Meteen naar de inhoud

Bunker in ruste

Geschreven voor Straatjournaal mei ’22

‘Is het geen snoepie!’ Deze vertederde uitroep ging niet over peuter, puppy of hangoorkonijn maar over een oorlogsmonument: het liefste bunkertje van Nederland. Degene die het meermalen zei het afgelopen jaar was een onbenullig en frivool persoon die luistert naar dezelfde naam als ik.

Het snoezige bunkertje in kwestie staat bij Station Wijhe en als wij vrienden of familie afhaalden, stonden we altijd even stil om het opschrift te lezen: ‘Een zgn. machinistenbunker uit de 2e W.O., waarin machinist en stoker beschutting vonden bij treinbeschietingen.’

 

Ik wees dan steevast op de nauwe ingang en grossierde in grapjes over de Hongerwinter; 70% van het huidige, weldoorvoede NS-personeel zou daar al klem komen te zitten. Ongein in vredestijd! Waarbij ik verzuimde één, erg logische vraag te stellen: als er een trein werd aangevallen, reden machinisten van heinde en verre dan plankgas naar station Wijhe om zich hier in die bunker te proppen?

En toen gaf Poetin de realiteitszin van het decadente westen een boosterprik met een vieze botte injectienaald; op tv zag je radeloze Oekraïners een veilig heenkomen zoeken. In Marioepol zou dit tweepersoons mini-bunkertje goud waard zijn bij bombardementen, stelde ik me zo voor. Ik stak mijn licht op bij de bloeiende Historische Vereniging alhier. Terwijl een van de vriendelijke vrijwilligers het standaardwerk over Wijhe in de oorlogsjaren haalde, vertelde een andere me alvast dat zulke bunkertjes op de tender werden gemonteerd – het brandstofwagentje achter de locomotief. Dit exemplaar had op een in 1944 ontspoorde trein gestaan (mijn innerlijke stoker stuurde een gloeiende schaamteblos naar mijn wangen – ik ben toch altijd weer onwetender dan ik denk).

 

 

Het boek arriveerde en ik kopieerde de relevante bladzijdes. Op Dolle Dinsdag (5 sept. ’44) wilde het verzet het treinverkeer zo veel mogelijk ontregelen en in die nacht maakten zes mannen de rails onklaar met ‘koevoeten en kraagschroefsleutels’. Ze hadden het gemunt op een munitietrein, maar moesten hun sabotagewerk staken toen onverhoopt een vertraagde passagierstrein met vluchtende NSB’ers arriveerde en ontspoorde. De Duitse capitulatie bleef vervolgens uit en er werd mij verteld dat het machinistenbunkertje jarenlang in een greppel in het buitengebied lag zonder dat iemand ernaar taalde.

Op een site met memoires van een ‘Spoorman in 1943’ vond ik dit: U moet nog weten dat in de latere oorlogsjaren op de tender van de locomotief een betonnen bunkertje was gebouwd. Als je niet te dik was en snel kon reageren was er een kleine kans dat je als loc-personeel een luchtaanval kon overleven. Maar zo’n ‘Fahrtrein’ […] bracht een levensgroot probleem voor het personeel mee. Stel, je werd aangevallen door de steeds sneller wordende jachtvliegtuigen, wat had je dan voor keus: de Duitsers zouden je omver schieten als je de trein in de steek zou laten en bleef je op je locomotief, dan was de kans op overleven ook minimaal, afhankelijk van de plek waarop de boordschutter zou richten. Raakten ze de ketel, dan ging je zo’n beetje de lucht in en anders werd de cabine doorzeefd. En de tender met z’n bunkertje hing precies tegen zo’n stuk geschut. U begrijpt het, niemand had enige behoefte dat soort treinen te rijden. En ik al helemaal niet want ik was al als de dood voor een voetzoeker.

Zo’n passage stemt tot nederigheid en bezinning. Is er een moraal bij het verhaal? Ja, we hebben ons als samenleving in slaap laten wiegen, ja, we zijn naïef en genotzuchtig geweest. Maar wat baten zelfverwijten? Ik zou ‘m graag terugkrijgen, de tijd – zo kort geleden – dat ik onnozele grapjes kon maken over een bunker.

 


 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.