijn? En zo is er om de zoveel bladzijden wel iets om je over te verwonderen of verkneukelen. Tim Krabbé publiceerde een boek over de Babson Task, een berucht schaakprobleem, en improviseert onder zijn handtekening de diagramstelling, met de naam van de oplosser ervan, (Leonid Vladimirovitsj) Jarosj.

.

Krabbevries

 

Het zou mooi zijn als De Vries ooit nog met een facsimile-uitgave komt van de fraaiste bladzijden uit dit rijke boekwerk. En in afwachting daarvan kan je het personeel (liefst op een rustig tijdstip en na aanschaf van een mud boeken) natuurlijk altijd lief aankijken en wie weet mag je dan net als ik… Nou, nog eentje dan, omdat hij ons nog maar zo kort geleden is ontvallen.

.

Verstraatenvries

.

P.S. in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Stadsdichter

Haarlem kiest deze maand een opvolger voor Nuel Gieles, die zijn termijn van vier jaar bijna heeft volbracht. De nieuw te benoemen stadsdichter wordt een van vijf onlangs door de vakjury genomineerde kandidaten. Het publiek heeft nu tot 19 december om zijn voorkeur kenbaar te maken.

Traditioneel gaat de verkiezing gepaard met uitbundig gekrakeel over de procedure en hoon voor het dilettantisme van de organiserende partij, de gemeente. Aan kinnesinne en animositeit schort het nimmer in dichterskringen; men kent en scant elkaar sinds jaar en dag, schurkt veelal tegen dezelfde toog en verdringt zich nu kortstondig rond dezelfde eenpersoons ruif.

Voor de liefhebber pookt Max Sipkes een aantal oude vuurtjes nog eens op in het HD van vandaag en steekt nieuwe aan. Wat een bof, dat nam het RaDa werk uit handen en stelde mij in staat te kiezen voor een onconventionele, volstrekt originele benadering: ik besloot ALLE vijf de gedichten integraal te gaan LEZEN en beoordelen. Op hun merites, wel te verstaan.

Wat een rotwerk! Niet het lezen, wel het beoordelen. Want je wijst – hoe je ze ook prijst – vier afvallers aan (wordt ‘wegnomineren’ nog gebruikt op tv?). En het zijn niet de minsten in de line up: Bas Belleman, Bies van Ede, Gerrie Hondius, Willemien Spook of Grim Bouwmeester [hé, elk vier lettergrepen, als je bij Gerrie een beetje smokkelt].

Grims gedicht was me te wee. Die dus niet. Gerries ‘Verklaring’ blijft ondanks de inventiviteit (‘Zeker, er zijn flammkuchen, / en selfiesticks, en zestig soorten gin. / Quinoa en kombucha, / ik ga nergens tegenin’) precies wat de titel belooft en stijgt niet onverhoeds tot grote poëtische hoogte. Bas Bellemans ‘Anthony Fokker’ stijgt zoals bekend wel op maar zijn gedicht blijft voor mij te ijl, boven de stad zwevend in plaats van mij er met de neus in wrijvend. Bies’ Homerus gaat op de begane grond neo-anarchistisch tekeer – nietsontziend, blind om zich heen meppend.

Nachtegalen zingen niet, ze vloeken en verketteren
in een taal die alleen nachtegalen spreken.

Dat is Bies op zijn best! Zonder de neus van Mulisch (een beetje te prominent, zo centraal in het gedicht) had ik misschien op hem gestemd. Hoewel, ‘Oever van de stad’ van Willemien Spook is volkomen gaaf en overtreft voor mij de andere inzendingen qua doorleefd Haarlem-gevoel. Het voelt als verminking er een strofe uit weg te rukken, dus plaats ik het hier helemaal (voorlopig zonder toestemming van de auteuse maar het is voor een goed doel).

.

Oever van de stad

Ik sta in een regen die kuiltjes tikt
aan de ringdijk, dwaze dwingeland
goedmoedig van aard en aarde
de slaap gevat als een huilend kind
op een gruizig grijs hemelbed
in een polder vol plassen en poelen

ik ben geen wind, geen dijk, geen water
ik ben voeten en handen, oren, ogen
voor R-net, flat en minaret
gebroederlijk aan de rand gezet
voel de wind die scheert langs het
Schalkwijk waarover men schampert

maar waar ik dit vind – dit alles

waar Heer Weiland zich wijdt aan
zijn koeien, hun hoofden gebogen
als ik: klein van schaamte
geen vee te zijn waar zoveel vee is
geen gras waar groots het groen en
geen vleugels waar alles vogel

een hooggeschouderde reiger
speelt Bavo aan een Spaarnesloot
het klatert goud voor wie wil horen
hoe regen zachtjes kuiltjes tikt in het
Schalkwijk waarover men schampert
en mijn hart in mijn huis is gaan wonen

Kritisch onvermogen

Dat je al zo’n vijftig jaar romans leest, inmiddels met gerijpt inzicht en kritisch vermogen (mag ik hopen) en dat je dan in een scène belandt waarbij je denkt, nee toch, dit is al zó vaak gedaan (vooral in kinderboeken), ze (Scarlett Thomas) zal toch niet kiezen voor deze even onwaarschijnlijke als afgezaagde ontknoping???? Dat kán toch niet?

