Waarvan akte

Zoals wel vaker onderbrak ik in Bloemendaal mijn fietstocht naar huis om bij de Génestetbank te genieten van het uitzicht over het meertje van Caprera en de mooie koeien in het weiland. Ik zat nog nauwelijks of een rijzige man met grijzend zwart haar en een donker, vosachtig gezicht voegde zich bij mij. Even zaten we daar zwijgend, toen knoopte hij een gesprek aan, met niet al te subtiele knopen.

Of ik daar vaker kwam, of de koeien melkkoeien waren. Ik zat er niet op te wachten en mijn antwoorden waren aanvankelijk niet meer dan plichtmatig. Hij sprak zeer dienstbaar Nederlands met een niet direct te lokaliseren buitenlands accent. ‘Wat is een akte?’ vroeg hij op een gegeven moment, wijzend op het bord met historische informatie. 

Ik legde het uit, waarna hij begon over een examen Nederlands dat hij per se wilde doen, waarvoor ze (na een reeks intake-gesprekken) bij Nova en InHolland €150 vroegen. Er volgde een verhaal over strubbelingen met instanties waar hij als Afghaanse vluchteling mee te maken had gehad, zoals de ‘heilige gemeente Haarlem, nee, de schijnheilige gemeente Haarlem’, die hem tien jaar geleden geen cursus had aangeboden omdat hij geestelijk ‘kapot’ was. Er zat hem veel dwars, maar op die kennis van het Nederlands kwam hij steeds terug.

Toen ik een vraag stelde over de ‘contactpersoon’, die hij herhaaldelijk noemde, viste hij uit zijn portefeuille een document met zes rood omkaderde vakken – zijn ‘gebruiksaanwijzing’. Medicijnen, adressen van psychiaters en instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en kreten als ‘depersonalisatie’ en ‘derealisatie’. NIET AANRAKEN als hij kwaad of emotioneel is, las ik. Voorlopig deed hij min of meer rustig zijn relaas.

‘Ik ben boer, ik kan niet lezen of schrijven. Maar ik ken vijf talen’ (Farsi, Urdu en Punjabi heb ik onthouden, er was ook nog een kleinere Pakistaanse taal). En Nederlands dus. Het leek een soort erekwestie voor hem om te bewijzen dat hij dat machtig was. Hij wist nog precies waarom hij zo gekrenkt was dat hij nu een diploma wilde, los van de praktische voordelen.

Hij had een keer ernstige buikpijn gehad; als die ooit terugkwam moest hij zich direct onder behandeling laten stellen, had de arts gezegd. Vijf jaar later deed dat geval zich voor, maar hij werd afgepoeierd en van kastjes naar muren gestuurd. Uiteindelijk, na 24 uur soebatten, werd hij door een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar een verpleegster de eerste opvang deed. Hij deed zo goed en zo kwaad als het ging zijn verhaal, krimpend van de pijn, waarop zij een chirurg belde. En tijdens dat gesprek hoorde hij haar zeggen: ‘Die meneer spreekt geen Nederlands.’

Het was kantje boord geweest, zijn blinde darm stond op knappen, had de chirurg gezegd na de operatie. We praatten nog wat verder en toen zei ik dat ik maar eens op huis aanging, naar moeder de vrouw (in goed Nederlands).

.

IMG_3094

.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Gebroken groep

Zondagmiddag rond enen, ze waren er vroeg bij. Op de Grote Markt had ik dat groepje al vreemde (dronken?) strapatsen uit zien halen en luidbundig horen lachen. Een van hen droeg een fluorescerend groene trainingsbroek, twee hadden dolle mutsjes – dat werk.

Jongens én meisjes, dus geen vrijgezellenparty en het was geen ontgroenseizoen. Afijn, ze hadden niet direct mijn warmste belangstelling, ik liep de Barteljorisstraat in en ging naar binnen bij Tromp, voor kaas en yoghurt. Terwijl ik afrekende, verscheen hetzelfde groepje weer in beeld en ik zag hoe de kassameisjes elkaar bedenkelijk aankeken. Er lag een gebroken rauw ei op straat. Het groepje bescheurde het, tot een van de kassameisjes naar buiten kwam. “Wie van jullie gaat dat opruimen?”

De verbazing had niet groter kunnen zijn als ze gevraagd had wie van hen zich ter plekke gratis wilde laten steriliseren met een ongewassen kaasschaaf.

“Dat ei wordt bij ons straks naar binnen gelopen, dan zitten wij met de viezigheid.” Ze zei het niet agressief. Toen er twee van de vijf begripvol knikten, had ze het pleit eigenlijk al gewonnen. De jongen met de veel te groene broek pruttelde iets, hoe hij dat ei dan weg moest krijgen. Nou, daar wist ze wel wat op. Hij moest mee de winkel in, om keukenpapier te halen.

Ontdaan van zijn groep, zag hij er jaren jonger uit. Sullig. Onbenullig. Op zijn voorhoofd stond zijn naam – Melvyn of Kevin of Trevor. Hij praatje netjes. “We hebben een personeelsuitstapje met opdrachten,” meldde hij ongevraagd. Het meisje nam dit voor kennisgeving aan en legde hem uit wat er van hem werd verwacht bij zijn corvee. Dat kwam wel in orde met het deppen en boenen.

In de Kruisstraat kwam diezelfde knul weer joelend langsstuiven, achtervolgd door een maatje. Had hun hernieuwde vrolijkheid iets geforceerds, of hoopte ik dat alleen maar?

.

zoekdeplek

.

In Straatjournaal hebben Jan Heijer en Hein Kruijver zo’n ‘zoek-de-plek-rubriek’. Het is maar zelden dat ik het antwoord weet. Zelf denk ik dat deze makkelijk is.

.Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Kerstboodschap

Slagroom, yoghurt, tuttifrutti, handperen, vanillestokjes, gember, roomboter, schapenkaas – mijn eigen Kerstboodschappenlijstje viel te overzien.

Het was niet buitensporig druk in de Dekamarkt zaterdagmiddag. Voor het schappenvullend personeel was het wel aanpoten en er waren veel onwennige shoppers. Alsof ze het nog moesten leren of door hun vrouw op pad waren gestuurd. “Hier, als jij dit nou haalt, alles staat op het briefje, want ik moet nog voor 12 personen roséaardappels in staartstervorm snijden en voor de pasteivulling moet ik al die duiven nog plukken.”

Bij de stellage met kaas stond een gebrilde man in een groene boswachtersoutfit te kijken of hij zojuist zijn kompas in een snelstromend beekje had laten vallen. Behoedzaam sprak hij een winkelmeisje aan. “Ik zoek de lijkgies, weet u die te staan?” Toen ze bedenkelijk keek, varieerde hij met ‘lieggees’. Terwijl zij ook deze nieuwe fonetische poging probeerde te koppelen aan een kaassoort uit het assortiment, bracht hij uit: “Het is een Chinese vrucht…”

Nu kon ik uitkomst bieden, al schatte ik de kans meer dan 80% dat hij met verse lychees thuiskwam in plaats van het gewenste blikje, of andersom. En dan moet zo’n man van zo’n vrouw weer terug, onder protest, nadat ze eerst samen nog even hebben geoefend op de uitspraak.

************

Bij de rij voor de kassa stond ik voor een echtpaar zonder karretje; hun enige aanschaf was een zakje bakpoeder. “Wilt u vóór?” vroeg ik. Dat wilden ze graag. “Ja, ík wacht wel…” bromde verongelijkt een besnorde veertiger met een zwarte hoed. Rekenkundig maakte het niet uit in welke volgorde de klanten voor hem werden geholpen, leek mij, maar als ik niet in functie ben leg ik niet graag dingen uit.

De hoeddrager had wel een karretje, met daarin alleen een pak met vier Page wc-rollen. “Wilt u óók voor?” vroeg ik gemaakt hoffelijk. Nee, dat wilde hij niet. Hij wilde gewoon verongelijkt zijn (al zei hij dat laatste er niet bij).

.

merel

,

Boom zonder Kerstlichies bij het Ripperda-complex, waarin vanmiddag een merel uit volle borst zat te zingen. Alsof het al mei was.

Santa-kleurig P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Knakker?

Laat ik (voor de sensatiebeluste lezer die vlast op bloedvergieten, openlijke geweldpleging en autodestructie – in de dubbele zin des woords) maar beginnen met de anti-climax voordat van enige climax sprake is: de confrontatie bleef uit.

Gisteravond rond half negen fietste ik langs de Wijnoldy Daniëlslaan in Santpoort-Zuid. Een auto naderde van achteren en op het moment dat hij langszij kwam, brulde iemand door het open raam uit alle macht: ‘KAN-KER!!!!!!’ Of ‘KAP-PER!!!!’ of ‘KAK-KER!!!!’

