Sint Maarten-vluchtelingen

Mij leek het juist wel een uitkomst: alle heersende complottheorieën overzichtelijk gebundeld in een handzaam, geïllustreerd tijdschrift. Verpakt in steriel cellofaan, landelijk verkrijgbaar bij AKO & Bruna en wie weet ook bij de mindere boekhandel.

Zo hoef je om au courant te blijven niet dagelijks het ranzige diepriool van het internet in te duiken en daar zelf in ziekmakend slijm en excrement te dreggen. Gezond verstand heet het nieuwe blad. Gezond verstand, wie kan daar tegen zijn?

Maar de eerste tegenstanders van ‘pluriformiteit in de media’ (dixit Gezond Verstand-initiatiefnemer Jan van Aken) roeren zich alweer. Het is ook nooit goed. Wat zou daar achter zitten?

Ondertussen dreigt Kennemerland op 11 november overspoeld te worden door Sint Maarten-vluchtelingen. Onze eigen veiligheidsregio raadt het ouders en kinderen niet af om met een lampion langs de deuren te gaan. Er zijn (dit is Nederland!) wel de nodige ‘mitsen’ en ‘maren’, waarnaar de RaDa-reda wegens totale desinteresse slechts zal raden (lampionstokken van minstens 1,20 meter; pepernoten desinfecteren direct na ontvangst of eerst vier dagen in het vriesvak bewaren; de GGD moet een grote rode C aanbrengen op alle huizen die onder de quarantaineplicht vallen, etc.).

Maar nu die vluchtelingen: onze belendende Veiligheidsregio, Noord-Holland Noord, besloot een groot, rood kruis door de hele viering te halen. Noem het gezond verstand. Het gevolg laat zich evenwel raden: calculerende kleuters van Alkmaar tot Den Helder zullen hun ouders met dagenlange onhandelbaarheid chanteren om naar Beverwijk of Haarlem te trekken.

Een tsunami van decibellen en aerosolen sproeiende geluk- en snoepzoekers zal hier de straten overspoelen en onze eigen Kennemerse Sint Maartenvierders vertrappen en verdringen in portieken en deuropeningen. Onlusten dreigen, waarbij het er dik inzit dat wij weke stadsbewoners het afleggen tegen de uit de kluiten gewassen indringers en hun robuuste ouders. Ik wil niet hitsen, maar het handgemeen waarbij de anderhalvemeterregels in acht worden genomen moet nog worden uitgevonden. Misschien boek ik wel een hotel in Noord-Scharwoude die avond…


 

Escort service

Tachtig meter hadden we een hondje. Vijf minuten. Bij Kraantje Lek liepen we de luie route, om de rulle zandhelling heen. Een overdreven kwieke oude man in korte broek kwam ons tegemoet, fitter dan zijn twee vale hondjes.

Het eerste zette zich op commando met tegenzin in beweging en volgde het baasje in onze richting. Hondenmerken zijn niet mijn sterkste punt, maar een Dogo Argentino of Deense Dog was het zeker niet, met een hoogte van 30 centimeter en een krullende vacht. Het zag er koddig uit – de voorpootjes kruisten elkaar bij elke stap en het schoot niet op.

Het zusje – was het misschien een Yorkshire terrier? – wroette nog wat in de berm, zonder veel overtuiging,  en zette vervolgens koers in dezelfde richting. Het leek een goedmoedige persiflage van haar voorganger: die krachteloze pootjes moesten bij elke stap nadenken of ze dit nog wel wilden en kruisten elkaar zo erg dat het vertederend was. De oude man (met pezige, bruine pootjes!) had al meermalen ‘Lena!’ geroepen en liep ondertussen driftig door.

Toen Lena ons tegenkwam, keek ze verstrooid op (een pince-nez zou haar leuk hebben gestaan), keerde om en dribbelde met ons mee. Had ze genoeg van haar veel te vitale baasje en hoopte ze op adoptie? Of zag ze mij voor hem aan? Wij kuierden door en zij hield ons, in de hoogste versnelling, met moeite bij. De man stond inmiddels bij zijn auto op de parkeerplaats en floot op zijn vingers. Wij wilden niet van dognapping beschuldigd worden en maakten rechtsomkeert. Het hummeltje week niet van onze zijde. Wat een schatje!

Ze zou zich toch niet al aan ons hebben gehecht? Ah, daar was de man. We legden het hoe en waarom van onze escort service uit. “Ja, ze is dement! Hè Lena?” Hij tilde haar begripvol op en liet zich besnuffelen. “Ze is al zestien.”

Een hondje. Als ik nog eens een landgoed win in de loterij, ga ik er serieus over denken.

 

De twee ruigharige oude hondjes in het hoge gras (tenzij de RaDa-fotoredactie een vergissing heeft begaan)


 

Handwerk

Voor wie het niet weet, ik had een elektrische koffiemolen met kuren en in een opwelling (ik heb ook zo mijn kuren) bestelde ik een handkoffiemolen. Dat zou ‘m leren!

Had ik te veel Ot en Sien gelezen? Ik stelde me zo voor hoe ik de dag zou beginnen met dat molentje knus spinnend op schoot, terwijl ik vredig en ontspannen zwengelde. Op goede dagen een koffiegerelateerd liedje neuriede. En dan die geur van verse bonen! In recensies kreeg het door mij bestelde apparaat alle gehoopte sterren voor gebruiksgemak. Dus het zal wel aan mij liggen, maar het is verdomde hard werken voor er in het opvangbakje genoeg bruin gruis zit voor mijn twee medicinale bakkies.

Toen ik zachtjes pruttelde over mijn matige maalvaardigheid, RSI-gevaar en ook over mijn eigen on-zenne ongeduld, zei de huisdichteres (zonder enig leedvermaak!) dat ik onderschatte hoeveel omwentelingen de mesjes van zo’n elektrische molen maakten in die ene minuut dat ze voor me werkten. Die (150? 200?) moest ik een voor een met de hand… Ja, dat kon toch niet echt als een verrassing komen, bij een handkoffiemolen?

En zo – pas op, nu gaat het ineens heel snel! – kwam ik op een theorie voor de toegenomen arrogantie, bruutheid, dysempathie en kortlondigheid van de moderne mens, zoals wij die kennen. Het misplaatste superioriteitsgevoel, dat volgens mij (ik had inmiddels een mok sterke koffie gedronken) was begonnen bij de afstandsbediening. Die stelde tv-kijkers in staat met een minachtende duimbeweging een violist uit te zetten die twaalf jaar op die ene Prokofiev-sonate had gestudeerd. Hij hoefde er niet eens meer voor van zijn seat of sofa te komen.

Kijk naar het hautaine smoel van de automobilist die van 25 meter afstand zijn slot ontgrendelt. Of de bladblaasamateur. Vanochtend zag ik er een met zo’n rotding in de aanslag door een tuin aan de Julianalaan lopen. Alsof het een antiraketwapen was! Geef die vent een grashark!! Ook de hogedrukspuit is slecht voor het karakter, of de vorkheftruck. Nee, dan de tijd van de piramiden – toen hadden de mensen nog eerbied voor de natuur en gevoel voor materiaal. Als je als slaaf dagelijks bij Gizeh aan rotsblokken van 3000 kilo staat te sjorren, leer je vanzelf de nodige nederigheid en zelfbeheersing.

Zo gezien is mijn koffiemolen een begin. Als iedereen voor hij een makkelijke mening kon lozen op Twitter eerst vijf minuten moest vijzelen, vijlen of poetsen, zou de beschaving… Stop, het is welletjes zo met de overspannen wereldverbetering. Ik ga nu eerst maar eens theezetten.

 

Kraanwater – ook slecht voor het karakter! Om van Quooker maar te zwijgen.


 

Samen

Begin september voerde Ellen Deckwitz in een gave NRC-column haar ontembare, 106-jarige oudoom Karel weer eens op, die nooit wars is van een paar krasse levenswijsheden en behartenswaardige bon mots.

Ditmaal lanceerde hij het concept ‘heimpret’: ooit bedacht hij dat het tegen dipjes en neerslachtigheid hielp om je voor te stellen dat je een tijdreiziger was die zojuist was geland na een trip van twee decennia vanuit de toekomst. Dan zou je je verheugen over je plotseling herwonnen vitaliteit en lenigheid.

Dus de veertigjarige moet zich proberen te zien als een zestigjarige met tijdelijk verlof in plaats van als een verflenste dertiger of afgetakelde twintiger. Oudoom Karel genoot zo des te meer van alles waar hij later niet meer toe in staat verwachtte te zijn (stevig in een appel bijten, zolang hij nog geen kunstgebit had, etc.).

Er zijn natuurlijk uitzonderingen te bedenken, maar het idee lijkt mij tot op hoge leeftijd toepasbaar. Al twintig jaar kijk ik vanuit de benedenverdieping uit op een balkonnetje van hetzelfde echtpaar. Hun gedragingen hebben na zoveel jaren voor mij iets heel vertrouwds, wat andersom niet geldt. Op een buurtfeestje sprak ik de vrouw eens aan, maar zij gaf geen blijk van herkenning.

Zij waren altijd al ouder dan ik, maar vandaag zag ik ze samen in de weer met een stijve, zware sprei bij een slap hangende waslijn en besefte: ze zijn oud. Oud oud. De sprei moest gelucht. al moest het zo te zien van haar meer dan van hem. Zij was degene met vastomlijnde ideeën over hoe dat onding moest komen te hangen en welke methode de meest geëigende was om dat te bereiken. De man (fors en broos tegelijk) erkende zijn ondergeschiktheid en ongeschiktheid op voorhand. Hij stelde zich coöperatief op. Niettemin, de onderneming vergde een uiterste inspanning van allebei. Het had af en toe iets van een crue filmscène waarin moordenaars sollen met een lijk dat zich lastig laat verstoppen.

Ik leefde mee. Het hing erom. Als die beddesprei onverhoopt naar beneden was gezeild, hadden ze niet meer de energie kunnen vinden om hem uit de tuin op te halen. Dan hadden ze het opgegeven. Maar het karwei werd geklaard, eendrachtig, zonder een wanklank. Ik hoopte dat ze voldoening van hun prestatie hadden en – met wat geluk – een beetje heimpret.

 

 

 

Vandaag zag ik een kauwtje met een paar geblondeerde veren bij de Schotersingel. Hij/zij was schuw en ging er (samen met partner) meteen vandoor.


 

 

Spontaan bezoek

Heeft WhatsApp het spontane bezoek gekild? Of was dat al veel eerder uitgestorven? In de vorige eeuw?

 

Hoge hond, wachtend op bezoek?

Ik heb het over een onaangekondigde inval bij vrienden of bekenden, zo van ‘hal-looooo, we waren toevallig in de buurt en dachten… Hé, gave kamerjas heb je aan, man! Feestje gehad? Zo’n zooi Bokma-flessen en groene olijven zie je zelden bij elkaar op het parket! Nee, doe geen moeite, we blijven maar een uurtje, hoor! Hoewel, als je per ongeluk nog rode wijn open hebt staan?’ Waarna je moet uitleggen dat die slingers er nog hangen van drie verjaardagen geleden en dat je sinds Kerst een jenever-/olijven-/gevulde speculaasdieet volgt. Of gewoon de waarheid vertelt.

