Meteen naar de inhoud

Woke-up call

Straatjournaal aug. ’22

Als je een verbodsbord of een wegversperring op nul stelt qua fluïditeit en een octopus op honderd, waar bevindt u zich dan op die schaal? Bent u lenig van lichaam en geest of juist gefossiliseerd in uw opvattingen en gewoontes?

Zelf werd ik aangezet tot zelfonderzoek toen ik twintig minuten moest verpozen op Station Amsterdam Zuid. Ik had een gevulde koek bij me en verheugde me erop die buiten op te peuzelen. Het weer was (nu we het er toch over hebben) fluïde: wat ongemotiveerd rondfladderende regendruppeltjes en een plagerige zon die probeerde ze te verdampen. Terwijl ik een plek zocht, zag ik een opvallende verschijning. Jong, slank, gave huid, gemillimeterd haar (tot zover geen twijfel), meisje (ja, toch?), vleugje Azië in de mix. Ik ging op een bank zitten en zag hoe ze mijn kant op golfde, met de souplesse van een hermelijn.

“Weet u wat stichting Hivos is, meneer?”

Haar hoofd was een levend kunstwerk, met twinkelende piercings zo klein als speldeknopjes en geraffineerde micro-tatoeages. Ik schudde van nee en nam een hap van mijn koek. ‘Zegt LHBTI u wél iets?’ Ik knikte zonder overdreven enthousiasme en zette me schrap voor een cursus ‘wokedom for dummies’. Ze begon aan haar boodschappenlijstje – of ik wist dat homo’s vaak werden gediscrimineerd? Op de werkvloer, bij sport? En in Mali, Honduras en Hongarije was het echt knudde met de gay rights.

Ik reageerde nogal stug. Hoe zou ze mij zien? Vergeleken met haar was ik een uit rechthoekige witte Lego-steentjes opgetrokken robot, stram van pensioenjaar naar pensioenjaar boomerend. Zij had die subtiele sieraadjes op haar gezicht; ik was getooid met de zeven vinkjes die volgens Joris Luyendijk een leven vol privileges beloven: blank, hoogopgeleid, hetero, ABN-spreker, Randstedeling, enz.

Toen ze terloops vroeg naar mijn geaardheid, was ik zo vrij ook naar de hare te informeren. “Ik weet alleen dat ik niet heteroseksueel ben.”

Ze zei het niet snibbig, mijn vraag werd niet opgevat als een impertinente onderbreking. Ze was achttien, net klaar met de Havo, dus er was nog tijd genoeg om erachter te komen. Wat een openheid! Ik besloot het gesprek serieus te nemen en toen ze ter zake kwam en vroeg om een financiële bijdrage voor Hivos, liet ik een stilte vallen. “U heeft het er moeilijk mee, hè?”

Ik wees op de dakloze die verderop vanuit een rolstoel een krant probeerde te slijten aan de snelle types daar bij WTC. “Stel nou, ik heb nog één tientje uit te geven aan een goed doel, vind je dan dat ik dat aan die man daarginds moet geven, of er de identiteitspolitiek mee moet steunen?” Ja, die man… zij bracht hem ‘s vaak een bekertje koffie, daar had hij meer aan.

Ze was zo fluïde naast me komen zitten dat ik er amper erg in had.

Ik vroeg of ze Andreas Burnier kende; ik had net Een tevreden lach gelezen. Uit 1965. Over een meisje dat graag jongenskleren draagt en op een haast onverschillige manier met seks experimenteert. En zo kwamen we op meer onderwerpen, tot ik mijn metro moest halen. Ik had de helft van mijn koek nog.

De volgende dag hield het gesprek me nog bezig – ik was als een bioloog die een nieuwe soort had ontdekt – een hermafrodiet, met twaalf voelsprieten in steeds verspringende kleuren. Eerst wou ik er een moraal aan verbinden: over een wereld van blokkades, machtsblokken en demarcatielijnen, die de fluïditeit van een jonge generatie goed kon gebruiken. Ik kwam er niet uit helaas. Want woke is niet altijd week. Daar hebben ze ook hun militante vleugel. Uiteindelijk hield ik het erbij dat het een sprankelende, leerzame ontmoeting was. Ook veel waard, toch?

Het is maar net door welke bril je het wil zien (Dappermarkt)


 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.