Humor, agressie? Ik schrok me in ieder geval wezenloos en door de adrenaline (het is nooit onderzocht in het lab, maar ik neem voor het gemak aan dat die ook door míjn aderen kan gieren, zoals het spraakgebruik wil) zette ik een even woedende als kansloze achtervolging in, hopend dat die gasten binnen een kilometer getroffen zouden worden door motorpech. Ze liepen niet op me uit, ze werden opgehouden door een langzaam rijdende auto. Ik bleef hopen. Het was niet zo dat ik geweldsfantasieën had, maar ik probeerde wel degelijk – als een Tom Dumoulin met aktentas onder de snelbinders – dat gaatje dicht te rijden. Mijn hoop was gevestigd op de NS. De spoorbomen bij station Santpoort-Zuid.

De hoop vestigen op de NS… wie doet dat nog? Waar is de sprinter naar Uitgeest als je ‘m nodig hebt? Ze stonden er niet. Achteraf misschien maar beter ook. Wat zou ik gedaan hebben? Een ruitenwisser knakken en heel hard ‘Zei je KNAK-KER?!?’ schreeuwen? Of met gemaakte zelfbeheersing het portier opendoen en die imbeciel vragen wat hij nou precies riep?

Met de kans dat die opgefokte gasten niet alleen verbaal agressief zijn? En ook nog sterk en gemeen? ‘Doe maar voorzichtig!’ krijg ik thuis in zulke gevallen te horen, maar ja… Soms word ik daar nóg agressiever van.

.

feelings

.

Uitnodigende tekst bij Engelse tearoom Babette in de Kruisstraat

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Redder

De afgelopen vakantieweek waren we een paar dagen in Flensburg, bij de Deense grens. Gisterochtend stond de terugreis gepland, die mij via Hamburg en Osnabrück naar Haarlem moest brengen. De huisdichteres had nog een optreden met de Vorlesebühne in het verschiet in Wedel, een voorstad van Hamburg.

’s Ochtends werden we door vrienden per sms gewaarschuwd dat het hommeles was met het spoor, door Unwetter waar wij finaal doorheen hadden geslapen. Dus rolkofferden we eerder naar het station, voor de zekerheid. Ze  waren snel met ons klaar bij de informatiebalie. Er reed niets, zoveel wisten ze en verder wisten ze niets. Rond het middaguur kans op boemeltreintjes, maar het Fernverkehr? Misschien in de Nachmittag. Die storm, Herwart geheten, had fiks huisgehouden.

Berustend nam de huisdichteres plaats op een niet omgewaaide bank in de stationshal. Ik liep vastberaden naar de kiosk voor koffie en noodvoorraden. Bij terugkomst werd ik gemaand snel mee te komen. We konden mee met een taxi naar Hamburg. Uh…? Een man die voor zijn werk dringend die kant uit moest, had gevraagd of er nog liefhebbers waren. Hij had immers twee vrije plekken beschikbaar. Nee, het kostte ons niks…

Het was een rijzige, wat hoekige Duitser van een jaar of vijftig. Ons gejubel (‘ein kleines Wunder’ / ‘Retter’) vond hij zwaar overtrokken – hij had immers een Gutschein van zijn baas. We begonnen aan onze rit door het lege landschap van Schleswig-Holstein. Aanvankelijk serveerde ik hem beleefdheidshalve wat eenvoudige vraagjes, maar op sociaal gebabbel zat hij duidelijk niet te wachten. De enige keer dat hij uit zichzelf het woord tot ons richtte tijdens die rit van 200 km was om te vragen of hij zijn stoel één tandje naar achteren mocht zetten, voor wat extra beenruimte. Nou, vooruit dan maar…

In Hamburg dirigeerde hij de chauffeur naar een geschikte stopplek, rekende efficiënt af, nam zijn koffer in ontvangst en beende weg. Zonder boe of ba, terwijl wij nog stonden te dubben over de juiste naamvallen van onze dankbetuigingen… Even later zagen we hem weer, telefonerend over het vervolg van zijn reis; want Deutsche Bahn had de gestrande reizigers niets anders te bieden dan een volkomen leeg vertrekbord met Bitte Ansage beachten!

.

ansage2

.

