Zakkers en druipers

Het café was drukbezet, we zagen geen vrije plek, dreutelden wat en een gebrilde, oudere man met sluik, grijs hippie-haar noodde ons aan zijn tafeltje. Hij haalde zijn wandelstok van een stoel en we gingen zitten. Hij had zijn oude jenever, hoefde niet zo nodig te praten; en wij zouden die avond aan onszelf genoeg hebben, wisten we. Maar van lieverlee, na een knikje en een half woordje over en weer, bleef hij aan ons gesprek haken en zo kwamen we te weten dat hij schilder/ restaurateur was.

Of was geweest, want na een beroerte twee jaar terug (vandaar die stok) stond hij op non-actief. Ondanks zijn 64 jaar hoopte hij weer aan de slag te gaan. Derde generatie was hij, zijn vader en grootvader waren ook schilder. De huisdichteres en ik wisten van de pot noch de kwast; mijn eigen inbreng beperkte zich tot luie anecdotes over traumatische zakkers en kwasten met acute haaruitval juist als de ideale vloei was bereikt. Verf is voor mij dat plakkerige, stinkende spul dat na een kwartier langs je arm naar je oksels kruipt. En niet een materiaal waarvan je het merkt als de samenstelling is gewijzigd vanwege een milieumaatregel.

Want dat vertelde Jaap, dat hij in al die jaren dat hij werkte – een halve eeuw bijna- herhaaldelijk aanpassingsproblemen had gekend doordat er weer eens een pigment of oplosmiddel was verboden. Milieubelastend of kankerverwekkend, zeker, begrijpelijk dat het niet meer mocht, maar de schilders, de betere schilders, merkten het verschil bij elke streek, moesten hun techniek aanpassen, leden aan heimwee. Deden sam sam om via duistere wegen een partij op de kop te tikken mèt loodtitanaat. 500 liter. Potten zonder etiketten.

Ja, je had wetgeving en je had schilders. Zijn vader haalde vroeger tijdens een lastige klus een heupflaconnetje tevoorschijn en voegde met een samenzweerderige knipoog een druppeltje toe aan de verf. Kijk, jongen, puur xyleen. Jaap bagatelliseerde de gevaren allerminst (natuurlijk, hij kende collega’s die…) maar als je altijd met chemische middelen werkte werd het zoiets als rijden zonder achterlicht voor fietsers. En wij begrepen de verleiding, luisterden en luisterden. In de jaren zestig zat er nog lijnzaadolie in verf, voordat alles synthetisch werd, een heerlijke geur was dat, die kon hij nog zo oproepen.

Over de revalidatie na die beroerte vertelde hij ook nog. Zijn waarneming was aanvankelijk zo aangetast dat hij maar driekwart van de bladspiegel zag. Om de laatste woorden ook te zien had hij zich bij elke regel moeten dwingen ‘verder’ te kijken, letter voor letter, tot het uiteindelijk vanzelf goed ging, bij een boek van Simone de Beauvoir nota bene.

Bij het afscheid constateerden we gedrieën, met enige verbazing, dat ons gesprekje een Gesprek was geworden. Zo’n gesprek dat je wereld een stukje groter en rijker maakt. Al zeg je dat laatste natuurlijk pas hardop als je al op de fiets naar huis zit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *