Retorische foto’s

Geven telelenzen een vertekend beeld van de drukte in winkelstraten en op stranden? NRC stelt de vraag vandaag, maar uitsluitsel krijgen we niet echt. 

Het camerastandpunt maakt natuurlijk verschil en dan zijn er nog de krantenredacties die de foto’s kiezen (soms suggestieve) en er een (soms tendentieuze) tekst bij bedenken. De inmiddels beruchte foto van het Scheveningse strand op Hemelvaartsdag kreeg van de Telegraaf het bijschrift ‘Zo gaat de boel weer op slot’.

Vanmiddag om 3 uur wilden wij de fietsen parkeren bij de Oosterplas en van daaruit wandelen. Even dachten we dat er een fotofunshopper / funfotoshopper aan het werk was geweest. Langs het pad richting strand stond een recordbakfietsfile.

 

Dan kunnen we nu beginnen met stemmingmakerij.

  • Nederlanders helemaal klaar met bakfiets
  • Coronamigranten massaal naar duinen
  • Bloemendaalse moeders bakken ze bruin
  • Ouders wachten aan strand op tweede golf

Dan liever naar Het Wed. Daar was het weliswaar druk aan de Zeeweg-kant, maar even verderop lagen de handdoeken ver uiteen. En we passeerden dit tableau vivant.

 

  • Waar blijven de BOA’s?
  • Terrormeeuwen verdrijven bakvismoeders
  • Vergeten hongersnood onder zangmeeuwen
  • Illegale groepsvorming jeugdige meeuwen
  • Ongelijkheid binnen meeuwenkolonies schrijnend

En ten slotte:

 

  • Klimaatcrisis: Het Wed treedt buiten oevers
  • Aanhoudende droogte: Het Wed slibt dicht
  • Gemeentelijk groenonderhoud faalt
  • Waar blijven de waterrecreanten?
  • Water staat eigenaars van cruiseschepen zonder vet op de botten aan de lippen

 


 

Strenge Wim?

Korte inhoud van het voorafgaande: in Dichtbij en Grun wees ik op de publicatie van Bakvis in Oorlogstijd, het dagboek van Miep Diesel uit de Stuyvesantstraat, waaruit NRC een bloemlezing van drie pagina’s publiceerde.

Zelf had ik het boek nog niet gelezen. Wim Cerutti (gerespecteerd auteur van Het stadhuis van Haarlem en nog veel, veel meer geschiedkundigs en lezenswaardigs) maakte er hier op het RaDa korte metten mee in zijn reactie: Het bakvis-boekje is vrijwel geheel gevuld met een eindeloze reeks zwempartijen in het Stoops en zoenen (en soms iets meer) met vele, vele vriendjes. Het inzicht in het verloop van de oorlog van Miep is gering (kan ook niet veel anders bij een 15-jarige). Over oorlogshandelingen in Haarlem vernemen we helaas vrij weinig, en dan nogal eens onjuist.

Als ‘reaguurder’ zou ik op Wim nooit betitelen, maar ik kon me wel vinden in de riposte van Schulp (voor al uw tegenwicht!): ‘Wat zijn we weer streng.’ Alleen had ik toen het boek zoals gezegd nog niet gelezen.

Inmiddels ben ik (inderdaad!) vele zwempartijen en vrijages verder. Niet alles was even adembenemend en meeslepend, maar ik heb nooit overwogen het boek halfgelezen weg te leggen. Ten eerste (al slijt dat genoegen allengs) is er de taal – er wordt lekker ge-joop-ter-heuld (mieters, hij kan verhippen, bikkesement, die lamme oorlog, een nachtfuif); het boek maakt ook oude herinneringen los, zoals het ‘doorlichten’ van de schooljeugd en de reddingshaak aan de brug waarmee ze een gevallen ceintuur uit het water visten. Als Haarlemmer herken je veel (de erotische spanning bij ontmoetingsplek Vroom en Dreesmann) en schrik je tegelijk van allerlei veranderingen – zelfs al heb je er al weet van. Als een van Mieps vriendjes het uitmaakt (vanwege haar misdragingen met Canadezen na de Bevrijding), holt ze bij de Orionweg overstuur een weiland in. Een weiland? Oh ja… En als je nu bij de Stuyvesantstraat staat, moet de verbeelding hard werken om daar de ‘Mauermuur’ op te roepen. Hetzelfde geldt voor het ‘lege’, ontvolkte Zandvoort waar Miep een teleurstellende wandeling maakt.

De anti-tankmuur, ofwel de Mauermuur, hier bij de Zeeweg (foto Noord-Hollands Archief)

Miep houdt de ontwikkelingen aan het front niet bij met vlaggetjes op een stafkaart, dat is waar. Damesmode en nieuwe films moeten ook gevolgd. Maar juist die afwisseling en tegenstelling tussen bijvoorbeeld de blijdschap over een ‘snoezige zijden jurk’ en de ongerustheid over een vriendje dat moet onderduiken of op transport is gezet, frappeerde mij. Want hoeveel oorlog kan je (zeker als 15-jarige) in een dag stoppen? Of, ter vergelijking, hoeveel ‘corona’? Ondanks de vele frivole passages beschouw ik Miep niet als naïef. Iets anders is dat ze in dit dagboek (bijgehouden vanwege de stroeve verhouding met haar ouders) niet diep in haar emoties spit. Neem deze alinea:

Vanmorgen in de vroegte was er al weer luchtalarm en de hele nacht is het hommeles geweest. Ze hebben ontzettend geschoten en er was steeds luchtalarm. Ik wou dat de oorlog eens afliep. Dan hadden we ook geen verduistering meer nodig en hoefde Loek zich niet zo schuil te houden (2 maart 1943).

Het inlevingsvermogen moet uit de lezer zelf komen (die aantekeningen waren dan ook niet voor ons bestemd, er is geen effectbejag). Helaas ontbreken dagboeken over de Hongerwinter; graag had ik gelezen hoe Miep zich onder de zwaarste ontberingen hield.

Mijn eindoordeel is dus aanmerkelijk milder dan dat van Wim Cerutti, die ons het lezen ontried. Aanraden dan? Ik zou zeggen, ga naar de Kennemer Boekhandel, trek die chirurgenhandschoenen aan en lees een paar bladzijden. Dat zegt meer dan de drie ballen/sterren/ die ik onder deze bespreking zou kunnen plakken.

Miep schaatste graag aan de Kleverlaan (foto uit 1950, NH-Archief)

 


 

Lettergrepen

In een winkel hoorde ik een man het woord woord ‘heerlijk’ afbreken in zes lettergrepen (nee, geen zeven): “Hee-ee-ee-ee-eerr-lijk!”

De man was mij al opgevallen door de manier waarop hij la-a-a-ang-zaam de kassa was genaderd. Als een kolossaal standbeeld uit de oudheid dat door zwoegende slaven naar zijn standplaats werd opgeduwd.

Het was dan ook een grote man. Een bekende, Haarlemse man uit de wereld van de sport. Hij kwam een krant kopen. “Er komt toch binnenkort een nieuw boek van u uit?” vroeg de verkoper. Dat kwam wel en niet als een verrassing voor de grote man, zo maakte ik op uit zijn afgemeten antwoord. Er kwamen voortdurend boeken van hem uit – het klonk nors, alsof zijn intellectuele rijkdom ondanks strenge voorzorgsmaatregelen telkens opnieuw werd geplunderd. Dus het was kennelijk weer zover?

De verkoper, hopend op een vriendelijker einde van de transactie, vroeg hoe de grote man werd geraakt door de hele coronatoestand. Dit was het moment waarop de grote man kon laten zien dat hij geen gewone, kleine man was. “Ik vind het…” Hij telde de lettergrepen voor de zekerheid nog even na, verwierp het idee om er een zevende aan toe te voegen, rekte de spanning, al stond er maar drie man publiek. En toen lanceerde hij ze, professioneel, in perfecte kadens, als vijf vrije worpen die feilloos in de basket ploften zonder de ring ook maar te raken, met een stevige dunk als toegift. “Hee-ee-ee-ee-eerr-lijk!”

Want wat was het een verademing dat men / de mensheid hem niet meer onophoudelijk lastigviel. Hij hoefde niet steeds te praten (vier lettergrepen) over van alles en nog wat. Zijn mening te geven. Hij zei het echt. In zijn HD-column schrijft de grote man vanochtend dat het ‘kolere virus’ ons in een wurggreep houdt. Zelfs de Olympisch Spelen van 2021 staan op losse schroeven. We kunnen ons alleen vasthouden ‘aan dat ene woord: hopen. Hopen is en blijft verlangend verwachten. Hopen kent geen horizon.’

Heerlijk!

Reiger die aalscholverimitatie doet


 

 

Hippe vis

Mijn favoriete risicobejaarde was aan het opruimen geslagen en had een grote witte envelop aangetroffen. “Jouw tekeningen van vroeger.” Zij vond ze echt leuk. Er was een stapeltje schriftblaadjes met nonchalante aantekeningen (Duits, natuurkunde), gelardeerd met mijn droedels: gedrochten, monsters, insecten, arabesken, karikaturen. Sommige inderdaad geinig.

Ook A3-vellen met oostindische inkt waarop ik mijn fantasie had uitgeleefd. Ik herinnerde me de bevlieging; het plezier waarmee ik inktklodders uiteen blies en het resultaat verwerkte in mij ‘kunst’. En voelde tegelijk een vaag onbehagen, alsof ik (vijftig jaar na mijn jeugdzonden) alsnog gearresteerd zou kunnen worden wegens plagiaat, want qua stijl deed het wel erg denken aan de generieke jaren-zestig-underground-LP-hoes. Psychedelisch, weetjewel.

Vanochtend schoot de naam Vali Myers me te binnen, een Australische kunstenares wier werk ik kende uit de Avenue (het tijdschrift). Ja, zij was eerst – ontkennen baat niet. En tot mijn schrik, zag ik op de achterkant dat ik al twintig was toen ik die vis tekende. Achteraf bezien had ik me misschien wat sneller moeten ontwikkelen, maar ik kan mijn persoontje van toen daar niet meer op aanspreken. Levensmanagement… het zal altijd wel een probleem blijven.

Ik zet de tekeningen hier neer. En ga straks eens kijken of er nog ergens een potje niet versteende inkt staat. Als het RaDa de komende zes maanden niet verschijnt, heb ik een hobby.


 

Dromen van Wybren

Op de Drentse hei waren 28 schapen met doorgebeten keel gevonden en de dader was gepakt. Het was Wybren van Haga. Heel vaak droom ik niet van ‘m maar in mijn onrustige halfslaap gaf hij een interview.

Bedaard, rationeel, weloverwogen, keurig in het pak. Om te beginnen, het waren niet allemaal schapen, er zaten ook geiten tussen. En zwarte schapen. Kuddementaliteit was hem altijd vreemd geweest en als ondernemer staat hij voor aanpakken. Net toen ik instemmend begon te knikken, schrok ik wakker.

Had ik maar niet naar dat triomfantelijke filmpje op het FVD-journaal moeten kijken, waarin Thierry Baudet het nieuwe lid verwelkomde, op deze ‘dag die je wist dat zou komen’. Van Haga’s verklaring was simpel. De VVD sloeg linksaf en hij was rechtdoor blijven lopen. Toevallig recht in de armen van Baudet, die – uiterst onwennig – probeerde bescheiden te kijken.

Het Forum voor Demo(n)cratie, waarom??? De RaDa-reda gelooft maar half in de praktische en ideologische redenen en zoekt het eerder in de psychologie. Toen Van Haga uit de VVD werd geknikkerd, ging hij verder als Groep Van Haga. Maar een groep zijn in je eentje, is net zoiets als tegen jezelf Monopoliën. Terwijl Wybren toch meer is van connecties, netwerken en broederschappen. Samen optrekken. In de Haarlemse raad vormde hij een gevreesd triumviraat met Jeroen Boer en Rob de Jong. Lachen om elkaars geestigheden, een-tweetjes!

Kom daar als solist eens om in de Kamer, uitgekotst door je partij. En eenzaamheid is nergens zo erg als in gezelschap. Van Haga de weg kwijt? Ik zie hem eerder als als zo’n zwervende wolf die de grens overschrijdt, op zoek naar een maatje.


 

Nieuw leven

Bij het uitmesten van een hamsterhok / voorraadkast uitte de huisdichteres iets wat het midden hield tussen een gesmoorde verwensing, het geluid van een mishandelde zingende zaag en een kreet van afschuw, pijn, paniek, verontwaardiging. Ja, daar dus precies het midden van!