Heeft het met onze gevorderde leeftijd te maken? Gisteren kregen wij voor het eerst sinds lang onaangekondigd bezoek. Nou ja, vijf minuten waarschuwing vooraf, net lang genoeg om ons te doen beseffen dat de catering karig zou zijn (zure waterkefir, PWN-kraanwater of koffie – alles zonder gebak, gevulde speculaas of olijven).

De spontanisti in kwestie waren twee leuke, gelukkige, spontane (!) jonge mensen waar we het goed mee kunnen vinden. Ze hadden spontaan steps gehuurd op de Kruisweg en hun zwerftocht van 20 km nu even onderbroken om uit te blazen en bij te praten. De huisdichteres baande zich moeizaam en onspontaan een weg door een barrière van agenda’s, tijdschema’s, jaarplannen en voortgangstrajecten en schoof aan. Zette de knop om. En vond het weldra erg leuk, net als ik!

Vandaag wandelde ik ontspannen door de stad, zonder verplichtingen. In de Koninginnebuurt begon het te kriebelen. Ik kende daar een adresje… Zou ik ook zo’n instuif plegen? De schroom was ditmaal nog te groot, maar wie weet, nog een paar weken corona-gedwongen contactarmoede en iedereen is tot tranen geroerd als er zomaar wordt gebeld.

Hond in de Leidsebuurt, hopend op een beetje reuring


 

Langs de trekvaart

Om nou te zeggen dat ik popelde vanochtend om aan de gedeeltelijke lockdown te beginnen …

De havermout smaakte naar belegen strokarton (had ik beginnende corona?), de cd-speler kon zijn draai niet vinden en Windows 10 is nimmer te beroerd om op een ongelegen moment tergend traag een update uit te rollen (mijn laptop heeft tegenwoordig een soort maandelijkse cyclus). Mijn agenda was leeg. Ik ontdekte dat een oude, ooit gerepareerde scheur in de muur ineens terug was en even later rende er voor het eerst sinds lang een muis door de keuken. Het voelde als een ideale dag om een chronische hernia te ontwikkelen en/of een ram voor mijn muil te krijgen bij mot over een mondkapje. Want niet alleen míjn humeurbarometer stond op zwaar weer. Zo’n dag was het.

Wat te doen? Ik bedacht een missie voor mijzelf. Zonder enige urgentie en ik moest ervoor naar Lisserbroek fietsen. 18 km heen en 18 terug langs de Leidsetrekvaart.

En de fysieke arbeidstherapie werkte. Naarmate het landschap leger werd, fleurde mijn humeur op. De bollenboeren boerden niet meer, maar tussen het groen en grauw doken welkome kleuraccenten op – eenzame overlevers, stiekeme laatbloeiers en zelfs een paar herfstbloemenveldjes. Niet genoeg om Chinese toeristen te lokken, wel goed voor een fotoserie.

 


 

Vlaamse troost

Nou, daar zitten we dan na de persconferentie: 17 miljoen symptomatische en asymptomatische losers en betweters bij elkaar en een regering die het ‘oplierende’ (?) virus met een hamer (?) te lijf wil gaan.

En nee, doe me een lol, we gaan hier op het RaDa geen potje Vooravonden of Nieuwzuren; jinekken en janken doen jullie maar elders. Voorlopig kan ik even geen meningen en zelfbeklag meer horen. Een Nationaal Silentium met onmiddellijke ingang zou misschien de beste therapie zijn voor ons land. Cold turkey, afgedwongen met VERPLICHTE knevels voor alle Nederlanders.

Was het toeval dat ik de afgelopen dag mijn toevlucht zocht in twee Vlaamse plaatjes- en geen praatjesboeken? Eerst Kamagurka’s Voorbij de grenzen van de ernst: afwisselend briljant, melig, nog meliger, onbegrijpelijk, obsceen, absurd en filosofisch. 360 pagina’s grilligheid en ongrijpbaarheid. En dat hoofd van Luc Zeebroek maalt, tolt en wervelt al 40 jaar op die manier zonder uiteen te knallen!

 

Het andere boek, Thuis, en niet elders is een eigen uitgave van Steffie van Cauter. Ook zij is lastig in een hokje te duwen: kunstenares, schrijfster, zangeres, filmmaakster. Mensch! Tijdens de lockdown zette ze losse schetsen op Facebook van haar ingevingen en (non-)belevenissen. Die zijn nu wegens succes gebundeld en sommige raakten mij echt, in hun eenvoud en directheid. Er is geen enkele poging tot technische volmaaktheid, sommige lijken met een tandenborstel geschilderd. En toch zijn ze prachtig. Wat zeker meespeelt is dat ik Steffie persoonlijk ken en weet hoe origineel en ontwapenend ze kan zijn (op Nieuwjaarsdag 2018 leidde zij ons langs de dokken van Gent en die Warmoes was van haar. Those were the days…). Nu er een ‘gedeeltelijke lockdown’ ingaat, kunnen deze twee tekeningen jullie wellicht als opkikkertje dienen, beste thuisblijvers.

 

 

Het boek is te bestellen.


 

 

Anti-roospaniek

“Mag ik even?” vroeg de huisdichteres ‘s ochtends toen we ergens koffie wilden drinken en ik mijn jack uitdeed. Zonder het antwoord af te wachten schuierde ze een witte neerslag van mijn schouder. Roos!

Ze deed het discreet, niet verwijtend – het was meer dat ze me gênante situaties wilde besparen. Het waren niet zomaar drie verdwaalde schilfertjes; en het uitbundige strooisel had ook nog eens een opzichtig witte kleur, niet de gewone bleke, reform-zemelen. Had ik een nieuwe vorm? Agressieve, gemuteerde roos?

We vervolgden onze wandeling. Op een bospad doorwoelde ik mijn haar en masseerde mijn schedel. Het zat me geenszins lekker. Je wilt niet als rooslijder en roosparia door het leven, zelfs niet door het bos. De oogst was teleurstellend. Dat was wel anders toen ik mijn jack weer uitdeed bij onze volgende pleisterplaats, een pannenkoekenboerderij.

Een furieuze roosstorm wervelde naar de belendende tafeltjes, die gelukkig onbezet waren. Andermans roos op je spekpannenkoek met stroop is het laatste wat je wil bij de lunch. Besmuikt, behoedzaam (en beschaamd) reinigde ik mijn felrode trui van de helwitte fall-out. Al etend beperkte ik mijn hoofdbewegingen tot het absolute minimum. Zou ik ergens een rooskleurige trui kopen? Was Head & Shoulders tegen deze virulente aandoening opgewassen, of was mijn hoofd kaalscheren de enige optie?

Pas thuis begreep ik wat er loos was. Voor vertrek had ik een oud Wolfskin jack uit de kast gegrist. Ik had het tamelijk lang niet gedragen en door het gaas zag ik dat de witte binnencoating was weggesleten op plekken waar de banden van mijn rugzak er op drukten. Het gaas functioneerde als rasp. Het waren Wolfshuidschilfers!?!

Nou ja, laat het een les zijn. Ik moet eens ophouden altijd eerst de fout bij mijzelf zoeken!

 

Synthetische roosmaker (nu zonder gaas)


 

He(rr)i(e)makers

De RaDa-reda verbleef een paar dagen buitensteeds, in Ommen om precies te zijn. Vrijdag wandelden we via de oever van de Regge naar de Lemelerberg. De herfst had de natuur naar behoren opgetuigd met bessen, paddenstoelen, noten, en het eerste bladgoud.

Alles prachtig, op een stuk na, waar acht rupsvoertuigen zoveel mogelijk herrie maakten en moedwillig de grootst mogelijke verwoestingen aanrichtten. Nou wil je als overgevoelig stadsmens graag sentimentelen over ieder geknakt twijgje en verjaagd roodborstje (ook in mij schuilt een Pieter Vonck), maar dit … “Die gasten kunnen zo solliciteren als houtvester bij Bolsonaro,” brulde ik boven het takkenlawaai uit.

Gelukkig, daar was het infobord! Het was kennelijk legaal. Niet dat die gevelde bomen en ontwortelde bosschages er wat aan hadden, maar toch… Het project beoogde het oude heidelandschap te restaureren. Iets met een te vruchtbare toplaag die afgeschraapt moest, opdat de oorspronkelijke flora en fauna weer een kans kreeg (heiderups, heidevlinder, heideroosjes, heideschaap, heikneuter).

Het toeval wilde dat ik gisteren (dank je, Nel!) met grote gretigheid begon aan een dit jaar verschenen boek van Auke van der Woud: Het landschap, De mensen: Nederland 1850-1940. Het behandelt de ontwikkelingen die het kleine Nederland in anderhalve eeuw maakten tot de op een na grootste landbouwexporteur ter wereld (na Amerika). In 1900 kende ons land nog het uitsluitend door gespuis bevolkte ‘onland’ van de Peel (met niets dan ‘mislukte voortbrengselen aan plantengroei’); bijna alle provincies hadden eindeloze zandverstuivingen (met expansiedrift); en ten slotte waren er de ‘tijdloze’ heidegebieden: Het landschap in vogelvlucht beschouwd zal zich voordoen als een uitgestrekte vlakte van doodsche, bruine heiden, waarop zoo hier en daar als groene vlekken de esschen oasen vormen met leven en groeikracht. (Esschen = bebouwde stroken)

Romantisch, die heide? Dat zag men destijds vaak anders. De mensch heeft de wouden vernield; in plaats van een bosch waarin een eekhoorn, van Delden in Overijssel tot Enschedé, zonder den grond te geraken konde voortspringen, werd Twenthe eene kale heide.

Bos > heide > bos > heide… Je zou er een cyclisch wereldbeeld van krijgen.

Hieronder een paar plaatjes van vrijdag.

 

Archemerberg

 

En nu die heide nog…

 

De geweldige Lakenvelders, in bruine en zwarte uitvoering

 

Niet op deze foto, maar de kudde had gezelschap van vijf zilverreigers, die er als cipiers omheen liepen.

 

De Regge

 

Omdat jullie het waard zijn: grand dessert

 


 

Sedum, sedum!

Gisteren verrichtte ik samen met de huisdichteres de opening van een dak. Misschien moet ik dat even toelichten?

Er was eens een lelijk, kaal dak bij verzorgingstehuis De Blinkert in het Ramplaankwartier. En Joop van Roon keek daar op uit. Een doorn in zijn oog, dat dak! Hij vond medestanders. Het plan rees begroeiing aan te brengen; er kwam een Stichting Groendak die fondsen verwierf en zowaar! Sedum, heten de vetplantjes die het nu sieren.

In mijn toespraakje over dit geslaagde initiatief sprak ik vertederd over het mikro-groen her en der in ons versteende Haarlem – particulieren met groene vingers die van alles zaaien en poten; in oude badkuipen, regentonnen, kruiwagens en soms zelfs (moet kunnen!) bloembakken. Alle beetjes / bijtjes helpen!

Nou wilde het toeval dat ik een paar weken geleden een paar foto’s maakte van een plek waar ik tientallen keren per week langskom. Ik had al een melig bijschrift (NS, wie heeft de leiding?), je weet nooit hoe het van pas komt.

 

 

Nou, bij dezen dan, als vergelijkingsmateriaal. Want momenteel neemt Prorail het talud onder handen. Grondig, mag je wel zeggen. Nee, ik ga hier niet beginnen over de zeldzame bielskever of de bijna uitgestorven seinwisselslak.

 

Maarruh… ik hoop wel dat ze al héél veel sedum en andere rotsplanten hebben klaarliggen voor op die helling.

 

En anders stuur ik subiet Joop van Roon op ze af!