Geven en nemen

‘Don’t give me your shit’ is een smeuig Engels idioom dat met de opkomst  van de poepdonor aan herziening toe lijkt. (Ik waarschuw maar vast, dit wordt een haasje-over/kop-noch-staartstukje met voorbedachten RaDa)

Ik verslikte me gisteren lelijk in mijn Yakultje toen ik in een NRC-artikel over de menselijke darmflora las dat ze (jullie weten wel, de ‘ze’ die zo veel kunnen en zo knap zijn tegenwoordig) bij patiënten wier darmstelsel ernstig is ontregeld door de Clostridium Difficile (een mispunt van een bacterie) sinds kort een schone start kunnen maken: de darmen worden grondig leeggespoeld en daarna wordt er een tweedehands drol van iemand anders geïmplanteerd, als voedingsbodem voor een totaal nieuwe darmpopulatie (we hebben het hier over honderdduizend miljard bacterieën, die hun maatschappij bij elk individu – ja, ook bij jou daar! – anders hebben ingericht). Goed, hè?

Zo’n wetenschapsbijlage voelt voor mij echt als een oase in een woestijn van economische dorheid en domheid. Nu even schotsjespringen van darm naar riool naar rat (daar is weinig geestelijke lenigheid voor nodig, toch?). Op pagina 2 gaat het over altruïstische ratten die bij laboratoriumproeven eindeloos snuffelden en pielden en prutsten om een soortgenoot uit een cilinder te bevrijden. Sterker nog, toen ze hadden uitgevogeld hoe het mechanisme van het slot werkte en twee cilinders voorgezet kregen, een met smikkelsmulchocolade en een andere met een benarde, noodsignalen uitzendende mederat, kozen ze natuurlijk die chocolade. Nee, zo lief, ze zetten eerst het deurtje open voor die gevangene en daarna snoepten ze vaak samen van die choco. Je hoeft niet van de Occupy-beweging te zijn om er tranen van in je oren ogen te krijgen.

Iets voor een ander over hebben, dat brengt mij (ja, zo’n stukje zou het worden – zeg niet dat ik niet heb gewaarschuwd! – we gaan van ratten naar rammelaars) bij de collectant van War Child die ik gisteren nul op het rekest moest geven.

Wat is dat toch? Wat heb ik gemist in de laatste charitatieve ontwikkelingen? Voorheen ging op een ongelegen moment de bel, ik staakte het binden van de saus / het plamuren van de muur / het sabbelen op de roomborstplaat; ik griste mijn portemonnee mee, stoof de trap af, stortte mijn aalmoes (vaak zonder te vragen waar het voor was) en groette vriendelijk de kleumende medemens. Het kostte me 2 euro en 30 seconden.

Dat lukt me niet meer.

Steeds vaker zijn ze (m/v) opzichtig jong en stralen de ogen met ongewenste intensiteit. Na zich geïdentificeerd te hebben, beginnen ze spontaan aan mijn intake-gesprek.
“Waar is de gleuf?” vraag ik bars.
“Uh…?”
“Ik heb geld. Waar moet het in? Heb je een bus?”
“………….”
“Een collectebus?”
Het muntje valt niet. Ze willen snel door met wat ze geleerd hebben en slaan een enorme ordner met documentatiemateriaal open. Ik toon mijn geld. Contant.
“Wil je het niet?”
“Nee, dat mag niet, maar als u…”
“Graag of niet.”
De ogen dimmen, ze vinden me een lul, maar ook in confrontaties met mijn type mens zijn ze hopelijk getraind. Ik sluit de deur en stuif naar boven.

Het kost me nul euro, 2 minuten en 30 seconden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *