Retourneren

Gisteren schreef ik dat ik de jeugd maar sporadisch benijd. Dat klonk misschien zelfingenomen? Wat ik vooral bedoelde was dat ik (als me de gelegenheid werd geboden in een tijdmachine te stappen voor een enkele reis) niet gretig terug zou keren naar mijn tien-, twintig-, of dertigjarige zelf. Tegenover het geleidelijke verlies aan snelheid en energie door de jaren staan de voordelen van de traagheid en de afgenomen onrust.

Het enige onoverkomelijke verlies zijn de mensen die je mettertijd ontvallen. Een vriendin die de dertig niet haalde. Een vriend die al op zijn vijftigste stierf aan een hartaanval. Mijn vader, die 89 werd en wiens dood we aan zagen komen. Kort daarna, ook in 2011, overleed, wél onverwacht, mijn drie jaar jongere broer.

Ze zijn weg en ze zijn niet weg. Er resten herinneringen en aandenkens. Die vriend vertrok een paar jaar voor zijn dood naar Frankrijk en ik kocht zijn huis. Hij liet veel achter. De tafel waaraan ik dit schrijf, was zijn eettafel. En als ik opkijk van het toetsenbord zie ik boven de schoorsteen een schilderij hangen dat mijn broer maakte.

De meeste memorabilia bewaar je opgeborgen in dozen, albums, ordners. Je ziet zo’n verzameling als afgesloten. Je haalt ze tevoorschijn als de stemming daar naar is en verwacht niet dat er nog iets aan wordt toegevoegd. Toch is dat wat ons van de week overkwam. Sylvia wilde haar bibliotheekboeken retourneren en bladerde ze voor de zekerheid nog even door op gelegenheidsbladwijzers – bankbiljetten, krabbeltjes met ingevingen, telefoonnummers? In Verhalen van lust en liefde van Herman Pieter de Boer (leuk boek!) vond ze een bonnetje van de uitleenbalie. Niet van haarzelf.

janbon

“Wat waren de intialen van Jan?” J.P.L. Dezelfde initialen als op de bon, uitgegeven bij ‘Terminal: Uitleen bij wenteltrap’ op 9 december 2010. Ik weet niet hoe veel bonnetjes van mijn broer er nog door de wereld slingeren, maar dat doet er ook niet toe. Voor ons was dit het soort toeval waar je zo dankbaar voor bent dat je het liever niet probeert te beredeneren of aan statistisch onderzoek onderwerpt.

Behalve Herman Pieter de Boer las hij ook ‘Emil Nolde Pionier van…’, barcode 32300009910080. Pionier van het expressionisme is de volledige titel (Google zij geprezen! Wat fijn dat je dat zo snel vindt). Met een paar muisklikken riep ik de ‘Nolde/afbeeldingen’ op en het scherm vulde zich met vulkanische kleurenstromen, zoals hieronder in Herfstzee. Ik kijk op naar de schoorsteen en weet nu bij wie mijn broer inspiratie haalde.

herfstzee3

In Uitdragerij schreef ik over de afwegingen van praktische en emotionele aard bij het leeghalen van mijn broers woning. Destijds hebben we heel allerlei paperassen en bonnetjes weggegooid. Maar dit unieke exemplaar zullen we koesteren. Het zit in een stijve witte envelop en gaat binnenkort naar mijn moeder. 

Terug naar Landsmeer?

In 2011 overleed mijn broer aan een hersenbeschadiging. Ik beschreef hier de tegenstrijdige emoties die zijn donorschap met zich meebracht nadat de beademing was afgesloten. Enerzijds wil je met je gedachten onverdeeld bij je broer zijn, elke minuut dat hij nog ademt; anderzijds werden we ons naarmate de tijd verstreek steeds sterker bewust van de dalende kansen van mogelijke ontvangers van zijn organen, van wie sommigen al in het ziekenhuis aanwezig.

Dood doet leven, noemde ik het stukje, want uiteindelijk kregen we bericht dat de nieren, eilandjes van Langerhans en longen waren gebruikt voor implantaties. Mijn moeder kreeg later een aangrijpende brief van de longdrager, die in zijn formulering precies het juiste midden had weten te treffen tussen zijn eigen herkregen levensvreugde en het besef dat die alleen kon bestaan door andermans verlies. Die brief deed ons goed.

Deze week bezag ik een transplantatie vanuit het omgekeerde perspectief. Het gaat om een van mijn beste vrienden, ongeveer even oud als ik. Voor wie een idee wil krijgen, ik schreef over hem in De natste dag. Toen wisten we nog niet dat hij longfibrose had, een chronische aandoening die allengs verergerde. In Loper in Ruste memoreerde ik hoe we samen onbedoeld een flink stuk liepen ondanks dat zijn longcapaciteit nog maar 20% was. Die wandeling was voor mij een buitengewone ervaring.

Wat begon als ‘een frisse neus halen’ werd zonder dat we er erg in hadden een heuse wandeling van een paar kilometer in de buurt van Landsmeer. We schuifelden langs de berm, dreutelden langs de rietkragen, treuzelden zonder reden en toen bespeurde ik iets opmerkelijks: niet alleen de zintuigen zogen zich vol bij dit ongewone tempo; ook het contact werd er intensiever door. Onze woorden hadden ineens geen haast meer.

De afgelopen maanden doorstond hij op de IC een hevige crisis, mocht weer naar huis en wachtte vervolgens op een dubbelzijdige longtransplantatie, die echter maar niet kwam. Dinsdag probeerde ik hem te bellenmailensms-en en werd uiteindelijk teruggebeld door zijn vrouw. Maar niet uit Amsterdam. Nadat hij opnieuw onwel was geworden, was hij in allerijl overgebracht naar Groningen. Ai. Zij was daar nu ook. “En hij wordt nu geopereerd.” NU?!? De operatie stond voor twintig uur in de boeken. Hij was onder narcose, en zij was veroordeeld tot urenlange onzekerheid.

De volgende dag belde ze weer. De operatie was geslaagd en had uiteindelijk ‘maar’ acht uur geduurd. De eerste tekenen waren gunstig, maar… ja… natuurlijk, ja… nee… het is te vroeg om te juichen, maar er is in ieder geval hoop. Hoop op herstel, en wie weet, over een paar maanden een feestelijke reprise van onze wandeling naar Landsmeer?

Jongleren

Gisteren vierden we de verjaardag van mijn moeder en afgelopen zondag stierf mijn schoonvader. Bij de begroeting gisteren werden gelukwensen en condoleances in een adem uitgesproken. ‘Ja, jullie ook van harte gejongleerd’, zei ik op een gegeven moment.

Het was een rare, drukke week, met meer indrukken en emoties dan je normaal in twee maanden te verstouwen krijgt. Die zullen me nog wel een tijdje door het hoofd spoken.

Hier wil ik alleen even stilstaan bij twee oersterke vrouwen. Mijn verbazing en bewondering uiten. Die van eenentachtig jaar verpleegde haar bedlegerige man een jaar lang tot de laatste snik. Met oneindige tederheid, in het volle besef van het nare einde dat hem wachtte. Ze voerde hem met muizenhapjes het vegetarische eten dat ze speciaal voor hem bereidde, runde een huisapotheek, en deed met ijzeren wilskracht ook het zware werk, het vieze werk. Was een gevangene in eigen huis, van haar eigen plichtsbesef – haar enige verzetjes waren de legpuzzels en de Volkskrantcrypto, en dat terwijl ze eigenlijk niets liever doet dan stevige wandelingen maken in de vrije natuur.

Mijn eigen moeder werd 86 en kreeg gisteren een i-Pad voor haar verjaardag. In plaats van direct te kraaien dat ze dat als hoogbejaarde toch nooit onder de knie zou krijgen, liet ze zich rustig voorlichten door mijn broer, toetste onderzoekend op tabje zus en app-je zo. En het scherm, waarmee moest je dat reinigen, wist hij dat ook? Ze verheugt zich op de spoedcursus die haar kleinkinderen haar hebben beloofd en op het facetimen.

Als ik aan mijn moeder denk, denk ik aan Bottesini. “Boccherini?” vroeg ik toen ze twee jaar geleden glunderde over die nieuwe componist waar ze vol van was. Nee-eee, Bottesini. Ze wist het zeker. Concert voor contrabas. Juist ja. Inmiddels draai ik het veelvuldig.

Alleen in een bipolaire week als deze kom je op zo’n idee: op een rijtje zetten wat die twee vrouwen allemaal voor hun kiezen hebben gekregen sinds respectievelijk 1927 en 1931. En dan kun je je alleen maar verwonderen. Over zoveel kracht, veerkracht, incasseringsvermogen, weerbaarheid.

En je verheugen.

Zonder december?

Maandag Ik tel de pilletjes die ik slik. Vier tramadol, acht paracetamolletjes (Ursula en ik noemen het molletjes), dat is twaalf. Dan nog een handjevol voedingssupplementen en vitamines. Per dag vijfentwintig, per jaar kom ik zo op 9.125.(…)

Zaterdag Heerlijk op bed gelegen. Eerst de verdoving geslikt, daarna lag ik bijna pijnloos en volstrekt ontspannen in bed. Ik droomde van een verre reis op een vliegend tapijt met een erg mooi meisje en voelde me gelukkig. Als de dood zo is, wil ik best dood.

Bovenstaande dagboekfragmentjes stonden bij een prachtig Next-interviewdat Brigit Kooijman maakte met een vriend van Sylvia en mij, de Utrechtse antiquaar Hans Engberts van Hinderickx en Winderickx. Het verscheen op 16 september en Hans had kort daarvoor te horen gekregen dat de tumor in zijn luchtwegen zich had uitgezaaid. De doktoren hadden hem nog twee maanden in het vooruitzicht gesteld. Vanochtend hoorden wij dat hij is overleden.

Ben ik morbide, vroeg ik me af in mijn vorige logje, hoewel ik antwoord ken. Nee, allerminst. Maar ik weet niet wat het is met 2011… death is in the air. De een na de ander. Meer begrafenissen dan verjaarsfeestjes.

Het lot heeft geen geheugen, zei iemand vorige week tegen me en zo is het. Ik vat al die misère dan ook niet persoonlijk op (er zijn er in mijn omgeving die veel zwaarder worden getroffen), maar wat mij betreft slaan we december over en beginnen we zo snel mogelijk aan 2012.

Uitdragerij

Even wrikken met een priem, een paar welgemikte tikken met de hamer op de scharnieren en dan de genadetrap… de meeste kasten en tafeltjes bieden weinig weerstand tegen hun executie. We hebben ze dan ook geselecteerd op krakkemikkigheid – te slecht voor De Schalm, alleen goed voor het grof vuil.

De flat van mijn overleden broer moet leeg en we schiften heel wat af de laatste weken. Foto’s worden natuurlijk bewaard, evenals zijn schilderijen en zaken van emotionele waarde. Sommige grotere artikelen waren snel weg. Ik wilde de fiets graag. Voor de nieuwe wasmachine en de koelkast hadden we gauw een afnemer. Vrienden van hem hebben rondgeneusd en vonden het een en ander van hun gading, als aandenken of voor eigen gebruik.

En wat blijft er dan nog veel over… Bij elk afzonderlijk voorwerp stellen we dezelfde multiple choicevraag. Er zijn vijf antwoorden: koesteren – nog even bewaren – naar De Schalm – in de afvalcontainer – bij het grof vuil. Het zou misschien eerbiediger voelen als we deze afwegingen nog een tijdje konden uitstellen, maar de huur moet opgezegd en de dilemma’s blijven per slot van rekening dezelfde.

Zijn CD’s? We hebben er weinig mee en sparen er een tiental, uit piëteit. Boeken idem. Contactlenzen? Weggooien. Een verwrongen montuur met één glas, het andere los in de brillenkoker? Dat ligt persoonlijker, daar kleeft zijn pech nog aan… voorlopig bewaren. Je rug droogwrijven met handdoeken van iemand anders, al is het je eigen broer? Niemand popelt. Is er nog een liefhebber voor een aangebroken zak muesli? Op zich nog wel te eten? Nee…? Een aangebroken verpakking paracetamol? Eenmaal, andermaal…?

Mijn broer had het niet breed en dat maakt het moeilijker zijn huisraad af te danken. Alsof je je verwende neus ophaalt voor zijn levensstijl. Maar ook wie financieel krap zit, vergaart door de jaren heen een karrenvracht bezittingen die je aan niemand meer kunt slijten. Ballast, clutter. Een vettige föhn, een handmixer uit het jaar nul, aangekoekte bakblikken, een fletse schemerlamp, de matras. ‘Ouwe meuk’ is het beste wat je ervan kunt zeggen.

In Peter Ackroyds Foundations stuitte ik vandaag op een passage over de schamele eigendommen van de modale middeleeuwer, die niets weggooide of verspilde. Die in zijn lemen hut eindeloos oplapte, naaide, opkalefaterde, lijmde. De gebarsten kruik, het gerafelde wambuis en de lekkende koperen kom kregen een tweede of derde leven. Stoelen en krukken golden als luxe. Zulke armoede zou ons vandaag goed van pas zijn gekomen.

Wij ploeteren over de gaanderij met de wrakstukken van het meubilair, dalen 45 treden af en stampen beneden onze aanhanger vol. Na een tijdje krijgen we tegenliggers in het trappenhuis – jongens in zweterige T-shirts die een vriendin helpen verhuizen. De dozen blijven komen, dozen vol onmisbare en misbare spullen, spullen die weer andere spullen hebben achtergelaten, spullen die niet goed genoeg werden bevonden.

De goederentreintjes puffen af en aan. Zij bouwen op, wij bouwen af. Een beetje verdrietig word ik ervan. Hoewel, ik denk dat ik dat eigenlijk al was.

Dood doet leven

Liever geen condoleances enz. als reactie op dit stukje. Ik plaats het hier als persoonlijke herinnering en omdat het een aantal aspecten van het donorschap aanstipt waarbij ik nooit had stilgestaan.

De artsen van het VU Medisch Centrum hadden ons geen enkele illusie gelaten: de hersenbeschadigingen die mijn broer (55 jaar) had opgelopen waren dusdanig ernstig dat er niets meer voor hem kon worden gedaan.

Hij had epilepsie en viel vaker flauw, zonder dat hij het voelde aankomen. We hielden er al zijn hele leven rekening mee dat het een keer slecht af zou kunnen lopen. Bij de noodlottige val van gisteren was er niemand in de buurt geweest en de ondergrond was van beton. Niemand had hem meer bij bewustzijn gezien.

Nu, de avond na die fatale toeval, waren wij met de familie bijeen om getuige te zijn van zijn laatste ogenblikken. Er restte ons slechts berusting. De beademing was zojuist stopgezet en het zou een kwestie zijn van luttele uren. Afgezien van een lelijke zwelling rond zijn rechteroog en een schram op zijn wang bood mijn broer een tamelijk gewone aanblik. Hij ademde nu op eigen kracht, moeizaam weliswaar, maar erg akelig om te zien was het niet. En we waren snel gewend geraakt aan de batterij slangen die hem verbond met de apparatuur die zijn leven kunstmatig had gerekt.

Wij spraken weinig, staarden naar de groene golfjes die over de monitor kabbelden en die 24 uur eerder al zouden zijn gaan liggen als mijn broer geen donorcodicil had gedragen. In het afgelopen etmaal was koortsachtig gezocht naar ontvangers voor zijn bruikbare organen. De logistiek was verbluffend. Geschikte kandidaten waren ingevlogen uit plaatsen her en der in het land en lagen nu gereed in operatiekamers een paar gangen verderop – ook de Fries die op de valreep de voorkeur had gekregen boven de man uit Maastricht, die reeds ter plekke was en nu weer per helicopter werd afgevoerd.

Ons hele schema was daardoor een uur opgeschoven: de beademingsmachine werd niet om 10 uur uitgeschakeld maar om 11 uur. Mijn broer had een uur extra gekregen, al had hij er geen weet van.

Alles werd ons steeds keurig uitgelegd, met professioneel inlevingsvermogen. We hadden er vrede mee dat hij prompt na het vaststellen van de dood zou worden doorgeschoven naar de leidster van het transplantatieteam, met wie we al hadden kennisgemaakt. Met haar engelachtig blonde haar en haast modieuze lichtblauwe operatiepakje zag ze er gezonder en vitaler uit dan onder de omstandigheden gepast leek – alsof sterfelijkheid op haar nooit vat zou krijgen.

De taakverdeling lag vast. “Ik ben de behandelend arts van deze patient,” had de dokter op de Intensive Care ons verzekerd.”Ik doe wat goed is voor hem.” Zijn toon boezemde vertrouwen in. Wanneer mijn broer even trilde of rochelde, bespeelde hij vaardig het mengpaneel, paste de medicijnencocktail aan en als na een riedeltje bliepjes de kalmte was teruggekeerd, knikte iedereen tevreden.

Wij staarden naar mijn broer, staarden naar de golfjes, maar naarmate de minuten verstreken werden we ons sterker bewust van een tegenstrijdigheid. Er is een grens aan de houdbaarheid van organen. Als het ademen langer dan een uur doorging, vielen de longen en de lever af, zo wisten we; na twee uur zouden ook nieren en alvleesklier niet meer te gebruiken zijn.

Het wrong. Behalve bij het sterven van mijn broer waren we in gedachten ook bij de families in wachtkamertjes in hetzelfde gebouw, die hoopvol gestemd naar Amsterdam waren afgereisd. Een snel einde betekende voor hen een nieuw begin. Tegelijk voelde het verkeerd te hopen dat het binnen een uur met mijn broer gedaan zou zijn, zelfs al wisten we dat de kans nihil was dat hij ons ooit nog een glimp van herkenning zou schenken, of een glimlach.

De leverpatiënt wachtte een ontgoocheling, beseften we na 60 minuten, en hetzelfde gold voor de longpatiënt. Die twee zouden onverrichterzake teruggaan. Ja, die broer van mij was een taaie. Zijn golfjes kabbelden onaangedaan door, nog een vol kwartier.

Daarna werden wij in een apart kamertje alleen gelaten met ons verdriet. We dronken thee met een scheutje whisky. Als er iemand over de gang liep maakten we wrange grapjes. Ging daar een nier op een dienblaadje naar zijn nieuwe eigenaar?

De volgende dag belde het ziekenhuis mijn moeder, volgens afspraak. Bij twee gelukkigen was een nier geïmplanteerd en de eilandjes van Langerhans waren ook goed. En er was een bonus: de longen. Die waren in zo’n goede conditie dat ze dat extra kwartier hadden ‘overleefd’. Die zouden met wat geluk nog iemand in staat stellen tegen een helling op te fietsen of uit volle borst een smartlap te zingen.

Weliswaar niet mijn broer, maar toch… het maakte een bittere week een tikkeltje zoeter.

Sans everything

Er was daar een tijdlang een vrouw die haar eigen taal had, eindeloze, zangerige variaties op “oeriekoemi, mokoboeri, rikoeriemi.” Ze keek je vriendelijk en indringend aan met grote bruine ogen en nam het je nooit kwalijk als je het antwoord schuldig bleef.

Een vrouw die rondreed in een rolstoel koesterde altijd een grote, kale pop aan haar boezem. Er was de man die Schubert en Chopin speelde op de piano en joviaal verzoeknummers inwilligde, dan was van zijn dementie niks te merken. Een vrouw zocht de hele dag haar vader, jammerde, smeekte om hem. “Vader, vaaa-der, váááá-dertje, wanneer kom je nou? Vaaa-der, laat me niet alleen!”

Er was de mooie, aristocratisch uitziende dame met de dubbele naam, die met een stralende glimlach alles beaamde wat je zei. Na een paar maanden had ze alleen twee voortanden over, haar gelaat vergrauwde en daarna verging het haar als iedereen daar. Ze eindigde, zoals Shakespeare schrijft, in ‘second childishness and mere oblivion /Sans teeth, sans eyes, sans taste, sans everything’.

De vrouw die steeds de slappe lach kreeg, de vrouw die eens nijdig een glas sap naar mijn hoofd smeet, de vragers, de klagers, de vloekers, de zoekers naar de uitgang, de hulpeloze aanrakers, de frunnikers, de doffe staarders – ze verzwakten verder, verschrompelden, verdwenen uit beeld. Na verloop van tijd besefte ik dat ze er echt niet meer waren, of ze waren er niet meer zonder dat ik het besefte.

In het begin vond ik het er vreselijk: de onverdrijfbare geur van bederf en antisepticum, de uitzichtloosheid en mijn vader die van alles wilde wat niet kon, wat niet mocht, die tevergeefs zijn paspoort zocht of zijn vroegere ondergeschikten.

Later leed hij niet meer, en naarmate de Alzheimer meer herinneringen wegvrat, brak er een vriendelijkheid door die er altijd wel was geweest, maar voorheen moest concurreren met verantwoordelijkheden en plichten.

Voor mij was elk bezoek, prettig of naar, een memento mori. Het zette me aan het denken over de mens, over zijn raadselachtige drijfveren en noden, over zijn broosheid en uithoudingsvermogen, over zijn waardigheid en het verlies daarvan.

Maandag was ik er voor de laatste keer, met mijn familie. Het was voorbij, we zaten diep in de nacht in een lege zaal, wachtten tot we mijn vader nog één keer mochten zien, in zijn deftigste pak.

Er scharrelde een vrouw in nachtpon langs met haar rollator, ze leek ons clubje niet te zien. Een man in een wit hemdje en een luier platvoette naar het toilet, het klonk of hij zwemvliezen droeg. Hij liet de deur open en deed met vrolijk geklater een plas.

“Weet je, het klinkt gek,” zei mijn zus, “maar ik ga dit nog missen.”

Ik was dus niet de enige.

P.S. Ik heb de stukjes over het verpleegtehuis war mijn vader meer dan vijf jaar zat, verzameld in de categorie Op bezoek.

Nieuwe gezichten

Hij heeft goede dagen en slechte dagen, humeur en energie van mijn demente vader schommelen sterk. Hij zal mij nooit meer herkennen, maar op de goede dagen breit hij welwillend woordjes aan elkaar tot onbegrijpelijke zinsflarden; dan kan alles wat ik zeg of vraag rekenen op een glunderend ‘ja’ of ‘yes, yes yes!’

Onlangs had hij een slechte dag. Toen we aankwamen, leek het of hij zat te bidden – handen gevouwen, de blik op het plafond gericht. We gaven hem even om aan ons gezelschap te wennen maar zijn ogen bleven lusteloos. Als we voorzichtig iets opperden, keek hij expressieloos dwars door ons heen. We bestonden niet.

Achter ons had een oude vrouw de slappe lach. Ze zat alleen op een bankje. Het lachen ging minutenlang door. Bij mijn vorige bezoek had ze het ook. Het kwam ons niet ongelegen, nu mijn vader zo onbereikbaar was. Het geschater werkte zelfs aanstekelijk, en we vroegen ons af bij welk komische herinnering de naald in de groef was blijven steken. Pas toen iemand haar een bonbon kwam presenteren, viel ze stil.

Een verpleegster kwam mijn vader een lepeltje pillen toedienen. Hij stribbelde eerst tegen, slikte toen toch. Maar ja, het was een slechte dag. Hij trok een vies gezicht. Een van de pillen was niet meegegleden met de rest en die had hij kennelijk stukgebeten. ‘Bitter in de mond maakt het hartje gezond’, zei hij thuis wel eens tegen spruitjesweigeraars, maar dit was anders.

Wat volgde leek wel een auditie voor de toneelschool. Hij trok de ene malle kop na het andere, zonder enige remming. Paniekerig opengesperde mond, van afgrijzen toegeknepen ogen, dubbelgrote neusgaten, zigzaggende wenkbrauwen, de grimassen volgden elkaar in hoog tempo op. Zo had ik hem nog nooit gezien. Hij was altijd een man die zijn gezicht het liefst in de plooi hield. Misschien had het daarmee te maken dat ik achteraf gek genoeg een beetje blij was met al die nieuwe gezichtsuitdrukkingen die ik van hem had gezien.

Intussen moest er wel wat gebeuren. De verpleegster probeerde hem een glas water aan te reiken tegen de vieze smaak. “Nee, ga weg!”grauwde hij. “Weg!”

Hij vertrouwde geen mens meer, dat was duidelijk.

Zo gaat dat op een slechte dag.


Geen grijze haren

In de grote gezelschapsruimte zit hij nooit; we probeerden zoals altijd eerst het kleinere zaaltje met de volière en toen mijn vader daar niet zat, liepen we door naar het andere, dat wordt gedomineerd door een kloek breedbeeldscherm.

Hé… Zou hij ziek zijn? Of door iemand meegnomen naar de cafetaria? We drentelden nog maar heel even besluiteloos tussen de twee deuropeningen, toen er een verpleegster langskwam met een scherp inzicht in de menselijke perceptie.

“Uw vader draagt vandaag een hoed.”

En zo was het. Hij zat aan een tafeltje met zijn rug naar ons toe, het pluizige grijze haar bedekt. We begroetten hem en zagen meteen dat de stemming goed was (dat is soms anders).

“Zo, heb je een hoed?”

“Jaaaa, jaaaah, jaa-aaah!” kraaide hij. “Wir machen es gut!”

Sinds hij dement werd, heeft hij een vreemde voorkeur ontwikkeld voor Engels en Duits – talen die hij matig beheerst, maar die kennelijk even makkelijk voor het grijpen liggen als het Nederlands.

Hij had duidelijk zijn dag. Toen de man tegenover ons aan de tafel zei dat hij uit Bloemendaal kwam, brak mijn vader prompt in in het gesprek: “Ik kom uit Amsterdam!”

Ik ben altijd blij als hij iets zegt dat klopt, of dat ik kan begrijpen en gisteren was dat vaker het geval dan anders. Het was of hij een geheimzinnige kracht ontleende aan zijn nieuwe hoofddeksel.

Hij is nooit een echte hoedendrager geweest. Ik vroeg aan de verpleegsters hoe hij eraan kwam, maar beiden bleven het antwoord schuldig. Ik had er vrede mee.

Ik heb een vader met een hoed, al kan bij het volgende bezoek alles natuurlijk weer heel anders zijn.

Meer over het tehuis in categorie ‘Op bezoek’.

.

Nieuwe bron

Zo’n nieuw jaar gaat weer van alles brengen, dat hou je niet tegen. 2009 had van mij nog lang mogen duren, dat was  een puik  jaar. Van 2010 moet ik het nog maar zien.

We gingen mijn demente vader gelukkig nieuwjaar wensen. Toen we aankwamen, werd hij net gevoerd door een verpleegster. Die vertelde ons ontspannen doorlepelend, dat hij gisteren last had gehad van een oude kwaal. De gezondheidsperikelen waren hem niet aan te zien. Wel ontbrak er een hapje vlees boven een knokkel van zijn linkerhand. Hij was ergens tussengekomen. De wond zag er rauw uit. We zaten goed en wel toen de hele kom soep in zijn schoot kieperde. “Aai, waai…”, zei hij.

We spraken af dat we op hem zouden wachten in het instellingsrestaurant, waar ze hem met schone broek zouden afleveren. Zo’n nieuw jaar gaat van alles brengen, daar was ik eens te meer van doordrongen.

Toen hij terugkwam had hij een spijkerbroek aan. Zonder soepsmurrie, maar ik zie hem niet graag in een spijkerbroek – die droeg hij vroeger nooit. We maakten vriendelijk woordjes tegen elkaar (echt praten is er allang niet meer bij), hij wees ons op iedere Connexxion-bus die langs de Leidsevaart reed. De stemming was goed en het jazzorkestje dat door het gebouw trok, bleef voorlopig nog op veilige afstand.

Toen ze tenslotte toch binnentoeterden, het was de Spaarnetown Jazzband, vreesden we dat het gedaan was met de gemoedelijkheid. Schelle klanken verdraagt hij slecht en hij was toch al nooit zo iemand van hoempahoempa en jolig inhaken.

Een oude vrouw in een rolstoel was achter de muziek aan gereden en sloeg fanatiek de maat, haar gezicht uitdrukkingsloos. Uit de aanwezigen maakten zich twee oudere stellen los, die soepel dansten. Anderen keken gelaten toe.

Bij het eerste applaus sloeg mijn vader mee op de leuning van zijn stoel, glunderend. Bij Sarie Marijs ( ‘die ou Transvaal’) wuifde hij geestdriftig met zijn rechterarm en na afloop roffelde hij weer op die leuning. Wij keken elkaar aan. Er was ergens een diepe vreugdebron aangeboord waarvan wij het bestaan niet hadden vermoed.

Ja, ook dat is 2010!

pa