Onbestelbaar retour

Je eigen land, Nederland in dit geval… Liefst ben je er (ondanks alles) toch een beetje trots op. Dat er af en toe eens iets in de soep loopt (milieuverloedering, coronageklungel, woningnood, bodemdaling, polarisatie van de samenleving, witwasschandalen, ontlezing, bankfraude en motregen), soit… dat hoor je als goede vaderlander op de koop toe te nemen. Overal is wel wat, sommigen hebben altijd wat te zaniken en zeuren. Niet doen, zo praat je elkaar de put in…

Hoewel? Vanochtend las ik in NRC (was het Floor Rusman? Ja!) dat geforceerd optimisme en gespeelde monterheid niet goed zijn voor de psyche. En dat Fransen een andere klaagcultuur hebben dan wij. Daar is foeteren tot een ware kunst verheven. Een bedreven ‘râleur’ (mopperkont) kan zich een zekere status en populariteit bij elkaar klagen en jeremiëren, vergelijkbaar met die van cabaretiers hier. Dus daar gaat ie…

Vorige week verzond de huisdichteres een verjaarskaart aan mijn neef in Zwitserland. De kaart was gefrankeerd voor €3, de twee zegels (priority) toonden een weidekoe en een windmolen. Vooruit, een beetje chauvinisme en nostalgie, daar mogen we best mee geuren in het buitenland. Alleen heeft die hele kaart dat buitenland nooit bereikt. Vandaag kwam hij terug, met een PostNL-sticker, die hem van onbestelbaarheid betichtte. Wat een zeperd. We inspecteerden de adressering. Straat, nummer, postcode en gemeente klopten. Het zou toch niet zijn doordat we hadden verzuimd ‘Zwitserland’ te vermelden? In plaats daarvan stond ‘Bern’.

 

Ostermundigen ligt tegen Bern aangeplakt. Maar die kaart is de Nederlandse grens nooit gepasseerd. Het raderwerk liep in Amsterdam vast. Bern????? Die geniale PostNL-detectives hadden blijkbaar niet het benul, de fut of het plichtsbesef om een atlas te raadplegen, het lief aan Google te vragen, of een willekeurige passant aan te klampen. ‘Bern’, weet u waar dat ligt toevallig? Wij zijn radeloos hier op de afdeling. Het klinkt ergens wel bekend…

Pech… Gewoon retour afzender dan maar? De kaart die wij terugkregen was zijn ongereptheid kwijt.

 

Bezoedeld en klam lag ie op de mat. Eén zijde was opengereten, de hoeken gerafeld, alsof hij tijdens een hoosbui op een nat spooremplacement bij Muiderpoort een drieste ontsnappingspoging had gedaan en door vijf geüniformeerden met buitensporig geweld was gearresteerd, in een kerker geflikkerd en door uitgehongerde postratten was aangevreten. Onherstelbaar retour.

Maar dat zal wel niet, van die achtervolging. Heeft PostNL nog geüniformeerden in dienst? Met een vouw in de broek? En zo ja, zouden die een poot hebben uitgestoken bij wegwaaiende post? Brieven en kaarten, als je erbij stilstaat is het allemaal omslachtig gedoe, zeker als je ze moet bezorgen. Het is een publiek geheim: PostNL heeft niks meer met brieven. Het is veel lucratiever flexwerkers door voetgangersgebieden te laten rondscheuren met oversized kartonnen dozen.

En dat Nederland… Toon mij de postbestellers in een land en ik zeg u hoe het is gesteld met de publieke moraal, de dienstverlening en de opvoeding. Waar zijn wij eigenlijk nog wel goed in? Zelfs klagen doen we lomp, humorloos, binnensmonds en ongeïnspireerd. Als ik nog even klagen mag…


 

Grijs, roze en geel

Eens schreef ik hier over een fietsende man zonder achtervolgingswaan die meer dan een kwartier langs Bloemendaals lanen en dreven werd achtervolgd door een vorkheftruck. (Het bijbehorende filmscenario werd nooit geschreven…). Ja, die man dat was ik.

Dat voorval… uh… achtervolgde me verder niet, maar gisteren dook er een ander vervaarlijk bouwvoertuig op in mijn leven. Het was een klamme, blauwloze maandag; we wandelden door het heiïge Kraansvlak en brachten de middag in goed gezelschap door op het terras van een strandtent.

 

Onder de grijze hemel, weliswaar, maar de mussen waren er guitig en ons gesprek tsjilpte lekker door. Toen we twee uur later vertrokken hadden landscapers / sandscrapers een ravijn aangelegd met hun bulldozers. En het begin van een snelweg. Was er eigenlijk wel een opdrachtgever, of hadden ze er gewoon zin in?

 

Beneden, langs de vloedlijn, was alles nog even grauw, een beetje nevelig. Tot één, zéér filmisch moment. Paris Texas of iets van Alex van Warmerdam. Honderd meter van ons vandaan lichtte iets op in de grijzigheid. Een jonge vrouw in een knalroze badpak stak het brede, lege strand over naar de zee. Ze liep gracieus en doelbewust, zonder op op of om te kijken. Toen nóg meer kleur! Recht achter haar zette een knalgele shovel zich in beweging, krachtig en net zo doelbewust. Het gevaarte liep gestaag in op de vrouw. Het had iets mysterieus. Een paar seconden leek alles mogelijk. Was de bestuurder een maniak, die er al zijn hele leven van droomde een vrouw in een roze badpak te schaken in de grijper van zijn machine?

 

Uiteindelijk gebeurde er niets gruwelijks. En ook niks romantisch*. De Beauty bereikte de branding ongemolesteerd en dook in de golven. The Beast hield stil bij de waterkant. Had hij besloten dat hij alleen op knalgeel viel en niet op knalroze? Ik heb het niet nagevraagd. Het ging om dat ene beeld, die paar seconden daarvoor, dat alles mogelijk leek. Het moment vóór alles weer normaal werd.

 

Baadster en shovel trokken een tijdlang hun afzonderlijke baantjes en kruisten elkaar toen vreedzaam

(*Want voor hetzelfde geld was de werknemer van de gebr, Paap te Zandvoort met een bos roze rozen uit de cabine gesprongen in een bijpassende roze zwembroek om de baadster ten huwelijk te vragen. Je weet het maar nooit, beste RaD-lezers. In deze wereld. ).

Met dank aan Gonda Koster voor de derde en vierde foto.


 

New balls, please!

Bestaan er bal-archeologen? Deze week vond ik in de berm bij het Houtmanpad een bal, nog net herkenbaar als een tennisbal. Hij was kaal…

(Trouwe RaDa-lezers weten dat de redactie na zich gestort te hebben op de hete Haarlemse actualiteit verkoeling zoekt in een ongevaarlijk stukje over iets tams, onbenulligs en onomstredens en deze vondeling, zonder eigenaar, menselijk of honds, voldoet aan alle voorwaarden dienaangaande.)

Kaal, zei ik, of kalende – er kleefden hem nog wat oude viltpluisjes aan – het zal je kapsel maar wezen… Rimpels had hij niet, en hij had nog niet al zijn bounce en veerkracht verloren. Uit de tijd van Tom Okker (Haarlems grootste tenniszoon) en Betty Stöve? De eerste tennisballen die ik me herinner waren wit; wanneer kwamen die groengele of geelgroene? Ah… je kunt die dingen opzoeken: 1972, voor betere zichtbaarheid op TV.

Op de US Open rossen ze elk toernooi door 70.000 ballen heen; ze worden na negen games vervangen, maar dan zijn ze er, de gemene slices en brute opslagen van Nadal en andere tennisreuzen ten spijt, nog een stuk beter aan toe dan mijn gevonden voorwerp. Gaan ze dan naar het amateurtennis, of direct naar hondenasiels?

Om zijn geliefde tennisbal zo te ontharen als deze moet een hond heel wat sabbelen, kluiven en apporteren. Was de bal afgedankt? Of zoekgeraakt, doordat zijn trouwe, maar eveneens ouder wordende hond aan reuk- of gezichtsvermogen had ingeboet? Nou ja, het kan erger: in de vorige eeuw werden miljoenen van zijn soortgenoten aan het eind van hun sportieve leven zonder pardon en verdoving gehalveerd en op een trekhaak gezet. Een wrede praktijk waar destijds niemand vraagtekens bij plaatste.


 

Stadsdichtersestafette

Na een evaluatie van de ophef rond de benoemingsprocedure en het aftreden van Darryl Danchelo Osenga als stadsdichter heeft het Haarlemse college besloten tot het volgende: om aan risicospreiding te doen en de diversiteit te waarborgen, wordt de komende twee jaar gewerkt met een veranderde opzet: de achtkoppige commissie blijft aan en levert 365 stadsdichters, die elk één gedicht schrijven en na twee dagen aftreden. Zo denkt de gemeente een betere spreiding te garanderen, waardoor meer bevolkingsgroepen zich vertegenwoordigd voelen en recht kan worden gedaan aan een veelheid aan literaire stijlen en genres.

Hier alvast de eerste aanmeldingen:

Een beroepsklager, een rokkenjager,
Een rijwielhersteller en een raadsvragensteller,
Iemand uit de Nachtegaalstraat,
Een klaverjasser, een sjoelfanaat,
Een meisje dat dol is op dieren,
Een vluchteling zonder papieren
(het is slechts voor twee dagen,
daar gaat de PVV niet over klagen),
Een rijke stinkerd die verder niks kan,
Een coach, een masseur, een Ombudsman,
Nausicaa Marbe van De Telegraaf,
Een afstammeling van een (tot) slaaf
(gemaakte) in de 17e eeuw,
Een veteraan met het hart van een leeuw,
Een nierdonor en een nierpatiënt,
De anders zo onzichtbare wijkagent,
Een zorgheld en een held op sokken,
Een postbode (slash) -Verwarde Rocker,
Een bejaarde uit een Haarlems Hofje –
Want als je daar woont, ja, dan bof je
Al kun je er je kont niet keren
En mag je er weinig bezoek van heren.
Dat blijft door de VVV vaak onderbelicht,
Maar ik dwaal af, terug naar ‘t gedicht…

U ziet, het wordt een bonte lijst:
Een azijnzeiker, een ver-pisser,
Een twijfelaar, een snelle beslisser,
Een influencer die wel/niet meedoet,
Een zuipschuit onder zware invloed,
Een ADHD-er aan de Ritalin,
Een patjepeeër uit de Zuidas-scene,
Een smoorverliefde gynaecoloog,
Mijn tante Corrie van drie hoog,
Een verslaafde aan FEBO-kroketten,
en (twee dagen maar!) Louise van Zetten –
vooruit, de politiek krijgt ook een stem.

Eén dichter die weent en één die krijst,
Een die zijn brille te graag bewijst,
Een die jammert, jubelt of ontroert;
Of steeds in hetzelfde neusgat poert.
Een vuile roddelaar, een literaire broddelaar,
Een poëet van academisch denkniveau,
(Bas Belleman, Rick Rococo?),
Een vadsige boomer, wat zwijmelende pubers,
Een flits-comeback van Sylvia Hubers!!!
Of George Moormann voor mijn part –
En na twee dagen weer een andere bard.

Wij vervolgen onze parade –
Niemand valt hier in ongenade:
Atheïst, ietsist en wederdoper,
Halal-slager en varkensspekkoper,
De smartlappenzanger treedt aan na de rapper,
Skater na elektrische stepper.
Een Bomenridder uit het Rozenprieel
Bepleit zijn ideaal uit volle keel,
terwijl De Krim of de Slachthuisbuurt
een kwezel of een zeurpiet stuurt.

(Het stompt wel af, die lompe coupletten,
maar om de hele zwik nou nog om te zetten
naar ‘vers libre’ of sonnetten…
WTF… een stadsdichter voor twee dagen
Moet je ook weer niet overvragen. )

Finale (ik vreesde dat ik ‘m nooit zou halen)

Een Paas-dichter, Pesach-dichter en een voor ‘t Suikerfeest
Tot ieder geloof aan de beurt is geweest.
Monotheïsten zullen hier niet twisten!
Ook alle genders krijgen eerlijk hun ‘slot’
Van trans-vrouw tot ex-man, het hardvochtig lot
Hoeft bij ons niemand te duperen:
Haarlem is een podium voor dames én heren,
zwart en wit, gay en straight, rechts en links!
Ons nieuwe stelsel verdeelt de zendtijd slinks
én eerlijk over ras, geloof, geaardheid en kunne
Je moet elkaar in zo’n stad iets gunnen,
Al is het weliswaar voor twee dagen…

Dat was het dan… zijn er nog vragen?


 

 

 

 

 

 

 

 

 

Darryl Osenga Stadsdichter

Amai, amai, amai, zouden ze in Leuven of Gent weeklagen als het hún nieuwe stadsdichter was geweest. Maar dit is Haarlem, waar Darryl Danchelo Osenga (1987) zojuist is benoemd tot opvolger van Willemien Spook.

‘Je bent literair ambassadeur, commentator en bruggenbouwer voor de stad en interesseert Haarlemmers op een aansprekende wijze voor poëzie’, luidde het in de werving. Proviso: dat moet in de Nederlandse taal ‘in de ruimste zin van het woord’ (wat dat laatste ook moge betekenen – het klinkt omineus).

Toen de benoeming bekend werd, las ik eerst het gedicht waarmee de kandidaaat stadsdichter zich had gepresenteerd. Osenga treedt op als rapper (artiestennaam Insayno) en dat lees je eraan af. Dat lees je er héél erg aan af. Aan close reading wil ik Zusje van de hoofdstad niet onderwerpen, maar… ahum… persoonlijk zou ik er nog een paar dagen aan hebben gebeiteld, geschaafd en gepoetst. Nou ja, het is mijn genre niet en als de achtkoppige commissie (met Jaap Lampe, Joshua Baumgarten en Joni Zwart) zich door die rap-dreun en die alom inzetbare rap-ernst in vervoering heeft laten brengen… Of misschien dat ze dat muffe, ingeslapen Haarlemse dichterswereldje een beetje wilden opschudden?

In het HD noemde Jaap Timmers de keuze voor Osenga verrassend en gedurfd. Een paar uur nadien lijken dat eufemismes voor ‘onbekookt’ en ‘roekeloos’, want kort na de bekendmaking van de winnaar barstte er een heel vies publicitair bommetje. Osenga’s verleden werd opgerakeld (hij is vier jaar geleden veroordeeld wegens opruiing bij rellen in de Schilderswijk). En Tzum kwam hiermee. De nieuwe ambassadeur zong in 2012:

‘De Holocaust is slechts een cover up voor domme schapen.
Ik zie je denken: gast dit kan je niet doen
8 miljoen joden? Ik praat hier over 18 miljoen slaven.’ (zie verder hier)

Hoe pijnlijk kan het worden?

Geen Stijl en zijn reaguurders waren er als opgevoerde kippen bij om de brede maatschappelijke kaders aan te brengen (‘de deuggolf’) en in het verlengde hiervan de ondergang van de beschaving aan te kondigen. ‘Weer een stap dichter bij de afgrond. Ga zo door, ga zo door.’ [Kijk, of dat Haarlemse stadsdichterschap door de buitenwereld ook serieus wordt genomen!]

Het HD tekende op dat de nu 33-jarige Osenga in een kalmere levensfase is beland en een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Over de onrustige fases zou hij een ‘open’ en ‘tof’ gesprek hebben gehad met burgemeester Wienen, ‘waarin alles ter sprake is gekomen’. Als dat zo is, zou ik het wel ‘tof’ vinden als Wienen het nu ruiterlijk voor hem en zijn commissie opnam en uitlegde dat die ‘jeugdzonde’ (?) nu echt verjaard is. Liefst met een paar prachtige, prosemitische citaten uit Insayno’s recentere werk. Overtuig ons!

Al vrees ik dat de schade niet te herstellen is. Hoe zal iemand nog onbevangen naar Osenga kunnen luisteren? De benoemingen van de stadsdichter gaan traditioneel met tumult gepaard, maar dit is een diep, diep, diep dieptepunt. En dat stemt mij bitter.


 

Terug naar Arnhem

In zijn NRC-column voert Marcel van Roosmalen met enige regelmaat de bewoners van zijn nieuwe woonplaats Wormer op, doorgaans weinig flatteus. Het botert niet tussen hem en de autochtone bevolking. Gisteren kreeg de RaDa-reda een geheimzinnig verzoek om eenmalig als ‘ghost-writer’ voor Marcel op te treden, met onderstaand resultaat.

Leah van Roosmalen (3) spuugde en pieste onderweg zoals altijd copieus in het kinderzitje. Met mijn Vitesse-sjaal depte ik mijn dochter min of meer droog en leverde haar af bij de crèche. Zonder een woord, want on speaking terms ben ik met niemand meer hier in Noord-Holland.

Ik fietste terug naar huis. Over de stoep, zoals mijn gewoonte is. Na 200 meter werd de doorgang versperd door een dozijn uit de kluiten gewassen dorpelingen: ANWB-jacks, slobbertruien over slobberbuiken, AZ-sjaals – de plaatselijke klederdracht. Het was een afvaardiging van de Facebook-groep We Love Wormer, uitgerust met de plaatselijke wapens: dorsvlegels, rieken, zeisen, stofzuigerstangen.

“Stoppen!” klonk het bars uit drie of vier van die verweerde, plompe koppen die deze contreien al eeuwenlang met grote hardnekkigheid blijven voortbrengen. “Stoppen!” Aan volzinnen doet men hier niet.

“Ik heb geen tijd voor deze onzin, ik heb zo meteen een deadline.”

“Het zal niet zo zijn, ja. Meneer is belangrijk…” Verbeeldde ik het me, of was de weerzin tegen mijn persoon nóg heviger dan anders? De hoop op een geslaagde integratie in de Zaanstreek had ik de eerste week na mijn verhuizing al opgegeven, maar vandaag was de sfeer onverholen vijandig.

“Je mag een laatste wens doen. Wij zijn hier heus de beroerdste niet, al heb jij daarover een andere mening.”

“Ik heb een deadline… Mijn NRC-column moet af…”

“Als dat je laatste wens is… Dan kennen wij in ons netwerk wel kijken naar een mannetje die dat fikst voor je. Maar geloof me, vriend, jij zal hier in Wormer geen letter meer op papier zetten. Wat ik je brom. Zoek in die geliefde Achterhoek van je maar een nieuwe pispaal. Waar mot ie over gaan, die kolom?”

Ik hakkelde wat over mijn vaste thema, de stroeve omgang met de inheemse bevolking – mijn stem produceerde vreemde uitschieters en mijn Arnhemse accent was ineens terug… “Ik weet genoeg”, onderbrak de bullebak me. Ze rolden me strak in linoleum (een streekproduct), maakten behendig de tiewraps vast en legden me in een vieze laadbak. Dat moet ik ze nageven, deze actie was tot in de puntjes voorbereid.

(Marcel van Roosmalen hervat zijn column vrijdag vanuit Gelderland).

 

P.S. Wie weet wordt het een serie? Eerder amuseerde de RaDa-reda zich met een persiflage van HD-columnist Frans van Deijl. Zie Frans op Stormdag 

Voor slechte verstaanders ten slotte: Ik lees Van Roosmalen graag, ben ertegen als mensen (in het bijzonder columnisten) onvrijwillig in zeil worden gewikkeld en ik bewaar goede herinneringen aan Wormer.


 

 

De mist in

De NRC-rubriek Çorrecties & aanvullingen’ mag ik graag lezen.

Vanochtend deze komische rectificatie (tenzij de eerste slachtoffers onder de rokkenjagers al gevallen zijn): In Eén enkele paddenstoel kan al fataal zijn (21-9, p. 10-11) staat dat de eetbare parelamaniet een glad rokje heeft, en de giftige panteramaniet een gegroefd rokje. Dat moet juist andersom zijn.’

En verder kijken we alleen nog plaatjes in deze aflevering van het RaDa. Vanochtend mistte het hier in Haarlem, dus de Schotersingel lo(n)kte.

 

 

 

 

 

 

 


 

City Haarlem

De RaDa-reda heeft zich eerder verbaasd over het grote aantal NEE-NEE-stickers op de brievenbus – stadgenoten die niet alleen reclamefolders weren, maar zich ook bars afsluiten voor de huis-aan-huisbladen, met hun knusse kruimeljournalistiek en kneuterige buurtberichten.

Zijn ze er nog? Het is zwaar weer in de branche, zoveel weet ik. Zelf krijg ik ze (hoewel principieel JA-NEE-man) al maanden niet meer. Dus toen ik een paar weken terug een City Haarlem op de mat vond, met de aanprijzing ‘onafhankelijk nieuws uit de stad’, glimlachte ik terug naar cover-boy Humberto Tan en sloeg het tijdschrift welwillend open.

Deze week, bij Shirma Rouse was dat al een stuk minder. Dat lag niet aan de joviale Shirma (zangeres, kok, 55 kilo afgevallen), maar aan de eerdere kennismaking met het format: twee pagina’s hapsnap koppie-peestwerk met ren-dom lokaal nieuws. Gevolgd door zes (6,0!) pagina’s Kruidvat-reclame! Dan tien vragen aan de BN-er van de week (een gesprekje met de diepgang van een te hard opgepompt luchtbed en de scherpte van een stompje stokbrood), twee pagina’s reclame voor reclamepaketten en dan zes (6,0!) pagina’s van de Dekamarkt (schnitzels, Johma salades, Dr. Oetker-pizza’s, Witte Reus).

Haarlem deelt de eer van de verspreiding met Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Tilburg. 400.000 van die voze vodjes vervuilen landelijk de brievenbussen, niet alleen van de JA-JA-zeggers, maar ook van degenen die wars zijn van folders en ander reclamedrukwerk. Ze streven naar een oplage van 2 miljoen, lees ik op de website (ah, Sjuul Paradijs heeft er bemoeienis mee!).

De vermomming is zo doorzichtig, dat het me een koud kunstje lijkt om althans deze distributie onder valse voorwendselen in de toekomst te verhinderen. Wie moet ik daarvoor wakker maken in Haarlem? Wethouder Robbert Berkhout? De fractie van Groen Links? Want van een hoffelijk briefje aan City Haarlem verwacht ik eerlijk gezegd weinig…


 

 

Pipistrellus Bavoicus

Grote opwinding op de redactie van dit bavocentristisch weblog toen ik de wetenschapsbijlage van NRC opsloeg en daar een artikel zag over de vleermuizen in onze bloedeigen Grote Kerk. 

Diezelfde vleermuizen die je bij de eerste klanken van een concert van hun domicilie bij het Müller-orgel vandaan ziet vluchten, ruw gestoord in hun gesoes. Pipistrellus pipistrellus heet de soort, oftewel de gewone dwergvleermuis en helaas is de aanleiding voor het artikel droevig. Jaarlijks worden er door de kosters tientallen exemplaren dood gevonden (dit jaar al 160); die beestjes zijn uitgemergeld en het vermoeden bestaat dat ze er niet in slaagden een exit-strategie te ontwikkelen. Door restauratie en isolatie worden steeds meer kieren en gaten in het gebouw gedicht; uit camerabeelden is gebleken dat een deel van de populatie (jonge, onervaren diertjes) ‘s nachts verloren rondfladdert en niet naar buiten gaat om zich te voeden.

Een vrijwilliger, Bas van Vlijmen, vertelt hoe hij verzwakte vleermuizen een prakje toedient van kattenvoer en Olvarit babyvoeding (appel-banaan). Heerlijk, toch? (Zulke mensen, niet dat prakje!)

Er wordt nu bezien hoe de Bavo-vleermuizen te helpen. Soms maken ze al dankbaar gebruik van een kapot ruitje, maar dat is geen structurele oplossing. Er blijkt zoiets te bestaan als een vleermuissluis (die vogels tegenhoudt en pipistrelli doorlaat). Een alternatief is de ‘batlure’, een geluidstrilling die de vleermuizen naar een geschikter winterverblijf kan lokken – bijvoorbeeld een zijbeuk van de Bavo, waar dan vleermuiskasten geplaatst zouden kunnen worden.

Dus er wordt aan gewerkt en dat is het goede nieuws. Hier thuis had een groot insect kans gezien binnen te dringen ondanks horren en andere horden. Het nam (echt waar!) plaats op de Great Tales of Hor-ror van H.P. Lovecraft en bleef daar stuurs zitten kijken. tot het door mij vakkundig werd geplet met een krant. Nee, niet. De huisdichteres smiespelde wat en overreedde het beest om in een plastic bekertje te kruipen. Terug naar de natuur!

Bij een wandeling bij het Amsterdamse Bos zagen we gisteren een mooie vlinder. En als je door je oogharen kijkt, kan hij ook voor een Bengaalse tijger doorgaan.

Dezelfde (!) maar dan het buitenaanzicht


 

 

Scheef?

De arme Jacob van der Meulen kan het ook niet helpen: de veiligheidsregio Kennemerland kreeg de status ‘ zorgelijk’ toebedeeld, cafés moeten om middernacht sluiten en dan trek je als HD-journalist met je quotecollectebusje langs betrokkenen, wetend dat ze er overwegend gulpknopen, campingmuntjes en ongeldig Moldavisch kleingeld in zullen doen.

In casu citaten van een verongelijkte horeca-bobo (die niet snapt waarom juist zij weer moeten ‘bloeden’) en Dante de Jong van het dispuut Carpe Noctem (Pluk de nacht), die de introductieweek van InHolland organiseerde.

Deze Dante (de geboorteaangifte deden zijn ouders pas na veertien dagen dubben. Wordt het Boccaccio, Horatius, Voltaire, Goethe, Gogol of Sophokles de Jong?) is er snel klaar mee. “Jongeren vieren toch hun feestje.” Zelf gaat De Jong liefst ‘elke dag even een biertje drinken’ (N.B. Zijn naamgenoot, auteur van de Divina Commedia plaatste slempers en veelvraten in de derde cirkel van de hel, waar zij eeuwig zullen kronkelen en kermen in ijzige modder).

Als de kroegen dicht zijn, zal het feestvieren elders gebeuren, weet Dante (de Jong) nu al. Dat kan hij billijken, want een goede band met studiegenoten ‘voorkomt veel studie-uitval, hebben studies uitgewezen.’ [Kritische RaDa-kanttekening: dagelijks kroegbezoek bevordert studie-uitval eveneens.]

Vindt de RaDa-reda dat die studenten allemaal op moeten houden met mekkeren en mieren over hun god-gegeven recht op nachtbraken, katers en coma’s, levercirrose én corona? Janeejaneejaneejaneejaneejaaneejanennjaa… Ach… Ieder heeft zijn eigen verhaal. De enige jongere die ik deze week sprak was mijn nichtje, dat filosofie studeert en een jack draagt met ‘Nietzsche Fanclub’. Ze werkt ook nog in een verzorgingstehuis. Goed hoofd, sociaal sterk, leuke meid. Ze leeft er allesbehalve op los, naar eigen zeggen. Houdt de bubbel klein. En verder? De studie? Ze had voor de eerstkomende maand drie ‘echte’ colleges staan, vertelde ze een beetje beteuterd.

Drie?!? Bij filosofie? Nou ben ik de mensen zat die erop wijzen dat het scheef is dat je wél dit maar niet dat mag en hier wél en daar niet… Maar los van alles, toen ik dat hoorde had ik echt met haar te doen. Wat een treurnis.

 

Roeileut vanmiddag in de buurt van de Bosbaan.