Aansluitend naderde ze mij met een geheven, in plastic verpakt stokbrood; ik dook ineen – indachtig het spreekwoord ‘wie een hond wil slaan, vindt licht een stokbrood’ – maar haar ongenoegen gold niet mij maar Albert van de bekende familie Heijn, leverancier van ROBUUST (bio, vloergebakken, met desem bereid). Houdbaar tot 12 juli 2020.

Het brood was het slachtoffer van een virulente schimmeluitbraak. Terug naar de winkel, op onze hoogste poten, was mijn eerste impuls en daar op de hoogste, net niet ultrasone toon eisen dat ze dat brood voortaan niet meer op de vloer bakken. Of tenminste die vloer eerst schoonvegen. En na verkregen genoegdoening huiswaarts met de gebeurde €1,79, een nieuw stokbrood of een voucher.

Anderzijds (data-analysten weten dat dit een stokbroodje stokpaardje stopwoordje van de RaDa-reda is) ben ik ook wel weer benieuwd hoe het jonge leven in de plastic couveuse zich zal ontwikkelen. Lentegroene schimmels hebben we al, en donkergroene. Een paar oranje en paarse zouden zeker niet misstaan. Met een beetje geluk… Zouden de schimmels zo’n hele ROBUUST tot de laatste kruimel oppeuzelen? Of dreigt er een gevaar voor de volksgezondheid? Kan er gasvorming optreden en dat na de explosie blijkt dat – primeur! – Covid19 zich niet alleen via nertsen maar ook via stokbroden van AH verspreidt?

12 juli… Ik kan het nog zeven weken aanzien en dan alsnog de aankoopsom terugvragen. Als ik boven dat brood een webcam ophang kan ik iedere week de hoogtepunten hier vertonen. Beter dan Duits voetbal in een leeg stadion, toch?


 

Mijn laatste keer

‘Het onverwachte, het broeierige, het groots en meeslepende, de hemel bestormen, veroveren. Of in elk geval het idee dat zoiets kan gebeuren.’

Die man had schrijver moeten worden, dacht ik toen ik gisteren las over het ‘kroeggevoel’ van Ronald Giphart. In NRC verhaalt hij van de avond van 14 maart (the eve of the lockdown, RaDa-reda), toen hij met vrienden een fles Chassagne Montrachet deelde in bistro Madeleine.

Een zeer complexe wijn‘ volgens kenners, maar het ging Giphart om het savoureren van de laatste ons door de epidemiologen gegunde horeca-uurtjes.

Suggestie voor de krant: zijn er al weemoedige herinneringen opgetekend van automobilisten over hun laatste recordfile? Die avond waarop alles perfect georkestreerd samenkwam (wegwerkzaamheden, natte sneeuw, een kettingbotsing en overstekend Kerst-wild)… De nijdige claxon-improvisaties, wanhopigen die via ventweg en zompige akkers een afslag probeerden te bereiken… ‘God, wat mis ik dat!’

Nou ja, we hebben allemaal onze mini-serie ‘de laatste keer’. Mijn eigen laatste cafébezoek was op 8 maart in die nieuwe Uiver tegenover de Toneelschuur (toen die vrouw naast mij onbedaarlijk hoestte). De huisdichteres herinnert zich hoe zij en ik onze laatste handdruk kregen/gaven. Begin maart. De meubelstoffeerder bracht onze opnieuw beklede stoelen. Zó mooi gedaan, zó goed gelukt dat – korte wederzijdse aarzeling – shillyshally, shillyshally – doe-ik-het-of-doe-ik-het-niet? – nee, het zou al te bot zijn om… – ach, vooruit! (Hij had een goede, ferme handdruk, voor wie het weten wil. Handen die wat kunnen!)

Aan mijn laatste buitenechtelijke omhelzing werd ik onlangs herinnerd. Een vrouw die ik al veertig jaar ken. Ouder dan ik; ze woont alleen, in Amsterdam. Lange tijd hadden we geen écht warme band, maar (hoe het komt, komt het) het afgelopen jaar was er een onmiskenbare toenadering/beginnende vriendschap. Onlangs belde ze. Ja, ook zij hield zich religieus aan alle corona-geboden. “Trouwens, weet je wel dat jij de laatste geweest bent die mij heeft aangeraakt?” Ik had wat hulp nodig, maar toen ze het vertelde wist ik het weer. Een gure avond, we kwamen uit een theatertje, samen met de huisdichteres. Een beetje speciaal voelde hij toen al, die omhelzing – er werd iets beklonken of bekrachtigd. Maar van de speciale status die hij nadien kreeg, had ik toen nog geen vermoeden.

P.S. Born again-blogger iamzero heeft zo zijn twijfels over het kroeggebeuren van straks. Zie Checkgesprek.

 

Fijne slogan! Voor iedereen die nog nooit een ace of een dubbele fout heeft geslagen. De huisdichteres en ik dachten eerst, wij doen ook een dozijn van die rijmpies (Koop een stokkie en een rokkie, speel hockey) maar de oogst viel tegen.

 


 

P-woord en C-woord

Eer ik het vergeet, het lelijkste woord van 2020 en eerdere decennia. Ik kwam het tegen op 11 mei in NRC en… oh… goegeldegoegel… misschien bestaat dat hele afgrijselijke woord niet eens in het wild en/of is het verkeerd gespeld en moet het worden vervangen door een ander minstens zo stuitend woord.

En (tease, tease) nu zouden jullie toch onderhand wel nieuwsgierig geworden moeten zijn of me allang weggeswipet/-gemept moeten hebben ten gunste van een stukje dat wél instant-bevrediging levert. Ter zake (nou ja, bijna), in een artikel over huiverachtige, weigerachtige en besluiteloze basisscholen in tijden van corona, citeert de NRC onderwijskundige Femke Geijsel, hoofddocent aan de Radboud Universiteit:

“De basisschoolsector is heel geprotocoliseerd.” (Sic, sic, sick, sick as a dog / sick as a parrot). Na drie onderdrukte kokhalsjes voorspelde de RaDa-reda het woord een grote toekomst, ook buiten het doorgeprotocoliseerde en voortprotocollerende onderwijs. De Inspectie is de Opperprotocolleur natuurlijk (protocollisator, protocollist, protocollizeur?), maar op alle maatschappelijke terreinen rukt het Protocol onstuitbaar op. [Stelling: het protocol is de vijand van spontaniteit, creativiteit en jolijt.]

Door de C-crisis hebben de protocol-ridders de wind nog meer mee. Zij zijn degenen die beschikken over hectometers afzetlint, meetlatten van exact 150,0 cm, koortsthermometers; zij beplakken vloer, wand en plafond met pijlen die de voorgeschreven loop- en hoestrichting aangeven. De Preciezen zijn aan de winnende hand. De Rekkelijken schikken zich voorlopig schijnheilig en schijnveilig in hun geprotocolleerde lot (dat woord – even erg – geeft Google ipv ‘geprotocoliseerd’).

Nog even en het is Pinksteren. Iedereen verheugt zich op de geprotocolleerde lol die komen gaat. Sissy Boy Steef de Jong treedt vanaf 1 juni op in de Schuur, de Bieb is weer open (geretourneerde boeken 72 uur in een chlooroplossing – oh nee, dat is badinrichting De Planeet, ook weer open) en het NH-Archief hamstert corona-foto’s. Doneert allen! Deze mogen ze ook hebben.

 

Zondag daalde mijn favoriete risicobejaarde voor het eerst sinds tijden de trap van haar woning af om een geprotocolleerd luchtje te scheppen in het plantsoen. Op de trap droegen wij mondkapjes zodat ik bij wankelingen en struikelingen bijstand kon verlenen. Eenmaal buiten gingen die ondingen snel af.


 

Dichtbij en Grun

Een lui meedrijfdagje. Gisteren fiks gewandeld door de duinen (bij Het Wed mocht je er weer door!), dus er hoefde vandaag geen energie verbrand te worden. Verder is mijn ergste corona-infodorst gestild tot de tweede golf komt en dus krijgt andere lectuur een eerlijke kans

In NRC hield mijn lodderig flodderig oog stil bij een bekende zwart-witfoto uit 1940 van Haarlemse burgers en Duitse soldaten op een voor iedere bavocentrist bekend bordes aan de Grote Markt. Ik schuimde de pagina af. ‘Stoop’s Bad, Santpoorterplein, Verspronckweg…’ Nu komt het wel érg dichtbij, clichéde ik en las de selectie uit Bakvis in oorlogstijd, het nu voor het eerst gepubliceerde oorlogsdagboek dat Miep Diesel (1926-2020) als 15-jarige begon. Over  zwemmen, vriendjes, de MULO, de Stuyvesantstraat (waar ze woonde) – kortom het dagelijks leven tijdens de bezetting. Een fragmentje [zondag 31 januari 1943] Kort politiek overzicht. In Rusland gaat het uitstekend. De moffen lopen hard, heel hard. In Afrika gaat het ook reuzegoed. Ik denk dat de oorlog ongeveer in mei is afgelopen. Vorige nacht is er weer een hoge mof doodgeschoten op de Verspronckweg. Er zal wel weer wat zwaaien voor ons Haarlemmers.

Hier nog twee links, naar het Noord-Hollands Archief (waar het manuscript nu ligt) en een artikel uit het NH Dagblad.

Zelf lees ik momenteel De Kunst is mijn slagveld, de correspondentie (1993-2001) van de romantische, getourmenteerde, grappige, rancuneuze, obsessieve, Oost-Groningse romanschrijver Nanne Tepper (1962-2012). Liefst 750 pagina’s meeslepend, stilistisch briljant én wijdlopig proza; over Luiletterland, kunst, voetbal, porno, muziek, Nabokov, ‘fillum’, jeugdliefdes in de Veenkoloniën, intellectuele poeha, tuinieren en zijn eigen schrijverschap. Ik vermoed dat ik het boek niet helemaal zal lezen (er is zoveel!), maar voorlopig is het een feest. Ik doe geen poging er binnen dit bestek recht aan te doen en geef enkel dit citaat:

Heb ik je wel eens verteld dat mijn vorige elektriese tijpmasjien, tijdens het schrijven van een godslasterlijk stuk, ontplofte, een witte vloed afscheidde en een reeks 8-en produceerde (zo’n twintig) voor hij de geest gaf? Echt gebeurd!

 

De natuur neemt het voorjaar weer erg serieus dit jaar (kastanje aan Schotersingel)


 

Knipoog

Leedvermaak is dubbel vermaak, dus de verleiding was er heus wel even om hier op 3 mei iets te schrijven over Formule Nul / (Anti-cli)Max Verstappen, etc.

Maar gegeven de trieste omstandigheden… En toen liep ik ook nog eens over een lege, gure Boulevard, waar raceliefhebbers deze nostalgisch foto’s hadden opgehangen van de groten van weleer: Graham Hill, Nicki Lauda, Jacky Ickx, Nelson Piquet en andere coureurs uit de tijd dat de duinen nog zwart-wit waren en de strobaal net was uitgevonden. Zelfs ik raakte vertederd.

 

Op 25 april stond in het HD een interview met circuitdirecteur Robert van Overdijk. De krant prees het aan als ‘openhartig’ – zelf vond ik het vooral plat en glad. Citaat over de coronastilte: Met een knipoog zeg ik: de milieuclubs hebben meer dan hun zin gekregen. De RaDa-reda kent en verafschuwt dit soort knipoog. Vet en glibberig als motorolie. De mij-maak-je-niks- het-is-immers-maar-een-grapje-knipoog.

De ‘openhartigheid’ zat ‘m vooral in de passage over het circuit als een plek ‘met potentie’: De bouw van een of twee hotels op het circuit en mogelijk het strand zijn toekomstmuziek. “Voor de zakelijke markt, met congresfaciliteiten, vergaderzalen, flexibele workoffices. Maar fraai genoeg om in het weekend te blijven met je vriendin.” (Knipoog bij dat laatste?)

Ook dat liet ik passeren. Maar deze week doet het circuit weer van zich spreken. Het college van Zandvoort ligt op zijn gat na een conflict met de lokale partijen over een nieuwe verbindingsweg bij het circuit. Wie er het fijne van wil weten kan terecht bij Richard Stekelenburg die in het HD heroïsche pogingen doet het politieke gekonkel te duiden. Het twistpunt is of de nieuwe weg enkel bestemd is voor hulpdiensten of tijdens (maximaal 50!) evenementen ook voor het publiek. N.B. De weg sluit aan op de strandtent van onze raceprins.

Meer circuitnieuws in Trouw: de milieuclubs slaan alarm omdat onder de tijdelijke tribune een oppervlak van 20.000 vierkante meter met allerminst tijdelijke asfaltblokken is verhard. Na de Grand Prix zou de zandvlakte weer aan de natuur worden teruggegeven, was de belofte. Teruggeven aan de natuur, ja. Met een knipoog!