Het licht zien

We aten een hapje en dronken een Zotje (Brugs) in het Wachtlokaal, hoek Rozenstraat/Kruisweg. Spitsuur – het station braakte routineus zijn forensen uit, het regenachtige Haarlem in.

“Kijk, een achterlichtje op straat.”

Iemand had een rood, nog brandend Led-lampje verloren op een drukke plek waar iedereen oversteekt, midden op de Rode Loper. Tientallen plompe schoenen misten het rakelings, fietsbanden schampten het – maar niemand die afstapte of zich bukte om het op te rapen. Nou ja, pas na een minuut of vijf. Een man pakte het behoedzaam op, zette het behoedzaam uit en plaatste het behoedzaam terug op het natte plaveisel. Een raadselachtige actie.

Wij aten lekker, aan ons tafeltje bij het raam, maar met een half oog surveilleerden we over de straat, wachtend op het fatale moment dat iemand ‘ons’ lampje zou verbrijzelen. Even later brandde het echter weer. Iemand was kennelijk per ongeluk op de schakelaar gaan staan.

Het massale negeren begon opnieuw, een onverschilligheid die bij de auteuse van God gaf ons apparatenbespiegelingen opriep van cultuurfilosofische aard. “In de Middeleeuwen hadden hele dorpen en steden aan je voeten gelegen als je zo’n lampje bezat!” Het Mirakel hier beperkte zich ertoe dat het kleinood nog minstens twee keer aan en uit werd getrapt. Toen zagen we het nergens meer liggen.

Bij het verlaten van het Wachtlokaal keken we nog even en zowaar, daar lag de verschoppeling. Nat, versmaad, vertrapt, maar niet kapot. We keken elkaar vragend aan. Was er in ons leven nog plaats voor een schattig klein achterlichtje?

lampje

De beslissing was snel genomen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *