Freud, Odysseus en de Schone Kunsten

De primaire driftbevrediging die voor ons mensen het leven enigszins draaglijk maakt, wordt stelselmatig in de wielen gereden door de harde realiteit van alledag. Als je al in de verkering geraakt, kun je niet de godganse dag met je geliefde het bed delen; je moet ook wel eens naar kantoor. De libidineuze drift is continu en alomtegenwoordig, maar het is in het dagelijks verkeer geenszins zeker dat die ook bevredigd wordt. Die drift moet als het ware worden bevochten, wat soms ernstig lijden veroorzaakt. Luister naar Mick Jagger’s I can’t get no satisfaction en je weet wat ik bedoel. 

Om onze, uitdriftdoelen verkrijgbare, lustbevrediging dan toch veilig te stellen en het leed enigszins af te weren, staan ons mensen gelukkig substitutietechnieken ter beschikking. Twee daarvan zijn de libidoverschuiving en de fantasiebevrediging die bijvoorbeeld in het maken en ondergaan van kunst een belangrijke rol spelen.

Aan de esthetische beleving, zo men wil de schoonheid als verschoven, veilig gestelde ‘zachtbedwelmende’ seksuele impuls kan de mens zich probleemloos laven, wat dus bepaald niet gezegd kan worden van haar primaire doelobject. Tot zover Freud.

Ten tijde van Odysseus was Freud nog niet geboren en museale kunsten bestonden ook nog niet. Wat wij kunst noemen was toen ultieme,irrationele verleiding. Zoekt de mens volgens Freud naar een manier om zich van dergelijke verlokkingen permanent te verzekeren, ze zeg maar als blijven de vluchtroute in te bouwen in de banale dagelijkse strijd van het bestaan, Odysseus probeert ze juist uit alle macht van zich af te werpen. Ingefluisterd door Circe weet hij dat deze nog niet tot machteloze kunst afgezwakte verlokkingen dusdanig overheersend kunnen zijn, dat ze zijn ondergang kunnen worden.De mens dreigt, verleid door zoetgevooisde, lustbelovende Sirenen nog vóór het bereiken van Scylla en Charybdis te worden weggeroofd uit zijn existentiële nu, om reddeloos verloren aan te spoelen op de rotsige kust van de mythische verleden voortijd.

Alleen door permanente tegenwoordigheid van geest kan Odysseus zijn bestaan aan de natuur afdwingen. En aangezien de Sirenen pas later door de Muzen zullen worden verslagen, moet Odysseus, vastgeketend aan het hier en nu, zich dus noodgedwongen hoeden voor de verleiding van de primaire, nog niet freudiaans verschuifbare bevrediging.

Voor Odysseus vormt de ongetemperde kunst – bij monde van de schone gezangen der Sirenen – zodoende vooralsnog een ultieme bedreiging, bij Freud is een wohltemperiertes alternatief voorveilige lustbevrediging een kunstje.

Elke dinsdag plukt Onwijsgeer de RaDa-lezers even weg uit de Haarlemse actualiteit om hen te laten delen in de vruchten van zijn studie van alles wat er tussen Socrates en Habermas afgeprakkizeerd is. Dit was het zevende in een serie van negen mini-essays. Eerdere afleveringen staan hier.

4 gedachten over “Freud, Odysseus en de Schone Kunsten

  • 02/04/2008 om 00:09
    Permalink

    Over zoetgevooisde sirene(n) gesproken : die van de veiligheidsregio Kennemerland heeft vandaag, weliswaar niet lustbelovend, voor enige ophef gezorgd, simpelweg door af te gaan op een dinsdag…. of is het schandalig prozaïsch om dat hier als reactie te plaatsen…

  • 02/04/2008 om 08:37
    Permalink

    Als je zoals ik op de Zijlweg woont hoor je sirenen wel zes keer per dag en bepaald niet zoetgevooisd voorbijscheuren. Als je dan toevallig naar de achtste van Bruckner aan het luisteren bent, is mijn verschoven lustbelevingsfantasie er een van het toebrengen van ernstig letsel aan die lui. Maarja, dan komen als klap op de vuurpijl ook de ambulance en de politie er nog bij met kun sirenen.

  • 03/04/2008 om 00:46
    Permalink

    @ O’geer: Van het weekend las ik dat Almere een heuse stadsfilosoof heeft – Barry van ‘t Padje is zijn naam. Ik weet niet of hij in een ton slaapt, en overdag barrevoets door een koopgoot moet wandelen om levensvragen van het publiek te beantwoorden, maarruh… zullen we je kandideren bij de gemeente Haarlem?

  • 03/04/2008 om 08:57
    Permalink

    Tsja, kijk,
    De instelling van een stadsdichter(es) moet er een zijn van ‘aap wat zijn je jongen mooi’. Zhij moet met andere woorden in principe de loftrompet kunnen steken over de stad en haar schouten ook al is daar geen enkele aanleiding toe.

    Een beetje filosoof is echter kritisch. Om de zelfdenkzaamheid te stimuleren, stelt hzij eerder vragen waar antwoorden worden verwacht. Dat lijkt mij nogal op gespannen voet met het ‘wie appelen vaart, die appelen eet’-principe.

    Maarreh, wanneer er een genereuze vergoeding tegenover staat, is het het proberen wel waard…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *