Smeu

Smeu blijkt toch geen zelfstandig naamwoord, jammer. Ik had hier een smeuïg recept klaarliggen en vandaag leek me de dag. Alleen vanwege de welluidende naam van dat spul had ik al zin om het te maken: muhammara.

Dat zou een mooie vloekvervanger kunnen zijn in plaats van de crue eenlettergrepige verwensingen waar we ons meestal van bedienen. Voor een hartgrondige vloek mag je best vier lettergrepen uittrekken. Ik noem maar wat, je hebt in de keuken gestaan, de garnering is aangebracht en bij je zwierige entree in de volle huiskamer glij je uit en glipt de schaal je uit de vingers. Je eindigt in een oranje brij, op de plavuizen: “Mu-ham-ma-ra!” klinkt het uit alle monden.

Het goedje komt uit Syrië of Libanon en je kunt het tegenwoordig kant-en-klaar kopen in plastic bakjes. Maar mij gaat het juist om dat bevredigende hak- en prakwerk, waarbij weinig mis kan gaan. Rode paprika’s roosteren en daarna speel je de Grote Homogenisator. Met een grijns vijzel en meng je de ingrediënten tot ze de kleur hebben van een Bhagwan-aanhanger die door de blender is gegaan.

 

 

Op kooksites noemen ze het smeersel (het is lekker op Turks brood) een ‘dip’ of een ‘spread’. Waarom geen ‘smeu’ dacht ik, in de veronderstelling dat het woord ‘smeuïg’ daar ooit van was afgeleid. Alleen, etymologen zijn het er niet over eens – gaat het terug op oude woorden voor room of modder? Of zit het anders? Hoe dan ook, ‘smeu’ is vacant, lijkt me en het zou niet misstaan in het smikkel- en smulwoordenboek. En ‘smijdig’ mogen we ook best vaker gebruiken.

Het recept staat op allerlei plekken op het Wereldwijde Web, dus kijk zelf maar bij De Groene Meisjes, Chicks love food, De Kokende Zussen, Anniepannie of Koken met Jan. Zelf had ik het uit de krant, van Janneke Vreugdenhil. Oef, Janneke, ik krijg het nog warm als ik aan die Coq au Feu van haar denk (leuk RaDa-stukje, al zeg ik het zelf).

P.S. Dat eetbare paarse bloemetje camoufleert een beschadiging in de schaal

 


 

Zóóó blauw

‘Media vita in morte sumus.’ Heb ík dat? Ik wou een upbeat RaDa-stukje schrijven over hemels blauw en er ter meerdere inspiratie een blij moppie muziek bij zoeken, maar Spotify stond nog op een speellijst met Orlande de Lassus.

‘Midden in het leven zijn wij omgeven door de dood’? Laat het maar aan die zure zestiende-eeuwers over om de stemming te verpesten… Wel voelt het voor mij zo tussen de Eerst en Tweede Golf in nog enigszins of er een taboe zit op geluk. Mag het alweer? Even controleren, het RaDa heeft niet voor niets een zoekvenstertje. De meest recente voltreffer is uit mijn Straatjournaal-column van januari: ‘Geluk bestaat niet, maar gelukkig zijn kan. Af en toe, ondanks alles.’

Himmelhoch jauchzend is anders en kennelijk ben ik er daarna niet meer zo mee bezig geweest. Maar deze week ging het crescendo. Ik was in Knokke, met duizenden bezopen Nederlanders… Nee, we wandelden en fietsten hier in de buurt en het enige minpuntje was dat ik een krik in mijn nek kreeg; niet van een woedende automobilist met bandenpech, maar van het omhoog kijken naar het schouwspel dat de wolken ons voorzetten. Het hield niet op! Vrijdag op het strand en in de Kennemerduinen, zaterdag in het Amsterdamse Flevopark en gisteren op Schoteroog en in Spaarnwoude.

Hieronder mijn bloem blauwlezing. Oh… en dan (bang momentje!) maar hopen dat jullie ook naar boven hebben gekeken de afgelopen dagen. Dat niet een of andere Sammy (door Ramses in de steek gelaten) zit te simmen en sippen van, nou, mooie foto’s maar ík heb niks gezien. Vergeten omhoog te kijken…

 

Strand bij Santpoort (Duin en Kruidberg)

 

Kattendel

 

Flevopark Amsterdam

 

Flevopark andermaal

 

Vanaf Schoteroog

 

Spaarnwoude

 

Ook de vliegroutes waren pittoresk (toestel is dat fruitvliegje middenin)
En ze waren nog niet met héél veel.

Goed voornemen: The Cloudspotter’s Guide nu eindelijk eens echt bestuderen!


 

De inspreker

Haarlemmer Pieter Vonck mag tot 31 oktober de raadszaal niet in, nadat hij zich op 11 juni als inspreker luidruchtig manifesteerde bij een commissievergadering.

De RaDa-reda googlede op ‘Pieter Vonck, stemverheffing’ / ‘Pieter Vonck rauwe kreten’ / ‘Pieter Vonck. activist, geluidsoverlast’ / ‘Pieter Vonck waanzinnig geschreeuw en uitzinnig ideologisch gekrijs’. Ik kwam uit bij zijn website (niet erg actueel) en luisterde naar zijn radio-interview met Haarlem 105. Dat viel erg mee: bedaard, bedachtzaam, soft-spoken.

En er was deze oude foto uit een verkiezingscampagne voor de Actiepartij. Vonck als Superman.

 

Superman bespeurt onrecht. Misstanden. Bestuurlijk falen. Met de snelheid van het licht flitst hij door de Melkweg vanuit het superheldenhuisje waar hij samenwoont met Batman, de Hulk en Spider-Man. Gedreven door idealisme, bijna uit zijn maillot knappend van morele verontwaardiging, dossierkennis en daadkracht. Net op tijd landt hij bij de inspreekavond, op een planeet waar de tijdsbeleving anders is. Trager, stroperiger. Mappen zijn zoek, de Powerpoint doet het niet, verantwoordelijke ambtenaren blijken met pensioen en nog niet ingewerkte vervangers zijn hun memo’s vergeten. De wethouder laat geeuwend weten dat het verlepte groen in de plantenbakken bij het Marsmanplein met ingang van 2028 of op zijn laatst 2029 winterhard zal zijn. “WHAAAAAOOOOOGRRRR!!!!!!!!!!!!!!!”

Omgekeerd worden ze bij de gemeente gek van hem. De heilige ernst, het rechthaberische en ja, hij hééft helaas ook vaak gelijk. Een huivering trekt door de ambtelijke gelederen als ze de Bomenridder tussen het publiek zien zitten. Als die iepen-mieper /eiken-zeikerd / elzen-omhelzer / stammen-drammer zijn zin krijgt, moet het werk over. Denk aan het Houtmanpad…

Maar een stadhuisverbod tot 31 oktober? Voor 98% van de Haarlemmers zou het een straf zijn om maandelijks een kwartier van een commissievergadering bij te wonen, beseft de Muggenmeester dat wel? Wienen (onbuigzaam in de strijd tegen drugs en misdaad) laat zich hier van zijn steilste, starste kant zien. Bedenk eens iets leuks, Jos, vind een modus vivendi. Maak van dat inspreken een soort Achterwerk in de kast en geef alle Haarlemmers de kans mee te doen. Of doe het met Zoom en draai het geluid lager als Pieter Vonck al te vurig van leer trekt. Dat moet kunnen, met volwassen gelijkhebbers onder elkaar!


 

Barricaden

Grote hemel, ik woon hier op schroeiafstand van een brandhaard!!! Een hoog opgelaaid conflict in de buurt, dat nu door een rechterlijke uitspraak is beslecht. Maar ik sluit niet uit dat het weer opflakkert en dan overslaat naar mijn eigen doorgaans zo vredige huiskamer. De regiobijlage van het HD opent er vandaag mee – met de buurt, niet mijn huiskamer.

Het betreft een gedeelte (50 meter) van de Tetterodestraat dat deze zomer is afgesloten voor autoverkeer, zodat kinderen er kunnen spelen zonder door gemotoriseerd verkeer geschept of geplet te worden. De gemeente Haarlem biedt bewoners de mogelijkheid om hun straat te nomineren als ‘leefstraat’ (vorig jaar) of ‘speelstraat’ (dit jaar), teneinde saamhorigheid en ‘verbinding’ te bevorderen.

Aldus geschiedde in de Tetterodestraat, althans de afsluiting. Stel je voor, RaDa-lezer: uitgelaten kinderscharen tollen en dollen daar; ravotten, slierten, hinkelen, bok-bok-berriën, stoepranden, knikkeren; leven zich uit in stand-in-de-mand, touwtjespringen, elastiekentwist, diefje-met-verlos! Brueghel zou likkebaarden. Als ambulant buurtbewoner heb ik kunnen vaststellen dat het zo’n vaart niet loopt in de motregen, maar toch…

 

 

Nu de saamhorigheid nog! Nou wil het toeval dat de Tetterodestraat sinds een eeuw parallel loopt aan de Wouwermanstraat: even open als 98% van alle straten in deze gemeente, met dien verstande dat – je hoeft geen stadsplanoloog te zijn om dat te snappen – sommige auto’s die op de barricade bij de Tetterodestraat stuiten nu door de Wouwermanstraat rijden. En de ‘parkeerdruk’ is eveneens hoger geworden… Gemor, gegrom, geknars van tanden en dure kronen, ja. En zowaar, verbinding! Twee bewoners, laten we ze Rob en Ciske noemen (want zo heten ze) spanden samen een proces aan.

Het Engels heeft het woord ‘litigious’ voor mensen die om het minste of geringste naar de rechter stappen. Zullen we ‘zeikerig’ gebruiken als werkvertaling? Gelukkig, de rechter oordeelde dat de ‘lusten’ van Tet zwaarder wogen dan de ‘lasten’ van Wou, maar daarmee was de kous niet af.

Ik vertelde het licht gnuivend aan de huisdichteres , als illustratie van de nuftuttigheid waaraan het Kleverpark ten prooi is gevallen, maar zij (voorheen mijn onvoorwaardelijke bondgenoot in elke strijd) gnoof niet mee. Die klagers hadden ergens wel een punt, vond ze. Een gekartelde rode demarcatielijn liep dwars over ons laminaat. Tet versus Wou…

Als ze van hogerhand nog eens wat weten om de saamhorigheid te stimuleren, laten ze het dat dan ergens anders doen!

Rond het middaguur: de lege speelzone bij TET (rechts) en daarnaast WOU, kreunend onder de parkeerdruk


 

Blinde vlekken

Deze week was ik tien minuten op vakantie in eigen stad. Ik moest iets ophalen in de thuiszorgwinkel in de Amsterdamstraat, bij de Amsterdamse Poort. Er waren drie wachtenden. De vrouw die geholpen werd, zocht een hometrainer en liet zich uit-en-ter-na voorlichten over… waarover níet? Van het materiaal van de stuurgrepen tot de kwaliteit van de riempjes van de toeclips. Het duurde en duurde.

“Kan er ook een aanhangwagentje achter?” wilde ik me ermee bemoeien. “Heeft u een bidon, een helm én een legging in dezelfde kleur als het frame?” In plaats daarvan liep ik terug de winkelstraat in. Ik kocht een gevulde koek bij de bakker en peuzelde die op op het bankje voor de zaak.

Kwam het doordat ik de laatste maanden zo weinig van huis ben geweest? Mijn zintuigen deden zich tegoed, zogen zich vol, alsof ze iets in te halen hadden. Het klinkt vreemd om de Amsterdamse Buurt ‘exotisch’ te noemen, maar zo voelde het. Alsof ik voor het eerst van mijn leven in Ulan Bator was, of Novosibirsk. Het straatbeeld was prettig gemêleerd en (het kon ieder moment gaan regenen) de mensen hadden het te druk met zichzelf om op mij en mijn koek te letten. Ze moesten naar de Zeeman of naar Happy Pizza of de Prijsmepper. Ze joelden net even harder naar elkaar dan ik gewend was, praatten platter en de scootertjes knetterden met ongeremd enthousiasme.

Ik (bedenker van de klassieker Delftwijk Meerwijk) verbeeld me altijd dat ik de stad beter dan gemiddeld ken. Maar dit was een blinde vlek en dat zette me aan het denken. In hoeveel verschillende buurten zou de gemiddelde Haarlemmer komen? ‘Komen’ in de zin van er weleens een halfuurtje doorbrengen, of er op zijn gemak doorheen slenteren (doorheen fietsen telt niet). Niet meer dan zes, vermoed ik.

Terug in mijn eigen territorium ging ik naar de Groene Winkel. De vrouw voor mij keek uiterst zorgelijk. “Deze kokosolie, is dat wel koude persing? Ik zie het niet op het etiket.” Jammer dat het geen lauwe of hete persing was, dan had ik haar graag doorverwezen naar de Prijsmepper.

 

Het Spaarne vanaf de Oerkap


 

Nederlander en Nederlander

We moeten het nodig eens over de Nederlander hebben. En over de Nederlander. En over oorlogsmisdaden.

Gisteravond viel ik middenin Srebrenica – De machteloze missie van Dutchbat, een documentaire over onze door Mladić en consorten gepiepelde VN-soldaten, die een genocide niet konden verhinderen. Het zwaartepunt lag bij hun eigen verwerking, niet bij de 8000 vermoorde mannen en jongens, maar het was evengoed (weer) hartverscheurend hun relaas te horen. Voor het leven getekend, psychisch.

En toch… ik kan het niet helpen. Als ik ze hoor praten denk ik onwillekeurig, tja, Nederlanders, daar win je de oorlog niet mee. Kinderen van Mient Jan Faber, niets ergs meegemaakt. Vlotte, onbevangen, energieke mannen en vrouwen, die graag spelletjesmiddagen organiseren op de camping; die verontwaardigd zijn als hun pilates-les zonder waarschuwing vervalt of iemand een kapot bankstel op de stoep zet zonder Grofvuil te bellen. Het Grote Kwaad, daar zijn ze meestal niet mee bezig. In 1995 was ik zelf 42 – oud genoeg om nog te dienen.

Alleen lag het gisteren ingewikkelder. ‘s Middags was ik begonnen aan Brandende Kampongs, een ingedikte versie (242 pagina’s) van Rémy Limpachs onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdrijven in Indonesië tussen 1945 en 1949. De toon is ernstig en beheerst, het boek leest als een requisitoir. Een paar hoofdstuktitels: De massamoord in Zuid-Sulawesi (Celebes); Het bloedbad van Balongsari – of het Nederlandse My Lai; Terreur in Cililitan; De lijkentrein van Bondowoso. De foto’s zijn ronduit schokkend (zie bijvoorbeeld hier) en veel passages lees je met walging.

In 1947 was mijn vader vijfentwintig, oud genoeg om te dienen in het KNIL of de landmacht (er werden maar liefst 200.000 Nederlandse manschappen ingezet). En nee, het betrof geen ‘incidenten’ of ‘excessen’, zoals ons lang is voorgehouden. ‘Onze’ kapitein Westerling deed qua wreedheid niet onder voor Mladić (lees bijvoorbeeld dit artikel).

Limpach zei in een recent interview te hopen dat het Nederlandse zelfbeeld wordt bijgesteld. Als iemand recht van spreken heeft, is hij het. Maar misschien is één zelfbeeld voor zoveel Nederlanders wel wat veel gevraagd.

 

Een reddingsoperatie hier thuis, van een wel heel erg klein lieveheersbeestje (als we het dan toch over zinloos geweld hebben..)


 

 

Miljardjes

Vroeger had je een duppie, een kwartje, popie jopies hadden een piekie (maar ‘guldentje’ was minder courant). De rijksdaalder kende geen verkleinvorm (wel de afko ‘riks’ of het Bargoense ‘knaak’) en dan ging het rijtje verder met vijfie, tientje (joetje), vijfentwintigje (geeltje), honderdje (meier / snip). ‘Eurootje’ klinkt als een uitvinding van bedelende junkjes om te verdoezelen dat het meer was dan een ‘gulden’ (het meervoud ‘euri’ is als poging tot humor gelukkig vrijwel uitgestorven).

 

Een biljet van duizend (rug/duizendje) heb ik zelf nooit uitgegeven / stukgeslagen. Toch kan ik daar nog een beeld bij hebben. Maar vorige week kwam ik in het HD dit citaat tegen van een ontevreden woningbouwpief: “… met een miljardje redden we het niet.” Ik spreek hem niet tegen, maar…  ‘een miljardje’?

Met alle steunpakketten en noodmaatregelen vliegen de miljarden ons ineens om de oren. Een dyscalculerende burger als ik wordt zenuwachtig van zulke grote getallen, op allerlei terreinen. Het heelal bestaat 13,7 miljard jaar. Lekker dan! De bliksem slaat per jaar wereldwijd 1,4 miljard keer in (dus?). Bij de recente cyberhack moesten rechercheurs 100 miljoen berichtjes van criminelen doorzoeken (25.000.000 waren relevant!) – als je die bundelt, hoe dik is het boek dan? In een Eindhovense woning werd 12,5 miljoen euro aan cash gevonden – past dat (250.000 vijftigjes) in een koffer? Een badkuip? Een bouwcontainer? Hoeveel cocaïnelijntjes gaan er uit een drugsvangst van 8000 kilo? Of als je er één héél lange lijn van maakt, omcirkelt die dan de aarde?

Terug naar geld. Zaterdag schreef NRC-columnist Caroline de Gruyter over de Nederlandse schrieperigheid in de EU – we misgunnen Italië 7 miljard (uitgesmeerd over 30 jaar). Zij becijferde dat het verlangde hulpbedrag per Nederlander neerkwam op €9,54 per jaar. Oftewel vier kopjes koffie op het terras per jaar. Ze kreeg heel wat over zich heen (en sommige critici zetten zelf van €9,54 meer dan honderd kopjes kofie!). Toch, het principe spreekt me wel aan. Zoals de oppervlaktemaat ‘voetbalveld’ het heeft gewonnen van de (hect)are, zie ik wel kansen voor de munteenheid ‘kopjes koffie per jaar per Nederlander’. En in ieder geval klinken zelfs felle begrotingsdebatten voortaan een stuk gemoedelijker.


 

Gerrit van Dijk

Met zo’n twintig slotgenoten betraden we vanochtend als eersten 37 PK (Groot Heiligland) voor de expositie en de presentatie van het meer dan 200 pagina’s dikke boek over Gerrit van Dijk: ‘Hommage aan een inspirerende dwarsligger.’ Dat bleek een groot voorrecht.

Stuwende krachten achter het eerbetoon aan de in 2012 overleden kunstenaar waren Jacques Overtoom en Gonda Koster. Dat fraaie boek heb ik tot nu toe alleen doorgebladerd, gniffelend om de melige of bijtende humor in de kunstwerken en de jeugdfoto’s van Gerrit en zijn generatie (Piet Zwaanswijk, Jan Heijer, etc.). En die tentoonstelling vond ik verbluffend, in die zin – noem mij onnozel! – dat ik nooit ten volle had beseft hoe veelzijdig Gerrit was en hoe ernstig hij zichzelf nam als kunstenaar en animatiefilmmaker. En hoe lang geleden hij en zijn maten al vuurtjes aanstaken en oppookten hier in Haarlem – sinds de tijd dat burgemeesters nog ontstemd wegliepen bij een concert omdat het Wilhelmus niet werd gespeeld. Zulke gezagsdragers kon je als rebelse kunstenaar nog kietelen; en dus schiepen Gerrit en Piet Z. ‘Ons erelid’, een weinig flatteuze gelijkenis van KVP-er Dr. I. de Gou. Een rel was geboren, want de stad weigerde het aanstootgevende object aan te kopen volgens de BKR-regeling! Dat was in 1974.

Alles is in deze tentoonstelling bijeengebracht: spotprenten voor het HD (plus de druk versierde enveloppen waarin ze werden verstuurd aan de krant), de Mickey Mouse-collectie, vroeg schilderwerk, mappen vol schetsen voor de films, het beste urineerwerk, collages, de films zelf, posters en Badmuts-sketches. Plus beeldverslagen van de uiteenlopende happenings en manifestaties waar Gerrit bij betrokken was. De man was altijd bezig.

Ik plak hier een paar foto’s, er staat het nodige van Gerrit bij Brabants Erfgoed en wie naar 37PK gaat (zeker doen!) moet wel een afspraak maken. Kan tot in september.

.

.

.

.

.


 

 

 

 

Te vroeg gestopt?

Een jaar geleden stopte ik na meer dan veertig jaar als leraar Engels. Ik was toen nog tien maanden van de officiële pensioenleeftijd verwijderd. Ik was er destijds (hoewel niet ontgoocheld of uitgeblust) vrij zeker van dat het het juiste moment was om een punt achter mijn loopbaan te zetten.

Wat ik toen nog niet wist, was dat ik mezelf daarmee een onbevredigend en roemloos einde heb bespaard. Die laatste corona-maanden zouden een ware beproeving zijn geweest. Geklungel en frustratie met Zoom of Teams en ander online-getob. Met tegenzin inloggen voor doodgeboren lessen; na stroef overleg met collega’s vreugdeloze werkschema’s opzetten, met obligate opdrachten en toetsen die allemaal beoordeeld moeten worden; proberen de moed en de sfeer erin te houden, terwijl je bij je leerlingen zodra de nieuwigheid eraf is de laatste vonkjes enthousiasme ziet doven. Hulde, hulde, hulde voor al die collega’s die zich door dit jaar heen hebben geslagen, vast en zeker met meer animo en plichtsgetrouwheid dan ik ooit had kunnen opbrengen.

Gisteren kreeg ik een app-je van een vijfdeklasser van vorig jaar: ‘Vanmiddag om 13 uur is de diploma-uitreiking. In het Telstar-stadion. Komt u nog? Dat had u beloofd.’ Ik had het beloofd, ja, in andere tijden. Toen ik me excuseerde, liet ze weten dat er een livestream was (er mochten maar honderd mensen bij).

Ik heb wel zitten kijken naar die vreemde openluchtceremonie, vanuit een vast camerastandpunt gefilmd – zonder close-ups. Een beetje weemoedig werd ik ervan – aan veel geslaagden bewaar ik leuke herinneringen. En een jaar geleden stond ik daar zelf nog in het gelid met de collega’s: strak in het pak, een tikje nerveus voor het parmantige, complimenteuze toespraakje voor de kandidaat. Het ontroerde me hoe iedereen op zijn eigen manier zijn best deed om goed voor de dag te komen, voor de leerlingen, voor de school. Ondanks alles. En ik vermoed dat er nog nooit zo naar vakantie is gehunkerd als dit jaar.


 

Stenen Bal

Misschien dat ik de enige ben… (Anderzijds, om letterlijk ergens de enige in te zijn, moet je het wel erg bont maken, diep gezonken zijn, van uitzonderlijk goeden of slechten huize komen of zo gek zijn als een doorgesnoven draaideur. Uniek, zeg maar.)

Ik wilde het hebben over die grote stenen bollen her en der in Haarlem. Overdag neem ik er eigenlijk amper nota van. Op sommige plekken kan je je er met wat goede wil een functie bij voorstellen, als afscheiding of iets dergelijks; andere bollen liggen er ogenschijnlijk voor de sier of omdat de gemeente te groot had ingekocht.

‘s Nachts is het anders – ben ik soms anders. Om een uur of twee, in een lege stad, na een wijntje bijvoorbeeld. Joliger, zwieriger, ongeremder; de lagere instincten laten zich gelden. En een zo’n instinct is sinds mijn vierde jaar om iedere bal die ik zie een trap te geven. Niet per se een enorme jens, het mag ook een inswinger zijn, een wippertje of een droge, geplaatste schuiver. Maar ja, soms doemt er zo’n bal op uit het duister en dan – even maar- wil ik ‘m gewoon zo hard mogelijk raken en vanuit het Kenaupark met een enorme boog over de spoorrails richting Bolwerken lanceren. Het besef dat die bal van steen is en verankerd zit in de stoep komt tot nu toe steeds op tijd.

 

Als ik echt in een dolle bui ben zou dat besef weleens te laat kunnen komen. Ben ik de enige Haarlemmer die dat risico loopt? Of is het een goed bewaard geheim op de spoedposten? Dat ze daar een aparte code hebben (SB) voor mannen die, hopend op een nachtelijk Koeman-momentje, verwoestend uithalen en hun wreef verbrijzelen op zo’n Stenen Bal?