Breinklaar

Nou dat weer! Alsof het leven nog niet gecompliceerd genoeg is voor een eenvoudige blogger… Al bijna acht jaar voel ik me tegenover de RaDa-lezers als een jonge moeder met een opgroeiend kindeke. Geef ik ze wel genoeg? Qua aandacht, intellectuele stimulatie, vitamine A(ctualiteit) en H(aarlem), moreel houvast in onzekere tijden? En dat allemaal zonder de blogsnacks, de humorgrapjes en de noodzakelijke verstrooiing te vergeten?

Taaltechnisch daarentegen is het maar net hoe mijn pet staat. De ene keer raaskalk ik manisch door, maar er staan in het archief ook stukjes die aanvankelijk niet wilden glimmen – waar danig op gepoetst is. Met alle poetsgevaren van dien. Je kunt ze in je redactionele ijver ook kapotpoetsen. De gevreesde Schlimmbesserung. Het is een wankel evenwicht, meende ik, onkundig van de nieuwste inzichten.

Moet ik de hele bliksemse boel herschrijven, vroeg ik me af toen ik donderdag de wetenschapspagina van NRC las. Zijn mijn zinnen wel ‘breinklaar’?

Amerikaanse onderzoekers hebben onlangs vastgesteld dat Facebook-zinnetjes beter beklijven dan alles wat via andere geschreven media tot ons komt. Koppen met breaking news, stijlbloempjes van Voltaire, willekeurige zinnen van de CNN-site… ze worden aanmerkelijk slechter onthouden dan de losse flodders & wegwerpteksten die miljoenen Facebookgebruikers dagelijks afscheiden, met dezelfde gedachteloosheid waarmee de hooikoortspatiënt in het pollenseizoen serieel zijn zakdoekjes volsnuit.

Allerlei variabelen werden vergeefs onderzocht om de memorabiliteit van de blog- en Facebookzinnetje zinnetjes te verklaren; uiteindelijk hielden de onderzoekers het op de factor ‘spontaniteit’. Facebookteksten worden geschreven zonder rem: ‘Zo losjes als ze het ene brein verlaten, zo losjes komen ze het andere brein binnen.’

WEES SPONTAAN, het is een paradoxale opdracht die ik mezelf stel, vanaf heden. Want je wilt toch dat de mensen onthouden wat je schrijft. Ik zit niet op Facebook, dus daar kan ik niet oefenen. Maar mochten jullie binnenkort een stijlverandering bespeuren hier – minder weerhaakjes in de alinea’s, een significante afname van het aantal polysyllabische woorden, zinnen die zo naar binnen floepen – floep! – zonder dat je erop hoeft te kauwen, maar die je maanden later nog levendig voor de geest staan, dan heb ik mijn doel bereikt:

Het RaDa is breinklaar.

Ontduitsing

Ik heb een goed voornemen voor 2013 en het komt door wat ik vrijdag in de NRC las. Niemand leest meer Duits. Het klantenbestand van boekhandel Die weiße Rose in A’dam sterft letterlijk uit.

Het zijn van die processen die zich sluipenderwijs voltrekken en waarvan je je met een vaag onbehagen bewust bent. Keuzevermindering, verschraling. Steeds meer inheemse appelrassen verdwijnen, tot er alleen nog maar van die synthetische Granny’s en Golden Delicious in de fruitvakken liggen, met een sober gastoptreden van de goedreinet rond Oudjaar.

Nederlanders lezen geen Duits meer. En ook de Duitse cultuur zal ze worst zijn, daar komt het op neer. Het heeft geen zin ze er individueel op aan te spreken, we doen het met z’n allen (niet): 16 miljoen Nederlanders hebben zoiets van ‘why bother?’ / halen lomp de schouders op/ hebben belangrijker zaken aan hun hoofd / lezen liever een taal zonder naamvallen / vingeren de godganse dag hun touchscreens / hadden op het atheneum les van een sukkel / lezen liever een boek waar ze op verjaardagen met iedereen over kunnen praten, moet je niet met Fallada aan komen zetten/ denken dat anderen Goethe, Sebald en Böll wel voor ze lezen/ usw.

Ik moet bekennen dat ik tamelijk gschokt was door dat interview met Franz Ittlinger van Die weiße Rose. De boekhandel viert met wat geluk in 2014 zijn 25-jarig bestaan – en met een beetje pech wordt dat niet gehaald. De toon van het vraaggesprek is afwisselend mismoedig / das-war-einmal-ig en manmoedig.

Waar het op neerkomt is een teloorgang van kennis en een verlies aan liefde. Kennis die we eerst met z’n allen wel hadden (Mulo-leerlingen van mijn vaders generatie kunnen/konden goed uit de voeten met Duits) en liefde die we hebben laten sloffen. Verlies van liefde, beste Raarlemmers, dat is nooit goed. Dus ik ga morgen een Hansje Brinker doen en dat boek van Michael Kumpfmüller bestellen dat in de krant wordt aangeraden en dat uitgeverij Ambo versmaadt, Die Herrlichkeit des Lebens.

En laten we het maar niet over het Frans hebben. Prijswinnende boekhandel de Vries hier ter stede heeft (of ik moet me erg vergissen) geen fatsoenlijk plankje met Franse literatuur. Misschien dat er in het magazijn een schooluitgave staat van Le Petit Prince of L’Étranger, maar dat is het.

Zo, heb ik mijn goede voornemen voor 2014 ook alvast.

Woordje erbij

Iemand stopte me een kopietje toe van een stukje uit Restletsels: Jeroen Brouwers gebruikt Oek de Jong als boksbal.

De arme Oek – door Brouwers konsekwent aangeduid als Uk – kan geen goed doen: ‘… proza uit de rubberen zak, waar opoe warm water in goot en mee naar bed nam om haar botten warm te houden. (…) Uk als warmteknuffel in het ouwewijvenbed, Uk als voetstoof. Hij met zijn kouwe klassieker.’

Etceterovoort over het dertig jaar oude ‘jurkenepos’. Vermakelijk verbaal geweld, al vraag je je af welk doel zo’n exercitie dient. Ik zou er hier dan ook geen gewag van hebben gemaakt, als ik Brouwers niet zo dankbaar was voor een nieuw woordje.

‘Van Uks rollator kriepen de wieltjes.’

Kriepen!

Op het Grote Boze Wereldwijde Web is het woord dun gezaaid. Van Dale geeft (zoals je al vermoedde) ‘piepen, knerpen’ en de overdrachtelijke betekenis ‘klagen, steunen, kreunen’. Een ‘krieper’ is een kleinzerig iemand.

Mijn oren verkeren sindsdien in een staat van hoogste paraatheid. Ze kunnen niet wachten tot ze hun eerste onvervalste gekriep opvangen. En ik heb me voorgenomen ‘kriepen’ driemaal daags te gebruiken. Anders gaat het net als met ‘kniftig‘, dat is hier thuis helaas toch ook in onbruik geraakt.

Uitje erbij?

Om een PvdA-debat hier ter stede op te luisteren ga ik een dezer dagen een column schrijven over Europa.

Europa, ik woon al mijn hele leven in Europa, hoe moeilijk kan het zijn? Toen ik werd aangezocht twijfelde ik geen moment aan mijn kwalificaties. Komt voor de bakker, die 600 woorden, en daarna moet ik ‘m alleen nog even goed articulerend voorlezen terwijl de aanwezige euro-bollebozen ademloos luisteren.

Alleen hik ik nu ergens tegenaan. Want hoe zeg je eigenlijk ‘Europa’? Hoe spreek je die eerste klinker uit?

De vox populi, de immer verongelijkte man in de straat die een microfoon voor zijn snoet geduwd krijgt, is er snel klaar mee. Die laat ‘m weg. ‘Het is allemaal de schuld van ‘ropa.’ Nederland moet zo snel als het kan uit ROPA. Het is hier in ROPA sowieso niks, liever zou hij wegwezen naar Stralië of Merika, maar ja…

Hij wordt in zijn opvatting gesterkt door Geert Wilders, die er echter een eigen uitspraakvariant op na houdt en neigt naar U-ropa – rijmend op ‘zuur-opa / guur-opa / duur-opa’.

Ik baseer me niet op grootschalig fonetisch onderzoek, maar ik vermoed dat de sprekende meerderheid der Nederlanders (de zwijgende meerderheid is ergens in de jaren tachtig mysterieus verdwenen) het tegenwoordig houdt bij een EU-ropa dat rijmt op ‘zeur-opa’. En sinds de eurocrisis wordt de ‘eu’ wat meer afgeknepen om aan te geven dat we er (om met Diederik Samson te spreken) niet comfortabel mee zijn. De volle, onkritische EU (als in ‘leuk’ en ‘kleur’) klinkt ineens wat te Geert Makkig.

Maar nu mijn probleem: in mijn eigen ‘Europa’ zit een ui-tje. Geen volle, bolle hachee-ui, maar een soupçon van ui, zoals dat in de kookrubrieken heet, door de ‘eu’ heen. Mijn ‘ui’ is minder sterk dan die in ‘therapeut’ of ‘euforie’ (voor de goede orde, de munt noem ik wél EUro).

Ik had er nooi bij stilgestaan, dat uitje zit daar al zo lang ik me herinner. Ik weet niet waar ik het heb opgelopen. Is het pedanterie? Ik ben gymnasiaal belast, het zou kunnen dat ze me op wijlen het Trinititeitslyceum hebben gehersenspoeld.

Even vreesde ik nog dat ik de enige, of laatste ui-zegger van Nederland was, maar toen ik het van de week in gezelschap aankaartte, meldde zich er na enig aarzelen nog een.

Maar die zit er niet mee. Die hoeft niet over twee weken op een podium. Europa, Uiropa, Euiropa, Europa. Hoe vaker ik het zeg, hoe vreemder het mijn strot uit komt.

Europa. Dat wordt kiezen.

 

Meer uitspraakdilemma’s in Auto/oto in de RaDa-categorie Taligheden.

Raaskalken

De huisdichteres, die op de radio graag naar praatprogramma’s luistert, hoorde op één dag twee keer het woord ‘raaskalken’.

Als vergissing of nietbeterweting, want het moet natuurlijk ‘raaskallen’ zijn.

Toch zou ik de mutant ‘raaskalken’ wel een bescheiden carrière in de Nederlandse taal gunnen. Voor schrijven als in een trance, met het verstand op nul, alle remmen los, zo van ‘How do I know what I think until I hear myself saying it?

Maar dan met schrijven…

Zou het trouwens kunnen dat het citaat afkomstig is uit Gentlemen Prefer Blondes van Anita Loos? Ik probeerde het na te trekken, zonder succes, maar daardoor weet ik nu wel dat het verschijnsel in de vakliteratuur bekend staat als ‘the priciple of translocutionarity’.

En voor ‘transscriptionarity‘ hebben we nu dan ‘raaskalken’. Ik hou ‘m er in!

P.S. Voor de taaldieren is er nu een nieuwe RaDa-categorie.

Geschreven spreektaal

“Maar ik ga op zich ga ik wel goed.”

De vrouw fietste me luid telefonerend voorbij en bekommerde zich verder niet om deze taal-disposable die ze zo nonchalant liet slingeren. En ik, ik zat er maar weer mee.

Want als je ‘op zich’ goed gaat, hoe goed ga je dan eigenlijk? Het klinkt voor mij alsof ze verwacht (maar ja, dat onthult ze pas drie straten verder, buiten gehoorsafstand) dat ze – degenen die het altijd voor haar verzieken, de directie, de buren, haar voor- en nageslacht – binnenkort wel weer een misselijke streek met haar uit zullen halen, net nu zij even goed gaat. Of dat ze ‘wel goed’ eigenlijk niet goed genoeg vindt; dat het ‘waanzinnig goed moet gaan’ of desnoods reteslecht, want ‘wel goed’ is ook zo niksig, zo veel mensen gaan wel goed en dat levert niet de beste telefoongesprekken op, dat is zeker.

En ‘ik ga’ goed? Dat is niet hetzelfde als ‘het gaat’ goed. ‘Jij’ kan goed gaan terwijl om je heen de boel in elkaar kachelt.

*****

“Maar ik ga op zich ga ik wel goed.”

Is het al mogelijk om met behulp van een enorme literatuurdatabase onderzoek te doen naar de hier gebruikte constructie? Hij komt veel ‘in het wild’ voor (toen ik achttien was en strenger, kapittelde ik mezelf als ik ‘m per ongeluk gebruikte). Maar wat ik me afvraag is hoeveel professionele dialoogschrijvers hun personages zo’n zin in de mond kunnen leggen.

Dan ben je volgens mij ben je dan een hele grote.

Euro Chamber

De Franse EK-ploeg heeft een speciale koeltecabine mee naar de Oekraïne – niet dat ze collectief cryo-therapie krijgen, maar een kortstondige blootstelling aan extreem lage temperaturen zou het spierherstel bevorderen (zie hier).

Wetenschap in dienst van de topsort, het fenomeen wordt steeds wijdverbreider. Hier in een plantsoen in het Kleverpark stuitte ik achter een omheining op bewijzen van geheime experimenten die vermoedelijk op de oranjeploeg zijn gedaan. Daar trof ik een tiental/ elftal zogenaamde Euro Chambers in diverse maten en soorten. Deze moet van Wesley Sneijder zijn geweest, vermoed ik.

EK-chamber

Het is een soort kruising tussen ruimtecapsule en chemisch toilet. Zou Heitinga in deze hieronder zijn behandeld, of Boulahrouz?

Euro Chamber

Het is pure speculatie, maar mijn theorie is dat de speler binnenin plaatsnam, waarna via de ‘armen’ chemische substanties werden toegevoegd die zelfvertrouwen en spelinzicht bevorderen. De spelers werden hier voorafgaand aan de wedstrijd een paar uur in gemarineerd en geroteerd. Na de wedstrijd tegen Denemarken is waarschijnlijk besloten van de Euro Chamber af te stappen en terug te keren naar de traditionele voorbereidingsmethoden.

“Nee, joh”, zei de huisdichteres,”ze zijn gewoon het riool aan het vernieuwen.” Ik kon het me haast niet voorstellen. Een ondergronds riool? Met poep en smurrie erin? Daar is dat materiaal toch veel te mooi voor?

Au(to)

“Zeg jij ‘auto’ of ‘oto’?” vroeg ik aan de huisdichteres. We zogen en kauwden even op het woord en kwamen er achter dat we het allebei allebei gebruikten.

Volgens Onze Taal was het ooit een standskwestie (‘o’ werd gebezigd in gegoede, Franssprekende kringen, ‘au’ door het autoloze plebs) en is ‘oto’ in onze populistische tijden op zijn retour.

Zouden er ook nog regionale verschillen zijn? Bra- en Limbo’s meer ‘o’ of zo?

Van mezelf weet ik dat ik naar ‘au’ neig als het woord nadruk moet krijgen (bij tegenspraak, etc.) en dat de ‘oto’ wordt weggemoffeld in tussenzinnetjes. Ook de klankomgeving speelt mee: otoloze zondag vind ik geen gehoor.

De huisdichteres maakte een ander, idiosyncratisch onderscheid: haar ‘O-to’ zoeft zachtjes naar zijn bestemming terwijl zij soest op de achterbank; de ‘AU-to’ daarentegen is een ongewenste verschijning – lawaaierig, vies en gevaarlijk.

Wien

Hoe gaat dat met gebruikers van een in onbruik rakend woord?

Zelf gebruik ik ‘wier’ incidenteel nog als betrekkelijk voornaamwoord, maar het moet gezegd, de vanzelfsprekendheid is weg, er sluipt geleidelijk meer schroom in mijn ‘wiers’; ik kan me voorstellen dat ik er over een jaar of dertig in het bejaardentehuis nog mee koketteer bij leuke verpleegsters of bij wijze van verzetsdaad dingen schrijf als ‘de vrouw wier wiet hij kocht speelde net quitte’.

Met een beetje mazzel sluipen er tegen die tijd filologen om mij heen met opnameapparatuur die omstanders tot stilte manen: “Sssst, daar gaat de laatste in het wild levende wier-zegger van het Nederlandse taalgebied!”

Ik kom erop door een lichte genotshuivering die de stads-/huisdichteres opbiechtte toen zij van de week een boek van Anthonie Fokker open sloeg bij deze zin: ‘Generaal  Snijders is zonder twijfel een dergenen van wien niet kan worden gezegd, dat de oudere generatie de wielen van den vooruitgang der aviatiek remt; integendeel, hij is vuriger voorstander dan de jongste onzer.’

WIEN!

Heerlijk… Dat werd geschreven in 1931. Ik vrees dat het woord anno 2011 niet levensvatbaar meer is, hoe graag ik het ook zou willen herintroduceren. Jammer, waarom verliezen talen altijd alleen maar naamvallen en krijgen ze er nooit eens een bij?

.

Nadorst – afterthirst?

Dat kan je dus zomaar gebeuren, dat je als anglist sinds 1979 en innemer van spiritualiën sinds 1970 met je mond vol tanden staat als iemand je vraagt:

“Zeg, dat zal jij wel weten, wat is ‘nadorst’ eigenlijk in het Engels?”

Uh…………………………..????????????