Het had iets komisch; we hadden onze weldoener een biertje aan kunnen bieden, maar wat zeg je tegen iemand met wie je net 200 km hebt zitten zwijgen?

Over de verdere reis later meer.

.

gleisberen

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Twee Hongaren

We zouden per trein naar Utrecht reizen, samen met een nieuwe kennis, een oudere, ontwikkelde heer van Hongaarse afkomst. Door de drukte konden we pas in A’dam bij elkaar zitten. Ferenc bleek in Nederland geboren. Zijn Hongaars had hij op vijfjarige leeftijd afgezworen, maar later had hij het weer geleerd, vertelde hij.

Een stevige man met een solide dossiertas, vulde naast mij de laatste vrije zitplaats in de coupé. Wij vervolgden ons verkennende gesprek over het Hongaars, waarbij ik me voor die taalfamilie uit lang vervlogen colleges Taalkunde de term Fins-Oegrisch herinnerde.

“Wist u dat het Fins en het Hongaars maar vijf woorden gemeen hebben?” interrumpeerde de nieuwe man. Hij noemde er twee of drie en haperde. Ferenc stelde een vraag, waarop zich een wellevend gesprekje in melodieus Hongaars ontspon. Ik luisterde geboeid naar deze hartverwarmende hereniging van twee landgenoten. Op de achtergrond zwol een rapsodie van Béla Bartók aan, de Donau ruiste machtig en ik meende het kruidige aroma van goulash te bespeuren. Toen ze zich na de eerste begeestering onze aanwezigheid herinnerden, schakelden ze terug naar het Nederlands. Kennelijk  hadden ze het gehad over modern idioom. “Weet je wat ‘verkeersfile’ is?”

“Ja, ‘doego’*, dat wist Ferenc nog wel, maar helemaal up to date was hij toch niet. Gabor was in 1956 hier gekomen, met zijn gevluchte ouders. Ik vroeg waarom de Polen hier zoveel talrijker waren dan Hongaren, waarop het gesprek zich verplaatste naar de economie. Terstond werd een breuklijn zichtbaar. Ferenc zag het niet zo zonnig in. Hij kende academici die in arren moede emigreerden. Een gepensioneerde vriendin van hem moest rondkomen van €250. Gábor was niet zo van de schrijnende gevallen. Hij had zijn cijfers paraat en die toonden onmiskenbaar aan dat… Zijn tas verleende hem extra autoriteit.

Het was maar een kleine stap van economie naar politiek. Viktor Orbán schoof aan. Een slechte man, zoveel wist ik zelfs nog. Die wilde dat wij voor zijn grenshek met Servië betaalden… Maar Gábor verguisde de Nederlandse pers. Die lui baseerden hun opinies op een paar onbeholpen terrasgesprekjes in Boedapest. In dat hek zaten trouwens zes deuren. Een Syriër die beleefd aanklopte mocht heus naar binnen. Daar had Ferenc wel wat op af te dingen. Zag ik. Hij zei het niet. Gábor had nog meer geharnaste meningen. Over een paar maanden kwam zijn rapport uit, kondigde hij aan, waarin hij een aantal heersende misvattingen zou ontkrachten.

Het gesprek tussen de landgenoten bleef onverminderd beschaafd en vriendelijk; er viel tot Utrecht geen onvertogen woord. Maar toen we uitstapten was die breuklijn verbreed tot een gapende kloof en de rapsodie was overgegaan in een schel duet gespeeld op twee ontstemde violen.

.

bartok

Foto: Keith Bramich

*dugó

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Goede inborst

Help, de goede, bescheiden, mooie mensen rukken op! Of hebben ze een duivels complot gesmeed… tegen mij? Ik word er ongemakkelijk van. Als er in deze lege stad nog agressieve ploerten, sadisten of achterbakse gluiperds te vinden zijn, kunnen die dan svp snel mijn pad kruisen?

Gisteravond tegen 9 uur bereikte ik na een iets te lang uitgevallen fietstocht de Binnenweg in Heemstede, met dreigende hongerklop en aanhangende appelflauwte. Bij een lunchroom aan de Binnenweg gebaarden ze dat ze dicht waren. Verderop was gelukkig een snackbar (hoe erg moet het zijn om in een land zonder snackbars te wonen?). De vitrine waar de berenhappen en frikadellen opgetast hoorden te liggen, werd net blinkend gepoetst door een jongen van een jaar of twintig. Vriendelijke oogopslag, los achterovergekamde kuif.

“Als u het meeneemt, kan het nog wel.” Met een glimlach. Hij bracht de olie op temperatuur voor mijn patat en saté. Ik bestelde ook een AA-drink, die ik gulzig achterover klokte. De jongen schudde de patat om en monsterde mij. “Wilt er misschien nog een glaasje water bij?”

Het bleef niet bij deze snackbarsamaritaan. Aan de Schotersingel is een nieuwe kapper-koffiecombi. De koffie testte ik vanochtend (de coiffeur wellicht later). Het beeldschone meisje in de bediening zag eruit of alle kwalen en kwellingen van deze wereld (afgunst, gebrek, liefdesverdriet, likdoorns, rancune en zelfhaat, cynisme, hoofdroos, bekkeninstabiliteit, tics en zenuwvlekken, arrogantie) nooit vat op haar zouden krijgen. Dat haar koffie uitstekend smaakte, sprak voor zich en aan haar vriendelijkheid was niet gemaakts.

Er kwam een jonge vader binnen met zijn kinderwagen. Goddank, een chagrijnige, lompe hufter. Nee, was het maar waar. Hij bestelde beleefd een cappuccino en nam ergens achter mij plaats. Hij grutte in zijn tas en even later hoorde ik hem onderdanig vragen: “Vind je het goed als ik mijn dochtertje hier haar vruchtenhapje geef?” Ze stond het toe, begripvol.

Ik rekende af en ontvluchtte het pand. Te slecht voor deze wereld. Of in ieder geval te stekelig.

.

cactus.

Paars P.S.: in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Gedenken

We pakken de draad weer op en nee, vrees niet, het RaDa wordt geen Zwada.

.

zwaanswijk

.

Maar op 23 april schreef ik in Pluimstrijkerij over de poetsstrapatsen van een zwaan in het Wed. Daarna vertrok ik met de huisdichteres en mijn moeder naar Polen (de twaalfde verjaardag van het RaDa op 24 april ging in stilte voorbij) en in Krakau zag ik gisteren in de rivier de Wisla (Vistula) dit gezelschap. Ze doen de dingen daar toch weer ietsje anders.

Het was een reis met te veel indrukken om in een of twee haastige logjes te persen. Maar na thuiskomst gisteravond sloeg ik de NRC open bij de televisierubriek van Hans Beerekamp, over de hausse aan oorlogsdocumentaires: ‘Auschwitz is meer dan ooit in trek’. Aanleiding was een Brandpunt-rapportage van Henk van der Aa over het kamptoerisme. De verslaggever had zo zijn bedenkingen, onder meer over het hakenkruismotief in vloertegels in de Schindler-fabriek, waar wij dinsdag toevallig ook waren.

Ons bezoek was een beklemmende ervaring, maar niet van het soort dat je zou verwachten. Het was druk, het was warm, het was onoverzichtelijk en schemerdonker. Gidsen versperden met hun groepen de doorgang en toeterden in het Pools, Engels en Frans; om ons inlevingsvermogen te stimuleren klonken her en der geweersalvo’s en kanonnengebulder. Halverwege de route langs de gruwelen was mijn piëteit wel zo’n beetje verdampt; ik zocht alleen nog maar egoïstisch naar de bordjes Exit en verlangde naar de lompe Poolse garderobevrouwen en frisse lucht. Deernis komt niet op commando.

.

tripadvisor

Tripadvisor over Schindler’s Factory

In de rij taxi’s buiten het museum was er maar een waarvan de chauffeur in zijn wagen zat. De anderen klitten samen en rookten. Ik opende het portier en schrok van het mismaakte sujet op de bestuurdersplaats. Spichtig, gebrild hoofd met gehavend gebit; hij had een bochel en hing onderuit gezakt. Ik frommelde een stadsplattegrond onder zijn neus en wees op een plek in het centrum. Stare Miesto? Hij noemde zonder aarzeling een bedrag dat aan de hoge kant was. Ik knikte, 40 zloty was goed. Een klauwachtige hand rees op en vond met moeite de versnellingshandel; de chauffeur verhief zich tot zijn maximale hoogte. Zijn spitse kin kwam amper boven het dashboard uit. Hij propte met zijn andere hand een karamel in zijn mond en toen waren we klaar voor de reis.

Het rijden ging. Dat wil zeggen, we reden en er deden zich geen hachelijke situaties voor. Hij zei niets (hij kauwde karamel) en ik stelde geen vragen, over zijn rijbewijs, zijn levensverhaal of zijn misvorming. Ik speculeerde wel. Of het toevallig was dat hij bij dat voormalige joodse getto stond of dat hij misschien een reïncarnatie was van een koetsier uit de tijd van Isaak Babel of Joseph Roth. Of hij was verschenen om mij een wijze les te leren of te straffen wellicht voor mijn oneerbiedige vlucht uit dat museum.

.

ghettonuurkrakau

.

PS In de wijk Podgórze staat nog een laatste stuk van de gettomuur overeind. Hier kon je in ieder geval wel alleen zijn met je gedachten.

Paars PS In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Verwarde mannen

Ik fietste de Zijlstraat in. Een rijzige man met sluik, donker haar die met zijn fiets op de stoep stond, stak verheugd zijn hand op en zei met beschaafde stem: Hé, nou dat is ook toevallig!” Ik remde, herkende hem niet onmiddellijk, maar als het íemand was moest het mijn neef Maarten uit Breda zijn, die ik tien jaar geleden voor het laatst zag. En anders schoot het me misschien alsnog te binnen.

“Wat doe je hier in de stad?” hield ik mijn kruit droog. Hij glunderde breed en zei zonder op mijn vraag in te gaan: “Wat grappig, zo kort nadat je me vrijdag dat sms’je stuurde.”

Uh… sms’en? Ik ben geen sms’er. Wie sms’t er überhaupt nog? (Ik zette een streep door neef Maarten als kandidaat). Hij bespeurde mijn twijfel. “Jij bent toch wel Roland?”

Nee, nooit geweest ook. “Dan stel ik voor dat ons contact hier eindigt”, zei ik. “Leuk u even ontmoet te hebben.” Twee verwarde mannen namen vriendelijk afscheid.

 

P.S. Het RaDa heeft een categorie Ontmoetingen

Paars PS: Een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen? Abonneer je via ‘Over RaDa’ of in de zijbalk.

Schellebelle

Ik reed vanaf de Verspronckweg de Jan Steenstraat in. Halverwege speelden drie kinderen en een racende pizzakoerier toeterde nodeloos lang en hard.

Toen ik het groepje naderde, stonden ze nog verstijfd op de stoep. “Zo’n man heet een debiel,” onderrichtte ik ze in het voorbijgaan. “Ga maar weer fijn spelen.” Ik had dus al enige lichte verkeersergernis opgelopen, toen bij de kruising met de Santpoorterstraat een zwarte auto de bocht linksaf dermate scherp nam dat ik van schrik in de remmen kneep en ontzet de handen hief naar de onzichtbare bestuurder.

Aan de rembekrachtiging schortte niks. Twee meter achter mij stond het gevaarte al stil, en ging in de achteruit. Het was even spannend toen het raam open schoof. Een kickbokser, een schietgrage man met een schietklare Luger, een vliegende teckel die het gemunt had op mijn halsslagader?

“Wat moet je nou, mafketel?” Een blanke vrouw van een jaar of veertig met een nijdige, zwarte knot en blikkerende zwarte ogen bestookte mij met al haar venijn. In een plat accent. Achter haar in het halfduister zat op de achterbank een kaarsrecht kindje. Nou ja, beter dan twee lijfwachten.

“Misschien kunt u voortaan normáál rijden?” (Er was geen gelegenheid meer dit terug te nemen, ook al had ik me sinds Ruttes advertentie heilig voorgenomen dat ‘normaal’ nooit meer te gebruiken.)

“Ach, seik niet zo, kerel!”

“U scheurt op twee wielen door de bocht.” (Een hyperbooltje voor het goede doel)

“Rot toch op, man!” Het bleken haar afscheidswoorden, het raampje schoof omhoog – was ze teleurgesteld dat er niks te matten viel? Aan de uitlaatgassen te zien had ze nog niet al haar agressie verschoten.

De laatste meters naar huis piekerde ik of het woord ‘schellebel’ nou echt bestond of dat ik het zelf had verzonnen als variant op lellebel.

De huisdichteres wist het evenwel direct. Nee, ‘schellebelle’, dat komt uit Kunt u Breukelen? Van Justus van Oel. Erg grappig boekje.

.

9038855087

P.S. in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.