Een nerdy twaalfjarig meisje dat gekrenkt en vernederd wordt door haar wiskundeleraar Mr Morgan (alias Moron) als het zich hoopvol aanmeldt voor de schoolschaakclub en met betraand gezicht het speellokaal verlaat, vervolgens samen met haar grootvader studeert op alle facetten van het spel, en dan bij het jaarlijkse schooltoernooi niet alleen al die onuitstaanbare treiterknulletjes van het bord zwiept, maar óók – in de finale, met veel toeschouwers – de gehate leraar zelf in de luren legt en met de trofee naar huis gaat. Wat ook niet kan, dat je dan als geharde leesveteraan (terwijl die ongelooflijke en ongelofelijk voorspelbare ontknoping nadert) in gloeiende spanning zit en meeleeft zoals je zelden meeleeft in het gewone (mee)leven met echte medemensen. En blij bent voor dat meisje, zo blij dat je je eigen literaire smaak niet meer vertrouwt?

Nou ja, moet je klagen als zoiets je overkomt? Er valt best iets op PopCo af te dingen, maar ik beleef er erg fijne uren mee (grappig, het is het tweede achtereenvolgende boek waarin de Riemann-hypothese een rol speelt, na The Humans. En geloof ik al het vierde boek dat ik lees uit de Guardian-serie Books to Give you Hope).

Mopperkont

Vanochtend twittertripte ik naar een artikel in The Guardian over een te verschijnen essaybundel van de Engelse romancier J.B. Priestley (1894-1984), Grumbling at Large . Priestley? Die hoorde voor mij bij een oubollige generatie (Galsworthy, Somerset Maugham) waarnaar ik niet nieuwsgierig hoorde te zijn, maar in het artikel stond iets over de oppeppende werking van die essays dat perfect aansloot bij mijn verzuchting in Vakantieboek.

Ik haalde bij Kobo een andere essaybundel van hem op, Delight. * In het voorwoord legt Priestley een volledige bekentenis af: hij is een mopperkont. ‘If I have not had a good breakfast, I argue, at least I have had a good grumble.’

.

priestley

.

Als tegenwicht bevat Delight uitsluitend stukjes over de verrukkingen van het leven. Het begint met een ode aan fonteinen. 99 van de 100 mensen zijn dol op fonteinen, stelt Priestley. But where are they, these fountains we love? We hunger for them and are not fed.

(Bavocentristisch vraagje: wij hebben in Haarlem het schuimfonteintje op de Gr. Markt, bij het Kennemerplein is er een met ejaculatiestoornissen, in de vijver van het Schoterbos klatert het, maar… komen we tot tien?)

Priestley pleit voor een brede maatschappelijke beweging (moet kunnen met 99%) die hardnekkig actie voert, ‘te beginnen met ingezonden brieven aan The Times, gevolgd door unaniem aangenomen resoluties en afvaardigingen naar Downing Street, en zo nodig eindigend met optochten en massademonstraties en hardhandige schermutselingen. Wat hebben we eraan als we te horen krijgen dat we in een democratie leven als we fonteinen willen en geen fonteinen krijgen? Te duur? Ze kosten een habbekrats vergeleken bij allerlei andere dingen die we wel krijgen en niet willen. Onze steden staan volgepropt met allerlei tinnef waar geen weldenkend mens ooit om vroeg, maar waar zijn de fonteinen? Niks mis met het streven naar volledige werkgelegenheid, omzetverhoging, een goede handelsbalans, sociale zekerheid, een uitgewogen Zus en een uitgekiend Zo, maar geef ons ook fonteinen – meer en meer fonteinen – hogere en hogere fonteinen – fonteinen als wijnen, als blauw en groen vuur, fonteinen als diamanten en regenbogen op iedere plein. Gek? Waarschijnlijk wel. Maar we hebben al getracht gek te worden door middel van hete oorlogen en koude oorlogen, op een akelige manier. Dus waarom zouden we het niet eens wagen op een aangename manier? Waarom zouden we niet eens ophouden met schuimbekken en het schuimen overlaten aan gracieuze fonteinen, exquise fonteinen, schitterende fonteinen?**

* Voor de liefhebbers: op Youtube leest hij er stukjes uit voor (pas 1822 keer bekeken)

** Vertaling hapsnapholadijee door RaDa-reda