Snelweg

‘Een reis is een hallucinatie.’

Met dit citaat uit The Third Policeman begint Rob van Essens schitterende roman Miniapolis, waar ik het vandaag nog niet over wil hebben. Wel over de snelweg.

De snelweg is voor een kleine tien miljoen Nederlanders een alledaagse ervaring, om niet te zeggen hun biotoop, waar ze slechts noodgedwongen over nadenken – als het verkeer hapert of vastloopt (het kan nog erger: in Concrete Island van J.G. Ballard schiet de hoofdpersoon met zijn auto over de vangrail; het lukt hem niet het steile talud te beklimmen en dagenlang bivakkeert hij in het niemandsland onder een viaduct van de M25 (?), terwijl boven hem de auto’s onbarmhartig voortrazen; hij leeft van het afval dat uit autoramen wordt gegooid).

Voor mij, autoloos burger/treinreiziger, is de snelweg een soms afstompende, soms zinsbegoochelende ervaring. Vrijdagmiddag reed ik met vrienden mee naar Groningen. Gestage snelheid, betrouwbare bestuurder, degelijke gezinsauto. Akkers, weilanden, je babbelt met elkaar en haalt de topografie van Drenthe op (Norg, Vries, Tynaarlo, Ubbena). De A28 was onwaarschijnlijk druk op dit niks-aan-de-hand-tijdstip. Hoe rekruteerden ze al die weggebruikers in dit dunbevolkte gebied? De huisdichteres (die er niet bij was) vermoedt in zulke gevallen dat het vluchtelingenstromen zijn, dat wij als enigen niet zijn ingelicht over naderende gifwolken, lavastromen of ander onheil.

Op de terugweg was het al donker. De A28 (après spits) was onverminderd druk. Niet dat de ANWB-filemelders in touw hoefden te komen, de ideale 120 km/uur kwam nooit in gevaar. Maar de tegenliggers bléven komen, we werden onophoudelijk bestookt door naderende koplampen, duizenden en duizenden, alsof (dat ik doezelig werd hielp ook) in Zwolle een batterij automatische wapens lichtkogels op ons afvuurde, terwijl de Groningers terugschoten met hun karakteristieke rode projectielen. Waren er echt zo veel mensen op de weg of zaten we samen gevangen in een lus? Toch niet, af en toe doemde er een agressief verlicht eiland op in het pikzwarte achterland, een nieuw motel of een distributiecentrum – dat van Wehkamp groter dan de meeste gehuchten die we passeerden.

Ik onderging de terugrit het met gepaste gelatenheid en was blij met een kleine hiccup bij Zwolle: door een verkeerde afslag vonden we pas na enig geharrewar de juiste provinciale weg. De vergissing voelde warmmenselijk – alsof we waren ontsnapt aan een systeem dat nooit machtiger had mogen worden dan wij. Spoedig daarna was ik weer thuis. Die 5000 kilometer Nederlandse snelweg ligt er vandaag en morgen nog steeds. Vreemd eigenlijk, dat ik er doorgaans zo weinig van merk.

Omgeving Veessen


 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *