Ietsie Pietsie

Gastbijdrage Onwijsgeer

De huishoudster van de filosoof Arthur Schopenhauer heeft deze ooit betrapt toen hij bij hoge uitzondering eens glimlachend voor zich uit zat te staren. “Is er iets los, Herr Professor?”, vroeg de goede vrouw. Hij antwoordde: “Luister Anna, ik weet slechts iets zeker, namelijk dat er geen rimpeling is op mijn oceaan van welbehagen.”. “Dat geloof ik ja niet, ik weet zeker dat da iets is.”

Daar had Arthur een beroemd geworden wedervraag op: “Tsja, genadige vrouw, het gaat er niet om dat er iets is maar, waarom is er iets; waarom is niet veeleer niets?”

Zo’n simpel, alledaags vraagje naar diep filosofisch vaarwater overbrengen om die arme huishoudster in verwarring te brengen, dat vond onze Sjoop wel leuk. En zij dacht natuurlijk: ach Jezus had ik het maar nooit gevraagd. Arthur bedoelde het als grap, wat op zich al heel bijzonder is in Duitsland, waar de weinige grappen nogal ruw zijn en veel mensen zoiets niet doorhebben, tenzij je er heel hard bij gaat lachen als in een soort rudicarell-act met een raar carnavalspetje op je kop.

De vraag: waarom is er iets, waarom niet veeleer niets?, werd daar zodoende als een erg diepzinnige vraag opgevat. Een beetje taalfilosoof is echter op zijn hoede. Het is namelijk de vraag of die vraag wel betékenis heeft. De zin verkleedt zich als vraag, maar is hij niet gewoon flauwekul? Zoiets van: “Beste Nout en Wout, weten jullie hoeveel kilo die Dirk Scheringa Bank daar in de etalage kost?”

Er was een filosoferende mulltimiljardair, die mij zeer na aan het hart ligt. Nee niet Dirk. Hij vroeg zich vooral af, of bij het filosoferen de taal niet gewoon… vakantie viert, vrijaf heeft. Diplomatiek gesteld: komt filosofie, inclusief die vraag van Schopenhauer, niet gewoon op gelul neer? Dat was messcherp gezien, hoewel dat op zich natuurlijk alweer een diepzinnig filosofisch vraagstuk is. Uiteindelijk is het ook zo dat lui die zich met dat soort kwesties bezig houden, ook zelf vaak langdurig vakantie nodig hebben. Ik heb mij onlangs maanden teruggetrokken in een grot op Patmos.

Maar ik zal u even uitleggen waarom hij Arthur’s diepzinnige vraag onzinnig vond. Kijk, zolang je de woordjes ‘iets’ en ‘niets’ in gewone huis-tuin-en-keuken taal gebruikt, is er weinig tot niets aan de hand; iedereen begrijpt het. ‘Iets’ is gewoon een greintje méér dan helemaal niets. In Nederland maken we het zelfs nog iets kleiner: ietsjes. Stel je hebt een toetje gemaakt en zij zegt: “Het smaakt ietsjes zurig, vind je niet? Moet er niet iets van suiker bij?”, zodat jij zegt: “Hoe bedoel je ‘iets van suiker erbij’, een suikergoedbeest of zo?”

Maar let op! Die o zo sympathieke Schopenhauer maakte van zo’n ‘ietsje’, dat voor ons dus bijna helemaal niets is, stiekum juist een heel grote hoop. De vraag: “waarom is er iets?” moet met een Andries Knevelstem, priemende vinger en sluw toegeknepen oogjes worden gesteld, want dát ‘iets’ betekent niet heel weinig, zoals een normaal mens denkt, maar juist alles: het universum, de dingen, de woorden, de liefde, Nietzsches maden in het levensbrood, kortom de hemel, de aarde en alles wat God verder gescheiden heeft. Als Schopenhauer er dan ook nog bij zegt: “ik weet iets zeker”, dan valt zijn onbeschaamdheid helemaal op. Terwijl ieder goeddunkend mens weet dat iets bijna niets is, vindt onze Arthur dus dat ie alles zeker weet.

Goed die vraag over iets, alles of niets is dus onzin. Je weet gewoon zeker dat er ‘iets’ is: en wel alles, de hele wereld, punt uit! Sterker nog je kunt niet eens met goed fatsoen tegen iemand aanzeuren dat je zeker weet dat de wereld bestaat. “Heedaar, ik weet absoluut zeker dat de wereld bestaat niewaar.” Dacht je dat Dirk dan zou zeggen: “Okay man, dat trek ik in twijfel, dat wil ik wel even zien.” Ben je gek, zo’n Dirk denkt: die gozer is geflipt, rijp voor wat koopsompolissen.

Kijk, je kunt wèl zeggen: “Dirk, ik weet zeker dat mijn portemonnaie in het halletje ligt.” Dirk kan dan zeggen: “Trek ik in twijfel, maarehhh, nee blijf lekker zitten, ik ga wel effies kijken…. Nee hoor, lag er niet!”

Je kunt ook wel zeggen: “Dirk, krijg nou tieten, ik weet zeker dat ik nu een schaars geklede Tinke Huizinga met vlechtjes en witte kniekousjes voor mijn geestesoog heb.” Als Dirk dan gretig zegt: “Okay man, daar twijfel ik aan, ik wil d’r effies zien!”, dan sta je ook weer met je mond vol tanden. Als jij iets zeker weet, moet een ander het kunnen betwijfelen.

Ook het bestaan van de wereld zelf kan je niet zeker weten, gewoon omdat je dat niet kunt betwijfelen! Het is de achtergrond waartegen alle betwijfelbare mensenbeweringen worden gesteld. “Lieverd ik weet zeker dat je mijn fietsband kan oppompen.” is qua bewering mogelijk, omdat die het bestaan van de hele wereld veronderstelt zodat je kunt zeggen: “Ik betwijfel of ik dat kan; je fiets is gisteren toch gejat?” Haar bewering was betwijfelbaar omdat die in de wereld opkomt, maar: “Lieverd ik twijfel of de wereld bestaat, ik ga even buiten kijken.”, en: “Dirk kom eens in mijn hoofd kijken wat daar allemaal aan lekkers voorbij loopt”, dat is, dat is Pinter, Beckett, Herenleed, oftewel absurd!

“En toch geloof ik dat er iets is!”, zegt Tineke in m’n hoofd, terwijl ik glimlachend voor me uit staar. Maar als ze dat op de televisie tegen Andries Knevel zegt, zal hij zwaaiend met zijn priemende vingertje roepen: “Geloven?, geloven? Niks geloven! Weten, mevrouw Huizinga! We weten zeker dat er iets is: HIJ is er!”. En waarom trekt u niet wat fatsoenlijkers aan. Dus: “Als je weet dat hij er is, dan geloof je het niet!

.

Gastlog

Mensen verwonderen zich over de raadselen des levens****. De geboorte, de dood, het dna, de schoonheid van de bloem, de liefde, de onpeilbare diepten van het universum. Waarom? Waartoe?

Misschien dat er nog een paar zaken zijn waarover men zich mag verwonderen van de commissie die daarover gaat, zaken waarop men het antwoord schuldig moet blijven. Maar je zou je af kunnen vragen: waarom dergelijke categorieën?

Waarom zou je je niet over alles verwonderen? Of waarom niet over niets, zoals mijn kat Decibel? Men verwondert zich over de schoonheid van de bloem, of het wonder van de geboorte, maar weer niet over een kapotte fiets of over een hoop stront, een pijnlijke zweer, althans niet op die manier. Eigenlijk zou je over alles waarvan je je bewust bent onophoudelijk moeten verwonderen, vanaf het derde levensjaar tot het laatste heldere moment in het oog van de dood.

De verwondering moet dus op een trapje gaan staan en gaat dus eigenlijk hierover: waarom die selectie van verwonderenswaardigheden? Welke kracht of macht zit precies daarachter? Hoe ontstaat die?

Verder gaat het uitstekend met ons! Alvast voor een ieder een mooi 2009!

 

****Tot gastlog gepromoveerde reactie [OFF TOPIC bij Kerstrede] van Onwijsgeer (zie ook de gelijknamige categorie)

A la recherche

‘De kip staat op tafel onder de os op het dak’

Afzonderlijke woordbetekenissen bestaan bij conventie, staan in woordenboeken of zijn aangeleerd. De betekenis van de grammaticaal correcte verzameling in mijn openingszin wordt pas helemaal duidelijk als ik concreter word. Hoewel de betekenis begint te dagen, moet hij nog iets meer een echte toepassing lijken, want u weet nu nog niet wat ik bedoel. Gaat het over een Chagall-inspiratie of is het een tableau-vivant?

Goed, we houden het op een ‘geinige’ restauranteigenaar die zijn gasten aan die tafel noodt, richting reproductie aan de muur. Met die context is de betekenis helder.

Nu bent u niet aanwezig bij deze scène; lezend flitsten er misschien beelden door uw hoofd bij woorden als ‘kip’ of ‘tafel’. Zulke contextloze woordenboekwoorden zijn van hun toepassing, plaats en tijd ontdaan. In de linguïstiek heten ze types (Eng.) Hun klanken of schriftsymbolen blijken perfect geschikt om in een praktijksituatie – Wittgensteins levensvorm– betekenis over te brengen.

Als ik ze zoals in mijn voorbeeldsituatie in een paar volzinnen plaats, lijk ik hun ‘bewegings-vrijheid’ drastisch te beperken en wek ik eensuggestie. Het lijkt alsof ik bliksemsnel een klein spinnenwebje maak waarin de woorden gevangen worden die daardoor een vaste plaats op een uniek moment krijgen toebedeeld. En als een spin in mijn web begrijpt u ineens bliksemsnel debetekenis!

Temeer omdat mijn woordkeus zich daarvoor leent, vermoed ik dat u die restaurantscène voor ogen heeft gekregen, een soort privé bij-effect van de betekenis. Hoewel gewekt met voor iedereen gelijkluidende woordbetekenissen, zullen dergelijke unieke privébeelden, die ook wel met tokens worden aangeduid, bij ieder van ons grondig verschillen in talloze details. Deze inwendige gebeurtenissen zijn spookachtig veranderlijk en soms heel dwingend van aard.

Nu een (tijdrovend) experimentje. Men neme een scène inclusief entourage in gedachten, alles in een gefabuleerde setting, dus niet de kip bij u thuis op tafel met rondom thonet-stoeltjes. Probeer nu dat beeld zo gedetailleerd mogelijk te fixeren in uw geheugen. Toon u een ware Proust in het beschrijven ervan terwijl we een schilder op uw aanwijzingen uw eigen gedachtekip laten schilderen: u stuurt zijn hand. (Proust heeft overigens zelf zo’n schilder ‘geschilderd’: Elstir in In de schaduwvan de bloeiende meisjes).

Idealiter heeft de schilder uiteindelijk uw token-Kentucky Fried-scene weergegeven. Als u nu zegt: “verdomd, dat is het precies!” heeft u dan gejokt?

En nu maar op zoek naar de met dit verhaal verloren tijd!

De afgelopen negen weken las u op dinsdag steeds een bijdrage van gastschrijver Onwijsgeer. Stevige kost (zeker vergeleken met het junkfood dat je op de meeste weblogs krijgt voorgeschoteld) en wie nog niet alles verteerd heeft kan onder ‘categorieën’ terecht. De RaDa-reda betreurt het dat de reeks ten einde is, bedankt de schrijver oprecht en hoopt stiekem dat er ooit een vervolg komt.

Scheer je weg

William Ockham was een 14e eeuwse monnik die bekend is geworden door zijn scheermes; niet zozeer een Gillette maar een wetenschapsfilosofische benadering die erop neerkomt dat van alle verklaringen die er voor een gegeven fenomeen kunnen worden bedacht, de eenvoudigste de juiste is. Alle overbodige aannames moeten worden weggeschoren.

Nu valt daar op af te dingen; logisch gezien is dat niet noodzakelijk, maar het blijkt wel lekker praktisch. Zo was in het ptolomeïsche wereldbeeld de Aarde het centrum van het heelal waar alle andere planeten, waaronder Zon en Maan, omheen draaiden. Uit observaties bleek echter dat het verklaren van al die bewegingen verdomd complex werd. Het genie van Copernicus was uiteindelijk nodig om niet de Aarde maar de Zon als centrum te beschouwen, waardoor voor iedereen buiten Rome ineens alles duidelijker werd.

Maar goed, u weet van Einstein dat alles relatief is. Als je goed in rekenen bent, mag je ook de maan of – zoals je vandaagdedag veel tegenkomt – jezelf als centrum van het universum beschouwen.

In een beroemd verhaal van Edgar Allan Poe, ‘De Put en de Slinger‘,wordt een ter dood veroordeelde ketter – laten we hem Giordano Bruno noemen – voor de verandering eens niet verbrand voor bijvoorbeeld een heliocentrische opvatting. Hij is veroordeeld tot een andere gruwelijke dood. Bruno ligt roerloosin het midden van een grote ruimte; iedere beweging doet hem in een put vallen, gevuld met ratten. Een slinger, gevormd als een vlijmscherp scheermes, zoeft metl angzame reuzenzwaaien op enige hoogte heen en weer boven het lichaam van het slachtoffer. So far so good, maar helaas wordt het slingertouw via een soort klokmechanisme bij iedere zwaai ietsjes gevierd. Zal onze ketter uiteindelijk langzaam maar zeker dunnetjes doormidden worden gesneden?

Hoe lang deze rooms-katholieke kwelling duurt, vermeldt Poe niet maar als die inquisiteurs lang genoeg blijven kijken, krijgen ze een merkwaardig fenomeen te zien. U kent misschien wel die proef die af en toe in de Bavo wordt gedemonstreerd: de Slinger van Foucault. Langzamerhand gaat het rechtelijn-patroon waarlangs de slinger heen en weer pendelt over in een margrietblaadjespatroon. Omdat de slingerbeweging wil volharden ten opzichte van zijn aanvankelijke ruimtelijke coordinaten en de Aarde ondertussen doordraait, verandert de richting van de zwaartekracht ten opzichte van dat ruimtelijk platform, waardoor de slinger ehhh… gaat margrietbloempjesslingeren.

Zeker weten dat de inquisiteurs dit bizarre fenomeen als een ingreep van Beëlzebub himself hadden gezien. Voilà, een veel eenvoudiger verklaring die dus de voorkeur verdient boven de slinger die Foucault eraan gaf.

Daarmee zijn we weer bij Ockham’s scheermes beland.

Dit is het achtste dinsdagse mini-essay waarmee Onwijsgeer enig  tegenwicht biedt aan de filosofie van de koude grond die de rest van de week wordt uitgestort over RaDa-lezers. Zijn eerdere bijdragen staan hier.

.

Freud, Odysseus en de Schone Kunsten

De primaire driftbevrediging die voor ons mensen het leven enigszins draaglijk maakt, wordt stelselmatig in de wielen gereden door de harde realiteit van alledag. Als je al in de verkering geraakt, kun je niet de godganse dag met je geliefde het bed delen; je moet ook wel eens naar kantoor. De libidineuze drift is continu en alomtegenwoordig, maar het is in het dagelijks verkeer geenszins zeker dat die ook bevredigd wordt. Die drift moet als het ware worden bevochten, wat soms ernstig lijden veroorzaakt. Luister naar Mick Jagger’s I can’t get no satisfaction en je weet wat ik bedoel. 

Om onze, uitdriftdoelen verkrijgbare, lustbevrediging dan toch veilig te stellen en het leed enigszins af te weren, staan ons mensen gelukkig substitutietechnieken ter beschikking. Twee daarvan zijn de libidoverschuiving en de fantasiebevrediging die bijvoorbeeld in het maken en ondergaan van kunst een belangrijke rol spelen.

Aan de esthetische beleving, zo men wil de schoonheid als verschoven, veilig gestelde ‘zachtbedwelmende’ seksuele impuls kan de mens zich probleemloos laven, wat dus bepaald niet gezegd kan worden van haar primaire doelobject. Tot zover Freud.

Ten tijde van Odysseus was Freud nog niet geboren en museale kunsten bestonden ook nog niet. Wat wij kunst noemen was toen ultieme,irrationele verleiding. Zoekt de mens volgens Freud naar een manier om zich van dergelijke verlokkingen permanent te verzekeren, ze zeg maar als blijven de vluchtroute in te bouwen in de banale dagelijkse strijd van het bestaan, Odysseus probeert ze juist uit alle macht van zich af te werpen. Ingefluisterd door Circe weet hij dat deze nog niet tot machteloze kunst afgezwakte verlokkingen dusdanig overheersend kunnen zijn, dat ze zijn ondergang kunnen worden.De mens dreigt, verleid door zoetgevooisde, lustbelovende Sirenen nog vóór het bereiken van Scylla en Charybdis te worden weggeroofd uit zijn existentiële nu, om reddeloos verloren aan te spoelen op de rotsige kust van de mythische verleden voortijd.

Alleen door permanente tegenwoordigheid van geest kan Odysseus zijn bestaan aan de natuur afdwingen. En aangezien de Sirenen pas later door de Muzen zullen worden verslagen, moet Odysseus, vastgeketend aan het hier en nu, zich dus noodgedwongen hoeden voor de verleiding van de primaire, nog niet freudiaans verschuifbare bevrediging.

Voor Odysseus vormt de ongetemperde kunst – bij monde van de schone gezangen der Sirenen – zodoende vooralsnog een ultieme bedreiging, bij Freud is een wohltemperiertes alternatief voorveilige lustbevrediging een kunstje.

Elke dinsdag plukt Onwijsgeer de RaDa-lezers even weg uit de Haarlemse actualiteit om hen te laten delen in de vruchten van zijn studie van alles wat er tussen Socrates en Habermas afgeprakkizeerd is. Dit was het zevende in een serie van negen mini-essays. Eerdere afleveringen staan hier.

Uitdrukinktvis

Ik weet niet hoe het met u is, maar ik ben dol op idiote kettingwoorden. Het gaat hier om uitdrukken en inktvis. Omdat u een elektronisch documentje leest, laat ik de drukinkt buiten beschouwing.

De sepia-inktvis heeft een huid met pigmentzakjes die het mogelijk maken zeer snel verschillende kleuren, wisselend in fraaie golfbewegingen, op zijn huid te tonen afhankelijkvan zijn gemoedsstemming jegens soortgenoten, prooien etc. Vandaar dat uitdrukken en het is naast zijn actiesen zijn lichaamshouding zijn enige expressiemiddel; geluiden maken ze niet. Een spectaculaire light-show is hun manier van spreken.

Je zou de huid van een inktvis dus als een scherm kunnen beschouwen waarop zijn spreken met andere inktvissen wordt geprojecteerd zodat zij begrijpen wat hem beroert. Op goede gronden aannemend dat inktvissen intelligente dieren zijn, hebben zijzelf misschien ook een idee van hetgeen zij projecteren. Je zou je daarbij het geprojecteerde als een bewustzijnsinhoud van de inktvis kunnen beschouwen. De vraag is, watwij moeten denken van een inktvis die zich in staat acht zijn eigenbewustzijnsinhoud te projecteren, gedachten die hij bovendien als uit de eerstehand presenteert onder het motto: “als er iemand is die kan weten wat er in mij omgaat, dan ik wel!”.

Duidelijk lijkt ondertussen dat zijn eigen kijk grotelijks afwijkt van de mening van anderen wier opvatting door waarneming van zijn projectie en door consensus tot stand is gekomen. Waarnemen doe je met zintuigen en de opvatting van die zelfbewuste inkvis is dus nergens op gestoeldwant hij neemt in feite niets waaromtrent zijn gemoedstoestand; hij heeft geen ogen die zijn eigen projectie kunnen zien omdat hij die projectie in zekere zin zelf is. Hij rept van wat hij voor zijn geestesoog ziet maar zo’n oog bestaat niet; het is slechts een manier van spreken.

Wat de inktvis al projecterend inwendig ervaart, zijn episodes met ‘verbeelde verschijningen’, qualia die sommige expressies begeleiden en die men ‘zelfbewustzijn’ noemt. Het zijn vaak episodes want men is zichzelf niet onafgebroken bewust bij wat men aan de buitenkant allemaal expressief doet. Als een inktvis nu belooft volgende week iets te zullen doen, is hij niet al die tijd bezig zich van zijn belofte bewust te zijn.

 Velen denken dat het bewustzijn, ‘de geest’, zetelt in de hersenen; bewustzijn is dan een soort gevolg van hersenactiviteit. Hoewel niemand zal ontkennen dat de hersenen tenminste ondersteunend zijn bij het totstandkomen van bewustzijn, ligt volgens anderen het accent toch elders. Die houden staande dat talige activiteiten – zoals uitgedrukt in medische en neurolinguïstische wetenschappen – hebben geleid tot inzichten in een ingewikkeld deelaspect van hetmenselijk bestaan, namelijk wat hersenen, bijdragen aan bewustzijn.

Maar die inzichten vormen niet het hele ‘plaatje’ want talige activiteiten – levensvormen – liggen ingebed in een soort ‘stroom van leven’. Onze expressie in de vorm van taalhandelingen zoals verdrietig of verliefd zijn, samenwerken, beloven, verwachten, bevelen – hebben alle een voor anderen zichtbare expressieve buitenkant. Vaak gaan deze acties gepaard met verschijningen aan de binnenkant die we bewustzijn noemen; spookachtige, ongrijpbarebeelden flakkerend als een haardvuur.

Dit was de zesde opeenvolgende dinsdag waarop RaDa-lezers zich mochten warmen bij Onwijsgeers flakkerende haardvuur. Aflevering gemist? De gehele reeks ligt onder muisbereik. Volgende week meer.

 

L’histoire ne se répète pas

“Picasso maakte geschiedenis met zijn Guernica”. We bedoelen daarmee dat hij een belangrijk feit aan de geschiedenis heeft toegevoegd, implicerend dat mindere goden dat niet doen.

Op de keper beschouwd is zo’n staande uitdrukking nogal vreemd, want iedereen maakt geschiedenis.  

Geschiedenis heeft de vreemde eigenschap zich voor te doen als iets wat er gewoon is. Iets dat door ons moet worden ontdekt door opvoeding, opleiding, kennisname van ons  culturele erfgoed. Tegelijk is het een open deur om te zeggen dat De Ruyters tocht naar Chatham door Engelsen iets anders wordt geïnterpreteerd dan door ons. Het sleutelwoord is: geïnterpreteerd; geschiedenis wordt onophoudelijk door ons gezamenlijk nu gemaakt op basis van artefacten zoals een aangetroffen kanon, een scheepswrak, oude documenten, etc. Het hangt er helemaal vanaf waar u toevallig bent geboren hoe dergelijke feiten aan elkaar worden gebreid door de gemeenschap. En dat ‘verhalend breien’ teneinde consensus te bereiken, dat gebeurt door talige betekenissen zoals die nu gedragen worden door diezelfde gemeenschap.

Rankes historisme  (19 eeuw) poogt een tijdvak synchroon te reconstrueren. Je kon je in Napoleons tijd volledig inleven als je alle feitjes rond die tijd in verband bracht. Maar omdat onze begrippen zelf ook aan de erosie van tijd onderhevig zijn, weet een moderne historicus dat het niet mogelijk is om de geschiedenis te reconstrueren  ‘wie es gewesen sei’. We construeren haar onophoudelijk. Geschiedenis is wat vanuit het nu wegglijdt in de tijd en daardoor onherroepelijk qua gebeuren onbereikbaar is geworden. Wat we weten is slechts een door consensus bereikte interpretatie.

Hoe ver gaat dit? Welnu, iedereen weet dat de lichtsnelheid eindig is. Tijdens de Apollo-missies duurde het een hinderlijke twee secondenvoordat Buzz Aldrin antwoordde en als het ooit lukt om op Mars te geraken wordt iedere dialoog onderbroken door uren radiostilte. “Hoe gaat het daar?”, uren later: “Lekker dank je”. Terwijl wij haar antwoord ontvangen, kan de ruimtevaarster allang dood zijn. Op tweehonderd lichtjaar afstand – Napoleons tijd -leeft allang niemand meer!

Maar nog dramatischer: wat ik nu, op dit moment zie, is al geschiedenis! Ik zie mijn geliefde zoals zij een miljardste seconde geleden was, als ik haar op drie meter afstand zie. Pas na verloop van die tijd probeer ik degeen die zij is te construeren, doordat ik over betekenissen beschik die via mijn taal worden gedacht.  Welbeschouwd, is mijn unieke tragische lot, dat alleen IK dat geavanceerde punt ben van waaruit de tijd ontstaat! Als zij zegt dat dat toch ook voor háár geldt, dan is dat geschiedenis: een tienmiljardste seconde, toen zij mij wilde kussen.

Alleen IK maakonvoltooid verleden tijd…!

Even in de toekomst kijkend: volgende week dinsdag verschijnt deel zes in de serie mini-essays van Onwijsgeer. De eerste vijf staan verzameld onder categorieën (zie de links rechts)

Het dunkt in mij

“Bijna alles is betwijfelbaar, maar er zijn dingen die ik zeker weet!”
“Wat zoal?”
“Nou, ik weet zeker dat dit mijn hand is”.
“Weet je zeker dat je dat weten van jou hier goed toepast?”
“Hoezo?”
“Nou weten hoort bij twijfel, maar hier is het godsonmogelijk om te twijfelen.”
“Dus weet ik het zeker!”.
“Nee je gebruikt hier weten verkeerd!”.

Taal is een collectief instrument; iedereen kan waarnemen hoe u taal gebruikt en wat uw expressie is. Stel, we belanden in een taalspel type ‘overleggen wat we waarnemen’. U zegt: “Kijk, een Gauguin”. Ik twijfel en zeg: “Lijkt meer een Rousseau”. Oplossing: we raadplegen een schilderkunstboek.

Met uw ‘zeker weten’ simuleert u onbewust eenzelfde type spel. Ik word verleid om ongelovige Thomas te spelen, maar eigenlijk geeft u mij simpelweg geen criterium waarbij twijfel mogelijk is. En toch doet u voorkomen alsof er van een doodnormale weerlegbare waarnemening sprake is.

Het ontmaskeren van taaldwaalwegen is eigenlijk de enige taak die de postmoderne filosofie nog rest. Filosofische problemen ontstaan pas als de taal op vakantie is. De Middeleeuwse Scholastiek was berucht om haar godsbewijzen die op niet goed uitgespeelde taalspelen wijzen. Aristotelische syllogismen vormden de leidraad voor onzin als: “Alles wat machtig is, is vet. God is machtig, dus God is vet”.

Zo stelt de filosofie sinds Descartes dat u over het bestaan van alles en nog wat kunt twijfelen maar niet aan het feit dat u degeen bent die twijfelt. U bent een bewust ik, een subject met een inwendig theatertje waarin de wereld zich voor uw geestesoog ontrolt en waarin uw twijfel zich ongetwijfeld heeft genesteld. Toch is die filosofie niet zozeer gestrand op inhoud, maar op het inzicht dat de taal zelf ons hier een loer draait.

U beweert een geest te hebben, bezield te zijn, maar het enige wat ik kan waarnemen zijn uw gebaren, uw spreken. Niet schrikken nu, maar het zijn onze taalhandelingen waarmee we onophoudelijk acteren, die als merkwaardig bijeffect ons het idee geven over een bewustzijn, een ik, te beschikken. Natuurlijk, we hebben allemaal aantoonbaar een brein, maar daar ‘zetelt’ helemaal geen bewustzijn, geen ik. Dat idee wordt ons heel vilein door de schijnbare taalspellogica ingefluisterd. We lijken veel meer op computers, aangesloten op een netwerk van sociale interactie. Een effectvan dat interactief aangesloten zijn, is dat zich bewustzijn, identiteit, een ik in ons vormt. Het dunkt in ons…..!

 De eerdere dinsdagse mini-essays van Onwijsgeer vindt u (durf ik te beweren) onder Categorieën

De regels van het taalspel

“Gedachten heb je en als je die aan iemand wil meedelen, ‘vertaal’ je ze simpelweg. De ander vertaalt het gehoorde terug en voilà; zij heeft jouw gedachten begrepen”.

In zo’n mentalistische voorstelling van zaken, die vanaf Locke tot vandaag (Fodor, Chomsky) opgeld doet, is ieder afzonderlijk mens gevuld met een natuurlijke denktaal, met ideeën of een aangeboren grammatica-machientje. Wat zinneprikkeling, beetje conceptueel denken en hup, je brengt je gedachten letterlijk in je (aangeleerde) moedertaal onder woorden.***

Hoe nu dergelijke betekenisconcepten als ‘innate ideas‘ gelijkaardig geplant zijn in ieder mens – je hoeft ze immers alleen maar te vertalen -, is raadselachtigen filosofisch moeilijk verdedigbaar. In die optiek beschik je over concepten zoals iemand lichaamsdelen heeft, er gemakshalve aan voorbijgaand dat je voor zo’n gedachte weer precies taal gebruikt waarmee je dat wil aantonen …. Taal is je altijd een slag voor!

Ludwig Wittgenstein is de grondlegger van de ‘talige wending’ in de filosofie. Hij had twee, onderling moeilijk uitwisselbare filosofieën. In zijn Tractatus Logico Philosophicus, toont taal op het diepste, ‘atomaire’ niveau betekenis als afbeelding van de werkelijkheid. Later ‘bekeerde’ hij zich met een serie diepzinnige aforismen; de Philosophische Untersuchungen die een complete, nog steeds gaande revolte teweeg brachten in de westerse filosofie.

Betekenissen zijn niet conceptueel aangeboren. Ze ontstaan in een praktijk van taalspelen; een soort toneelstukjes, vergelijkbaar met het vlooien bij apen. Er zijn er talloze en ze veranderen vaak bij culturele conventie: een kind aanwijzend woordjes leren, bevelen geven, moppen of sprookjes vertellen, enzovoort. Ze lijken op gewone spelen zoals schaken of voetballen; binnen een spelsituatie, wordt de betekenis duidelijk. Een buitenspelval opentrekken is echter een betekenisloze zet binnen het schaakspel. Als een politieagente al verbaliserend ineens een kek dansje maakt, speelt zij niet volgens de verbaliseerspelregels en stuit zij op terecht onbegrip bij die man wiens achterlichtje niet brandt (mogelijk dat beiden later in een ander, sm-achtig spel belanden waarin andere betekenis oplaait).

Er zijn spelregels, conventies, maar het verschil met gewone spelen is dat de regels niet vooraf vastliggen in het taalhandelingsspel. Dan zou je immers weer in de discussie van de eerste alinea terechtkomen: waarom kent iedereen de regels; zijn die soms aangeboren? Nee, het is eerder zoals kleine kinderen spelen: maak de regels terwijl je speelt; onderlinge acceptatie daarvan toont de betekenis! Iemand die begrepen wordt, geluid produceert dat als betekenisvol  wordt geïnterpreteerd, is een competente, op de juiste wijze aangesloten speler in het netwerk dat betekenis genereert.

*** De eerdere gastbijdragen van Onwijsgeer staan vanaf heden in de gelijknamige Categorie   

.

Apollo en Dionysos

Nietzsche stelt twee bronnen waartoe artistieke inspiratie herleidbaar is: de apollinische droom en de dionysische roes. In de voorsokratische mythe wordt Apollo vaak geassocieerd met kunst, schoonheid en harmonie,terwijl de duistere Dionysos woeste vitaliteit, chaos, dronkenschap en liederlijkheid symboliseert.**

Nietzsche’s originele kritiek bestaat hieruit dat hij deze polariteit over een tijdsspanne van 2500 jaar cultuurhistorisch interpreteert. Zijn vraag is waarom in onze maatschappij Dionysos zozeer is geketend ten gunste van Apollo.

Dromend lijkt de tijd irrelevant en het verstilde droombeelddat verschijnt, veronderstelt ruimtelijkheid; om een beeld kun je heenlopen. Maar daarmee is het vermogen tot differentiëren al voorondersteld; er is een observerend ik dat hier staat en een beeld dat dáár staat. Nietzsche stelt dan ook vast dat naast de gemelde kwaliteiten aan Apollo ook het (scholastische) principium individuationis toevalt: het bestaan van de individuele dingen doordat de onderscheidende mens er is. Daarin werkt Apollo organiserend en werktuig bij uitstek is taal; daarmee geven wij de dingen hun ordening en betekenis. Uiteindelijk staan ook technologie en onze maatschappelijke orde aan Apollo’s kant. De muzen tonen deze harmonische orde in de schone kunsten.

Maar in Dionysos streeft de mens vergetelheid na, ontloopt hij verantwoordelijkheid voor het “hoeden der dingen”, omarmt hij de dierlijke gruwelijkheid en wordt hij één met het allesomvattende Zijn. Inderdaad, dat bereikt hij in de roes, dronkenschap, drugs, wellusten uiteindelijk in de dood. Nu is ruimtelijkheid irrelevant en de taalloze (sprakeloze) dionysische mens geeft zich volledig over aan de tirannieke tijd (Dionysos’ grootvader is Kronos). Nu wordt duidelijk waarom muziek als kunstvorm aan Dionysos’ zijde staat en niet een vorm van taal betreft. Ritmiek heeft alles met tijd temaken; een melodie moet zich in de tijd ontvouwen, onafwendbaar, woest en dreigend als het noodlot, zoals in Stravinski’s Sacre du Printemps.

Nietzsche ziet dat in onze wereld Dionysos is getemd; hij is in onacceptabel-burgerlijke hoeveelheden apollinisch aangelengd. Natuurlijk, er is apollonische muziek, (Bach, Pärt, muzak) en er zijn dionysische elementen in ruimtelijke kunst (Jeroen Bosch, Appel). Maar de eerste wetenschappelijke mens -Sokrates – heeft de bijl gelegd aan de dionysische wortel, gretig door het christendom overgenomen. Nietzsche (en Wagner) wilden deze hypocrisie te lijfgaan, Dionysos terughalen; de kunstzinnige mythe weer maatschappelijk centraal stellen zoals in het voorsokratische Griekenland. Misschien naïef en nogal verkeerd begrepen door de Hitlers en Stalins onder ons. Blijkbaar wordt de kunstzinnige mens ook anderszins dan door ruimte en tijd gemanipuleerd.

** Dit is deel 2 van een negendelige serie mini-essays, waarin RaDa’s huisfilosoof Onwijsgeer ons bijpraat over ideeën van de grootste westerse denkers sinds Thales. Deel 1 verscheen op dinsdag 19 februari.