Nakkers en makkers

Van ‘vet’ als intensifier moest ik niks hebben. Af en toe permitteerde ik me een ouwelullengrapje (“Je haar is vet vet” of “die griet is vet mager”), maar verder gebruikte ik het niet. Inmiddels is ‘vet’ over zijn hoogtepunt heen.

Van ‘kapot’ in diezelfde betekenis ben ik evenmin … uh… weg. “Het was kapot moeilijk”, zei een meisje laatst na een repetitie. Ook hier in Haarlem raakt ‘kapot’ in zwang, getuige deze schutting bij de Paul Krugerkade.

 

Nee, dan ‘nakken’! Dat vind ik nou eens een lekker woordje, dat mag van mij snel ingeburgerd raken. Ik oefen nog op de juiste uitspraak: met een nijdige ‘n’ – de neus rimpelt en de boventanden liggen bloot.

Een nauwkeurige definitie van ‘nakken’ valt moeilijk te geven. Het is een breed inzetbaar woord. Als ik op het straatwoordenboek afga, kan het alles betekenen wat God verboden heeft: slaan, neuken, drinken,verlinken, stelen. “In Rio de Janeiro nakken ze alle buitenlanders”, zei een jongen in de metro. Je kunt beter niet genakt worden, zoveel is duidelijk.

Van de week hoorde ik mijn eerste ‘nakker’: “Je bent zó’n nakker!” Nakker is hier synoniem aan ‘naaier’ (= matennaaier).

N.B. Voor de ware liefhebbers van Neder-slang begint om 22.50 uur het Groot Dictee der Nederlandse Straattaal

.

6 reacties op “Nakkers en makkers”

  1. “Knakker” kende ik al wel. Betekent sukkel (in het Pools is dit het grappige woord Jawopa).
    In Amsterdam hoor je trouwens om de haverklap het woord “man” als iemand wordt aangesproken. Wat zit daar achter?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *