23-90-87-50-88-55

Straatjournaal is uit, een week later dan normaal. Mijn column moest ik inleveren op de datum dat hier de scholen werden gesloten en het coronavirus al verwoestingen aanrichtte in Italië. Een andere (ingehaald door de actualiteit, zie Ex-column) had ik toen al ingetrokken. Deze houdt veel slagen om de arm. En het zou fijn zijn als jullie de verkopers snel verlosten van hun voorraad.

De paddestoel doet het nog steeds erg goed op Marktplaats. Niet de paddo, de pokdalige bosboleet of de phallus impudicus, maar de in het wild steeds zeldzamer ANWB-paddestoel. Ik las onlangs een vraaggesprek met de Heemsteedse Louise Funcke-Schoevers (nu 89 jaar), wier grootmoeder, Diederika Pos-Greidanus, in 1918 op het idee van de bewegwijzering kwam.

Via haar man Gerard, bestuurslid van de ANWB en een hoge pief bij de wielrijdersbond, werd de opdracht neergelegd bij de Baarnse architect en medebestuurslid Willem Leliman. Op de heide bij Laren werd gekozen uit drie prototypes. De verdiensten van het winnende ontwerp zijn legio. Het is zichtbaar, maar niet opzichtig en (na enkele latere aanpassingen) onderhoudsvriendelijk en duurzaam. En door de bijnaam ‘paddestoel’ komen de associaties met kabouters en sprookjes vanzelf. En welke Nederlander heeft geen herinneringen aan vakanties in natuurgebieden, waar de paddestoel uitkomst bracht en de weg wees naar het pannekoekenhuis of de camping? Een paddestoel van Terschelling geeft een samenvatting van een hele vakantie, met alle dorpjes die zijn bezocht. De paddestoelen suggereerden een goed georganiseerde, helemaal in kaart gebrachte wereld. Geen wonder dat verzamelaars er dol op zijn.

Iets dergelijks geldt ook voor hun iets minder romantische opvolgers, de fietsknooppunten. Op zonnige dagen, in mijn sentimentele buien (ik heb gelukkig ook andere!) heeft het iets ontroerends om zoveel bedaagde, buikige dagjesmensen of afgetrainde, gehelmde trainingsbeesten de omgeving te zien doorkruisen met instructies als 23-90-87-50-88-55-58-63-94… En het werkt! Wat mooi om in een land te wonen waar alles zó goed geregeld is, de hele kaart bespikkeld met genummerde cirkeltjes, als een beschuit met blauwe muisjes.

Goed geregeld, briest u nu misschien… Goed geregeld?!? Besef dan dat ik dit al schrijf in het weekend dat het begin kan zijn van een totale ontwrichting. Vanmiddag zag ik twee vrouwen wegfietsen bij de supermarkt met (op bagagedrager en aan het stuur) in totaal zes monsterpakken wc-papier. Ik proestte het uit – niet om ze te besmetten, maar vanwege de komische aanblik. En daarna ging ik – omdat het nu hopelijk nog net verantwoord was – langs bij de flat van mijn 92-jarige moeder, die zich van mij wel wat meer zorgen mocht maken. Ons pakketje met houdbaar eten aanvaardde ze in dank, maar ach, ‘uit de oorlog weet ik dat je altijd wel een oplossing vindt.’

“Ja, alleen was je toen zeventien,” probeerde ik haar aan het verstand te peuteren. De jobstijdingen van Ilja Leonard Pfeijffer uit Genua beloven groot onheil voor Nederland. In Spanje geldt sinds gisteren een straatverbod. Oh, hier gaan de scholen dicht, hoor ik. Daar valt veel voor te zeggen, maar…

Ik denk aan de andere dappere bejaarde in ons leven, mijn schoonmoeder in Woerden. Mijn vrouw zoekt haar wekelijks op, voor een avondje legpuzzelen. Treincoupés zijn taboe nu en we hebben geen auto. Dus ligt er een lijstje klaar: 23-90-87-50-88-55-58-63-94. De eerste knooppunten op de route naar Woerden. Ik fiets mee. Zestig kilometer, dat moet te doen zijn. Bij leven en welzijn. Maar of het dinsdag nog mag?

Er spookt een beeld door mijn hoofd uit Day of the Triffids – een boek waarin de wereldbevolking (op een aantal individuen na) blind wordt na een meteorietenzwerm en dan grotendeels sterft. Het duurt maar enkele jaren voor snelwegen worden overwoekerd en onbegaanbaar worden. Zulke gedachten laat je liever niet toe en voor de fietsknooppunten hoeven we voorlopig niet te vrezen. In NRC staat een recept voor home-made hand-gel. Die gaan we morgen maken, als is het meer als tijdverdrijf dan overlevingsstrategie. En verder weet u meer dan ik.

Als het tegenzit is er op 1 april een run op dit nummer van Straatjournaal, omdat het wc-papier tegen die tijd echt op is.

Bericht bij elk nieuw RaDa-stukje? Zie Subscribe2 in menu

Ex-column

Deze hoeven jullie niet te lezen, beste lezers! Voor Straatjournaal leverde ik dinsdag (deadline) een column in die twee dagen later door de feiten werd ingehaald. Die komt er dus niet in. Wel in het RaDa, dat ook een beetje mijn dagboek is. Als bewijs van mijn naïviteit, misplaatste joligheid en gebrek aan voorspellende gaven.

Een 100% steriele, absoluut virusvrije column lijkt me deze maand geboden. Desnoods typ ik ‘m met mijn ellebogen!

Ik wou het vandaag hebben over het Fioretti College: in Hillegom. Daar heeft de politie aan tweedeklassers voorlichting gegeven over lachgas en messen, met behulp van het Mobiele Medialab. Aan het gebruik kleven volgens deskundigen ernstige nadelen – aan het gebruik van lachgas en messen, bedoel ik, en misschien eveneens aan het Mobiele Medialab.

Maar laat ik alvorens te beginnen aan jullie welzijn denken, beste lezers, en alle gezondheidsrisico’s grondig uitbannen. De noodzaak van veelvuldig handenwassen is de bevolking (van smetvrezend tot gepaneerd in eigen vuil) tot vervelens toe ingepeperd en ook ben ik ervan doordrongen dat ik tijdens het typen niet moet tongen of huggen met toevallige passanten. Op mijn bureau staat een assortiment reinigingsmiddelen gereed: sprays voor toetsenbord en beeldscherm, alcohol (96%) en wattenstaafjes, tea tree oil, Glorix en wegwerphandschoenen. Ook een pincet en priem tegen hardnekkige aangroeisels en aankoeksels, sommige nog uit de tijd van SARS, Spaanse griep, builenpest of eerdere pandemieën. Misschien zou alles uitkoken nog het beste zijn? Of een nieuwe laptop bestellen in… uh… uit China?

Uit voorzorg raadpleeg ik eerst het RIVM aangaande de laatste richtlijnen voor broodschrijvers en andere toetsenisten. Een specialistisch advies lijkt me geen luxe onder de omstandigheden. Het overbelaste callcenter wil ik ontzien, dus liever de RIVM-website. Woensdag had die een miljoen bezoekers! Nog voor ik ‘virusvrije column’ kan intoetsen in het zoekvakje, valt mijn oog op het kopje ‘Patiënt met nieuw coronavirus overleden’. Nieuw coronavirus? Dat moet dan Covid-20 zijn?!? Of 21?!?!? Novid-37? Ah gelukkig, een gevalletje onhandige communicatie van het soort waarin de overheid uitblinkt. Dus géén paniek! GEEN PANIEK, het is gewoon ouwe trouwe nummer 19. Pffff….

Los van corona, dat RIVM zit bepaald geen duimen te draaien, zie ik. Zo werken ze aan een gecoördineerde aanpak van de knaagdierenbestrijding, waarbij maar liefst vier ministeries zijn betrokken: IenW, LNV, VWS en BZK (leuke quarantainequizvraag: waar staan de afkortingen voor?). Nog zoiets, hun onderzoekers hebben een overzicht gemaakt van de smaakstoffen in de e-liquids die in 2017 zijn aangemeld voor de Nederlandse markt. Dat waren er meer dan 19.000!

Voor niet-ingewijden, dit gaat over de weeë dampen die ‘vapers’ inhaleren en ondanks alles meestal ook exhaleren. Men telde 219 unieke ingrediënten die elk in meer dan 100 e-liquids voorkwamen. Gemiddeld bevat één e-liquid 10 smaakstoffen. Vanilline het vaakst, gevolgd door ethylmaltol (fruitig-karamelachtig) en ethylbutyraat (vluchtig, rijp-fruitachtig).

Wat dan weer niet op de RIVM-site staat: volgens onbevestigde geruchten verspreid door ongediplomeerde virologen en gekwalificeerde kwakzalvers zou vapen een probaat middel zijn tegen het coronavirus. Net als dagelijks gorgelen met Dommelsch Bier gecombineerd met het snuiven van fijngestampte Wybertjes.

Wacht, alvorens ik aan mijn eerste, gegarandeerd virusvrije alinea begin, doe ik voor de zekerheid twee mondkapjes op en was ik nog even mijn handen met een mengsel van zeep en gel. En nu terug naar dat Fioretti College. Een ‘jeugdagent’ en een wijkagent deden de voorlichting en zelfs burgemeester Van Erk was erbij. Want… [Shit! Na het handenwassen heb ik de lichtknop én de deurknop aangeraakt. Ik ben zo terug.] De leerlingen kregen te horen dat lachgas vitamine B12 inactiveert, hetgeen tot… [Ja, ik wéét dat ik mijn ogen en neus niet mag aanraken, maar al piekerend over een spitse formulering gaat dat vanzelf… Het schiet geen meter op zo.] Nou ja, de boodschap aan de Hillegomse jeugd kwam kort gezegd hierop neer: aan lange messen zitten scherpe kantjes en sterven van het lachen is echt geen lolletje.

Update: gebruik geen gebruikte ballonnen en houd bij steekpartijen minstens anderhalve meter afstand!

Overal virussen, voor wie ze zien wil.

Via Subscribe2 (menu) kun je je abonneren op het RaDa

 

Jassengeluk

Straatjournaal december ‘19

Soms word ik gelukkig van een boek, jawel, zelfs al heet het Drive Your Plow Over the Bones of the Dead. Dat is van Olga Tokarczuk, de Poolse auteur die dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur won. Zoals die vrouw over een jas kan schrijven! Nee, ik meen het.

De bejaarde hoofdpersoon uit dat boek met die naargeestige titel (nog niet in het Nederlands vertaald) woont alleen in een somber, dunbevolkt bosgebied tegen de Tsjechische grens aan. Ze is ziekelijk, slonzig en mensenschuw en gelooft heilig in astrologie. Ze gruwt van alle wreedheden die jagers en stropers begaan; dat er binnen korte tijd vier mannen beestachtig worden omgebracht in het woud komt haar geestelijke stabiliteit evenmin ten goede.

Maar nu die jas. Die zoekt ze bij een soort kringloopwinkel: “Ik heb een warme jas nodig,” zegt ze schuchter. Als het winkelmeisje bemoedigend knikt, vervolgt ze na een korte pauze: “Een die me warm houdt en beschermt tegen de regen. Hij moet anders zijn dan alle andere jassen, niet grijs of zwart, niet zo een die per vergissing wordt meenomen uit de garderobe. Hij moet zakken hebben, veel zakken, voor sleutels, hondensnoepjes, een mobieltje, paperassen – dan hoef ik geen tas mee te nemen en houd ik mijn handen vrij.” Ze krijgt een knalrode donzen jas aangereikt, precies wat ze verlangt. Ja, hij zat als gegoten. Ik voelde me als een pelsdiertje dat zijn gestolen vacht terugkreeg. In een zak vond ik een kleine schelp, een cadeautje van de vorige eigenaar, wilde ik graag denken. Bij wijze van wens: dat de jas je goede diensten mag bewijzen.

Nou maak ik me sterk dat de meesten van jullie ook een jas hebben. Of vijf. Ik heb er ook een, alleen sta je er zo zelden bij stil. Dat het bezit ervan niet vanzelfsprekend is en een reden tot geluk kan zijn. De mensen die ik ken zijn vooral bezig hun zolders en kasten leeg te Marie Kondoën (en ze net zo hard weer vol te Zalandoën en Bol.commen).

Gisteren haalde ik mijn vrouw van de trein op het Kennemerplein, achter het Station. Ik was vroeg en ging zitten op het stenen muurtje dat twee bomen beschermt. Er buitelden zes aangeschoten vrouwen naar buiten, joelend en giebelend. Twee tienermeisjes zwierden naar binnen, gierend van het lachen. “Het is volle maan,” wist een jonge man die plotseling in mijn nabijheid was opgerezen. Hij drentelde wat. “Mag ik u wat vragen?” Ik maakte geen bezwaar, maar zijn vraag wilde niet komen. Ik had een vermoeden welke vraag het was. “Ik ben wat gespannen…” “Ik ben totaal ontspannen,” wijsneusde ik, “neem de tijd.” Hij humhumde een aanloopje. “Heeft u misschien vijftig cent voor me?”

Hoog zette hij niet in. Ik slikte een paar altijd voorradige flauwe grapjes in en vroeg waarvoor. Voor onderdak die ene nacht. Het was een heel verhaal. “Ik kom er even bij zitten als u het goed vindt.” Hij miste een paar voortanden, maar zijn ogen straalden intense vriendelijkheid. Morgen kon hij in een doorstroomwoning, maar vannacht had de Wilhelminastraat geen plek meer en…

De complicaties bespaar ik jullie, Zijn verslaving had hij overwonnen en hij werkte aan zijn levensverhaal. Een boek. Samen met Bert Voskuil, kende ik die? Hij kwam in Nieuwe Revu in december. Ik had hem net een briefje van vijf gegeven toen mijn vrouw aankwam. Hij schudde haar warm de hand en prees mijn inborst. Hij liep weg, bedacht zich. “Hij heeft allemaal mooie dingen over u verteld!’ vertrouwde hij mijn vrouw toe. Wat niet zo was. “Zo is het wel goed,” lachte ik. Hij struinde tunnel in. Na twintig meter draaide hij zich om en zwaaide, zwaaide, zwaaide. En wij zwaaiden terug.

P.S. Van de huisdichteres staan ook drie stukjes in dit december-nummer.

.

herfstig

.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen. EN ik zit (in ieder geval de komende maanden) op Facebook

Kwaad en verstandig

Zo’n drie of vier keer per jaar hebben mijn vrouw en ik ruzie. Weinig op zich, maar door de jaren heen is er één onuitroeibaar thema: ik word (te?) kwaad op iemand anders en zij wil dat ik me beheers, waardoor ik nóg kwader word.

Zo ook afgelopen donderdag. Aan mijn humeur lag het niet – we kwamen terug van een erg fijn concert in de Dorpskerk in Bloemendaal. Bij het oversteken van de Kleverlaan (bij de IJsbaan) wachtten we braaf tot het voetgangerslicht van de linker rijbaan op groen sprong, hetgeen geschiedde. Bij de vluchtheuvel halverwege zagen we dat het volgende licht rood bleef. Links op de Randweg zoefde het verkeer onverminderd en ongehinderd door. In de drie voorsorteervakken rechts stonden één motor en daarnaast twee auto’s te wachten. Na een korte, zichtbare aarzeling besloten wij over te steken. Bij onze eerste stap liet de motorrijder zijn machine zo hard mogelijk knetteren, vonken en bulderen. Drie meter is bar weinig en de herrie was waarschijnlijk tot in Velserbroek te horen. Wij maakten (hier nog eendrachtig) een luchtsprong met halve schroef en paniekten terug naar het trottoir.

Haha! Grapje! Maar ik hou niet van zulke grapjes. Die in leer gehulde biker zat daar verstopt achter het ruitje van zijn helm (grijnzend?). Op maar drie stappen afstand en ik (laaiend, tot tien tellen zat er niet meer in) had de eerste stap al gezet. Niet met de bedoeling die motordebiel tot moes te slaan (voor Badr Hari heb ik nooit gedeugd), maar ik hoef niet alles te pikken. Een hartig woordje was op zijn plaats. Vond ik.

Maar de meningen zijn verdeeld. Mijn vrouw trekt aan mijn arm en smeekt me om rustig te blijven. Zij ziet mij al op de intensive care liggen met een verbrijzelde kaak. Zo’n gemankeerde Hell’s Angel heeft vast vriendjes… Je weet niet wat zo iemand gebruikt heeft… Daar komt bij, ik daal in haar achting als ik mijn zelfbeheersing verlies. Waar ik hoop mijn vijand met een verbale kastijding tot geprevelde excuses te dwingen, ziet zij een hyperventilerend iel mannetje dat weinig indruk maakt. 

Dit alles werd niet uitgesproken op die vluchtheuvel. Wel stonden we daar een halve minuut te kibbelen, nog steeds op drie meter afstand van Easy Rider (achter zijn helm nog steeds grijnzend?). Mijn bloeddruk steeg gevaarlijk door de frustratie. Graag zou ik iets heel vies op dat ruitje van hem smeren. Toen het eindelijk mocht, trok hij bedaard op. Geruisloos bijna.

Wij liepen samen (dat nog net wel) over de Verspronckweg naar huis en recycleden eerdere ruzies. Zij: je zou het toch anders kunnen zien? Die vent had ons mooi tuk. Nou, hoe belangrijk is het? Conclusie: ik moet voortaan kalm blijven en toch sterk en waardig (Boeddha Hari!). De vraag is alleen hoe. Als ik al ziedend ben? En nog iets, betekenen zelfrespect en trots dan niets voor haar? Straks, als ik 87 ben, wil nog steeds liever op stramme benen met geheven wandelstok op een groep hooligans af dan dat ik me laat jennen of schofferen. Tegen die tijd zijn we twintig ruzies verder. Want ik vrees dat het laatste woord er nog niet over gezegd is.

.

geenveschthond

.

Keffertje of vechthond?

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen. EN ik zit (in ieder geval de komende maanden) op Facebook.

Kantelmomenten

Column Straatjournaal augustus

Heeft Haarlem een stadspsycholoog nodig? Ik stelde de vraag enige tijd geleden, toen er sprake was van een aantasting van de Haarlemmerhout ten behoeve van een parkeerplaats en de verfraaiing van de entree daar bij restaurant La Place (ooit Dreefzicht). Een ‘grondruil’ beliefde wethouder Merijn Snoek het te noemen. Hij gaf toe, er zouden een paar dikke beuken sneven, maar…

De details laat ik weg. Waar het om draait is dat een petitie die zich kantte tegen de plannen in luttele dagen meer dan 20.000 handtekeningen kreeg. Historisch veel. Of hysterisch veel – hoe zullen we het noemen? Zelf ondertekende ik hem ook, maar toen ik zoveel geestverwanten bleek te hebben, bekroop mij toch enige twijfel. Wie waren die medestanders?

Ik kon bedenken dat er een kritiek punt was bereikt. Dat het koesteren van die bomen een symptoom was van een grotere angst. Zo heeft de gemeente acht ‘ontwikkelzones’ aangewezen, waar vóór 2025 tienduizend woningen moeten verrijzen. Een ambitieus streven, en begrijpelijk ook, aangezien de woningvraag groot is. Tegelijk heerst het besef dat Haarlem een versteende stad is en dat de meeste nieuwe bewoners ook een of twee auto’s meenemen. Zo bekeken staat ieder gekapt berkje of verdwenen perkje symbool voor de bedreiging van onze leefomgeving.

Ook bij andere, soortgelijke discussies lijkt een kentering nabij. Minister Cora van Nieuwenhuizen liet onlangs weten toch kansen te zien voor de uitbreiding van Schiphol. Het was bedoeld als ‘tegengeluid’, een geluid dat evenveel indruk maakte als ganzengesnater op een Boeing 747.

Bij Tata speelt iets dergelijks. Het begon met de grafietregens van Harsco, die het bedrijf op dwangsom na dwangsom komen te staan. Nadien verschenen er ook krantenartikelen over de jaarlijkse looduitstoot van bijna 5000 kilo. Iedere Tata-scheet wordt inmiddels opgeblazen tot een donderslag en in een redactioneel commentaar stelde het Haarlems Dagblad zelfs dat zo’n enorm industriecomplex dichtbij woongebieden een anachronisme is. Dat was vijf jaar geleden nog ondenkbaar. Zelf heb ik in het verleden de luchtvervuiling boven Tata opgehemeld als de mooiste van Europa. Adembenemend!

Hoewel geen somberaar heb ik de neiging te denken dat er weinig ten goede verandert. Tot ik ineens in een stad loop waar vuilniszakken links en rechts over de stoep slingeren, geattaqueerd door katten, ratten en meeuwen. Hè, hebben ze hier geen ondergrondse vuilniscontainers? Idem met voetgangersgebieden; je went er erg snel aan. Als kind winkelde ik met mijn moeder in de Grote Houtstraat, waar destijds stadsbussen doorheen reden, met uitlaatgassen waarbij die van nu dennenspray lijken. Ondenkbaar dat dat ooit nog wordt teruggedraaid. Het is of verbeteringen je korter bijblijven dan verslechteringen.

Neem het anti-rookbeleid. Ik (niet-roker) heb me vaker geërgerd aan het gedram van campagne voerende fundamentalisten dan aan het gepaf van nicotinejunks. Nog steeds heb ik te doen met de stakkers die ik hier in achtertuinen schuldbewust aan een sjekkie zie lurken. Mijn leraren rookten nog in de klas. Bruine cafés waren bruin door de tabaksaanslag – je wordt weemoedig als je eraan terugdenkt, maar toen ik tien jaar geleden in de krochten van de stad had doorgehaald in een kroeg waar volop werd gerookt, kon ik niet geloven hoe intens mijn kleren en haar de volgende ochtend meurden. Niet alleen geluk was toen nog heel gewoon. Stank evenzeer.

En hondenpoep. Jarenlang werd het routineus aangekruist als ‘ergernis nummer een’. Nu lopen alle baasjes goed gedresseerd achter hun Fikkie aan. Voor mij een onvergetelijk beeld: een jongen en een meisje komen aanslenteren, een toonbeeld van verliefdheid en pril geluk. Zijn ene arm hangt losjes over haar schouder. Aan de andere bungelt al even losjes een plastic zakje met een prille, lauwe drol. Als dat geen tijdsbeeld is!

.

geitenogen

.

Het is maar hoe je het ziet (de RaDa-reda was een paar dagen in Wachtum, Drenthe)

Spoedwetten

Straatjournaal juli ‘19

Een maatschappelijk probleem oplossen, hoe gaat dat in dit land? Ik noem maar wat, er ontsnappen binnen twee weken drie gevaarlijke gevangenen. Het grote publiek is verontrust (zoals dat heet), Geen Stijl en de Telegraaf hetzen en hitsen naar hartelust en er worden kritische Kamervragen gesteld. Kritische vragen naar de bekende weg weliswaar, want de verantwoordelijke minister vindt eveneens dat zware jongens in de nor horen. Hij gaat diep door het stof (in politiek Den Haag uit voorraad leverbaar) en belooft een commissie van deskundigen te benoemen.

Binnen een jaar verschijnt een rapport (vanzelfsprekend een dik rapport – een dun rapport zou wantrouwen wekken; niet bij het grote publiek, dat tegen die tijd allang weer andere besognes heeft, maar bij beleidsmakers). Het rapport signaleert schokkende misstanden in de penitentiaire inrichtingen en bevat een pakket aanbevelingen.

1) Dikkere tralies in de cellen.

2) TNO gaat experimenteren met slimme beddenlakens die niet aan elkaar vastgeknoopt kunnen worden.

3) Alle cake van bezoekers controleren op gesmokkeld gereedschap.

4) Cipiers krijgen ter bevordering van de waakzaamheid sterkere koffie.

5) Cipiers draaien kortere diensten.

Herinvoering van de loden bal aan de enkels van gevangenen wordt verworpen uit milieuoverwegingen.

Vervolgens komen de plasjes, zoals dat zo onsmakelijk heet, die ambtenaren, vakbonden en budgetbewakers erover doen. Zo ontstaat het COMPROMIS: van elke drie tralies wordt er slechts één dikker; de slimme lakens blijken toch te dom of te duur; er komen uitsluitend steekproeven voor messen en vijlen; cipiers moeten twee keer zoveel slappe koffie drinken als in het oude systeem, houden lange diensten en krijgen activity-trackers, zodat ze het surveilleren niet kunnen laten sloffen.

En zo sukkelen we verder. Soms wou ik dat ik een jaartje alleenheerser was, zodat ik er een reeks effectieve spoedwetten doorheen kon jassen. Een voorbeeld: Amsterdam heeft een slordige 10.000 daklozen. De opvangcentra puilen uit. Een bedroevende situatie en de hoofdstad hééft het al zo moeilijk, want ze kampen ook nog eens met de sprinkhanenplaag die toerisme heet en de bijbehorende Airbnb-epidemie. Op de dolle, dwaze woningmarkt maken witwassers en huisjesmelkers de dienst uit. Waar láát je die daklozen, je kan ze moeilijk allemaal inkwartieren bij willekeurige burgers…

Nee, niet bij willekeurige burgers. Zelfs voor alleenheersers zijn er grenzen aan het out-of-the-box-denken. Maar er bestaat wel een categorie burgers die zelf adverteert dat zij beschikt over alle noodzakelijke voorzieningen om een vreemdeling onder te brengen. Om bij Amsterdam te blijven: daar worden volgens de laatste tellingen 20.000 woningen aangeboden voor vakantieverhuur.

Nou ben ik als dictator de beroerdste niet. Het gaat mij te ver om die 10.000 daklozen permanent onder te brengen bij de 20.000 Airbnb-verhuurders. Hun bijverdienste zij ze gegund. Wel zou ik een stelsel invoeren waarbij ze na iedere zes overnachtingen van rijke Duitsers en Japanners verplicht zijn om één nacht een onfortuinlijke dakloze op te vangen. Hotels idem dito. Daartoe ontwikkelen mijn ICT-ers een soortgelijke app als Booking.com gebruikt. Deelnemende daklozen krijgen een ‘review’ en hoe beter ze zich gedragen, hoe luxueuzer hun volgende accommodatie. Viespeuken en ordeverstoorders verspelen hun rechten of komen in nulsterrenhotels.

O ja, nog zoiets: op vertoon van een pasje mogen daklozen vanaf deze zomer in tweetallen aanschuiven bij burgers die door middel van rooksignalen adverteren dat ze veel te eten hebben. Bij iedere barbecue moeten in mijn dictatuur twee tuinstoelen worden gereserveerd voor passerende hongerigen. Na afloop helpen ze met de afwas. Geweldig, toch?

Bij gebrek aan volmachten en een achterban van 99% doe ik deze twee ideeën graag over aan Femke Halsema en haar collega-burgemeesters. Wie weet horen we er voor 2030 nog iets van?

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen. EN ik zit (in ieder geval de komende maanden) op Facebook.

Hollandse Kermis

Column Straatjournaal juni ‘19

Bestaat Lutjebroek? En zo ja, in welke provincie ligt het? Leidt er minstens één verharde weg naar toe? Mijn vermoeden is dat 93% van de Nederlanders met of zonder aardrijkskunde in hun pakket niet alle drie die vragen goed zou beantwoorden.

Ik was een van hen, tot in de familie de mare ging dat mijn nichtje zich er had gevestigd met haar man. Dus ja, Lutjebroek bestaat echt en is niet bedacht door lolbroeken en grappentappers die een spreekwoordelijk boerengehucht wilden noemen. Mijn vrouw en ik gingen niet direct op ontdekkingsreis, maar onlangs zaten we in Haarlem te wachten op een NS-sprinter naar Overveen, waar we wilden wandelen, toen het info-bord een trein naar Hoorn aankondigde. Hoorn? Lag Lutjebroek niet in die contreien?

Het was een spontane onderneming; we app-ten mijn zus om het adres van de nicht en we zouden wel zien of ze thuis waren. We spoorden langs grazige weiden, brede vaarten, rietlanden en frisse bollenvelden. Vreemd dat je telkens weer vergeet hoe prachtig Noord-Holland is. Wel hadden we een ergerlijk liedje van Trea Dobbs in ons hoofd: Was jij maar in Lutjebroek gebleven/ met je hengel en je wurmen erbij.

Terwijl station Bovenkarspel-Grootebroek naderde, ginnegapten we over de primitieve condities die we zouden aantreffen. Hadden we geen kaplaarzen moeten aantrekken? Lieslaarzen? Klompen? Lag Lutjebroek in de eurozone? Moesten we alle zeventien inwoners de hand schudden en snuisterijen uitdelen? Hadden we een inheemse gids nodig, aangenomen dat Maps het af lieten weten, en hoe zouden we communiceren met die onnozele pummel, bijvoorbeeld om hem duidelijk te maken dat we trek hadden in patat? Opperdoes was niet ver weg, qua aardappelgerechten zou het wel snor zitten.

De werkelijkheid ondertrof de verwachtingen. De ANWB had het gebied gewoon bewegwijzerd. Niks terra incognita… We volgden de pijlen richting Lutjebroek. Een braaf winkelcentrum met parkeerplaats, een nette bibliotheek (er woonden niet alleen analfabeten dus). Her en der pittoreske gevels en vertroetelde voortuintjes. Plots zag ik mijn nicht aankomen, in traditionele klederdracht, met twee emmers verse karnemelk aan een juk. Nee niet, ze kwam toevallig aanfietsen met haar man en riep “Hé, oom!” Ze hadden een afspraak, maar eerst gingen we samen naar het terras van de snackbar voor een ijsje.

We praatten gezellig bij en namen afscheid. We slenterden naar Hoogkarspel (‘karspel’ is een oud woord voor parochie), waar we de trein terug namen naar Flora. Het was drie uur. Nu ter bekroning van ons avontuur een bruin café met uitzicht over het IJsselmeer? De dijk hebben we nooit bereikt. Het was kermis. Die bereikten we evenmin. Bij een partycentrum wenkten joviale ‘matrozen’ ons binnen. Polsbandje, plastic muntjes… Binnen liepen behalve matrozen ook een paar honderd woeste Vikingen, ruwe zeebonken en drommen blonde meisjes in bijzonder gewaagde, nautisch geïnspireerde rokjes. Klederdracht, maar dan anders (bestond er nog ouderlijk toezicht?). Iedereen was zo dronken als een opperdoes en wilde graag nóg dronkener worden. Jan en alleman sjouwde random met volle dienbladen bier, op de maat van eerlijke rampetampmuziek. ‘Pijpen, pijpen, pijpen’ was één refrein en ook verder waren de teksten goed te doen voor ons buitenstaanders.

Hoewel, buitenstaanders? We hoorden er helemaal bij! ‘Ich bin ein Lütjebrucker’ jubelde ik na een uurtje. We gingen zelfs op zoek naar een hotel, maar alles zat vol. Ja, kermis, hè… We bespraken het fenomeen met een serveerster – ze was niet ‘van hier’ maar uit Knorrengraf of Uierhoef. Een andere wereld, naar haar zeggen, met een eigen kermis. Gaan de jongens later op de dag nog op de vuist, informeerde ik, als ze nog wat meer hebben gedronken? Ze beaamde het onomwonden en dat deed mij deugd. Sommige tradities zijn heilig.

.

lutjefun

.

#Baudexit

Column Straatjournaal mei ‘19

‘Geef Beverwijk maar terug aan de natuur’ luidt het refrein van een vrolijk liedje van Johan Hoogeboom en ik moest eraan denken toen ik de uitslag van de Statenverkiezingen onder ogen kreeg.

Zelfs mijn eigen duffe Haarlem is niet meer zo populisme-proof als weleer, maar vergeleken met de rest van onze naar rechts rukkende provincie was het heilig. Bar en boos was het boven het IJ. Forum voor Democratie werd de grootste in Velsen, Waterland, Zaanstad, etc. Om van dat maffe Volendam (40%) maar te zwijgen.

Kunnen we het Noordzeekanaal niet héél diep uitdiepen, brieste ik, de Afsluitdijk doorknippen bij Den Oever en dan dat hele zompige gebied tussen Beverwijk en Den Helder afduwen richting Groenland, om daar ergens een nieuw leven te beginnen als eiland? Onder de naam Boreaal-Holland, ik noem maar wat? Gezellig, oikofielen onder elkaar? En als ik toch bezig was – in mijn wraakfantasie dan – het van oudsher smoezelig rechtse Zandvoort (25% FvD) kon ik eraan vastplakken als bonus-schiereiland. Opgeruimd staat netjes! Texel (19%) was al een eiland, dat scheelde weer.

Pas de volgende ochtend, enigszins bedaard, besefte ik dat het succes van Baudet niet tot naburige gemeenten beperkt was gebleven en dat mijn Deltaplan in de praktijk een hoop werk zou betekenen. Als ik alle gemeenten in het land moest uitspitten waar FvD de grootste was, hadden we genoeg eilanden voor een archipel en zou de Nederlandse kaart eruitzien als in de Vroege Middeleeuwen, voordat de Haarlemmermeer (21% FvD), Schermer, Purmer en Beemster waren drooggelegd.

Thierry Baudet is een pedante kwast, wiens dubieuze politieke kleur ik (om bij zijn eigen terminologie te blijven) graag homeopathisch verdund zou zien, maar ach, troostte ik mezelf, die ijdeltuit tuimelt binnenkort wel van zijn zelf opgerichte voetstuk en dan is het hopelijk uit met de verafgoding. #Baudexit

De gevestigde Noord-Hollandse partijen dachten er kennelijk hetzelfde over; die likten hun wonden en sloten de gelederen. Informateur Hans Smits concludeerde in een lelijke zin ‘dat de kans op programmatische overeenstemming tussen Forum voor Democratie en andere partijen waarmee een coalitie kan worden gevormd zeer gering, zo niet onmogelijk is.’ Derhalve was het aan de rest om onderling de Gedeputeerden te verdelen. Over tot de orde van de dag?

Me dunkt, dat zou een zware vergissing zijn, al valt er natuurlijk geen goed garen te spinnen met een schertsfiguur als FvD-lijsttrekker Johan Dessing, assistent luchtverkeersleider en tijdens de gehele campagne onzichtbaar. Aan diens charme en overtuigingskracht was het beslist niet te danken dat de partij 180.000 stemmen kreeg. Maar waaraan wel? Vergeet niet, de sleetse PVV vergaarde er in Noord-Holland ook nog een slordige 65.000 (bij een opkomst van 53%).

Ik heb net Dansende Beren gelezen, waarin journalist Witold Szablowski praat met inwoners van voormalige dictaturen: Polen, Bulgaren, Cubanen, Albanezen. De nieuwe ‘vrijheid’ van het neoliberalisme ervoeren zij niet als een zegen; zelfs als de levensstandaard was gestegen, hadden ze ingeleverd aan trots en waardigheid. Niet onbelangrijk! Ik vroeg me af hoe het ervoor stond met het zelfrespect van ons Noord-Hollanders. Wie voelden zich (terecht of onterecht) gemangeld, betutteld, vergeten, overbodig? Slaaf van een onrechtvaardig systeem of slachtoffer van omstandigheden buiten hun invloed?

Gepensioneerden, woningzoekenden, filerijders en forenzen, Nuon-klanten, onderwijzers, verplegers, artsen, brandweerlieden en politie… oei, het ging best hard! Niet alle ontevredenen stemmen FvD maar toch… Boeren, vissers, rokers, alle inspectiediensten, pechvogels onder de rook van Tata of de decibellen van Schiphol, kleine ondernemers, iedereen met nieuwe windmolens of flats aan de horizon, met veel Airbnb in de straat of coffeeshops. Postbodes en schoonmakers. Werknemers met kortlopende contracten en tirannieke apps. Negen zetels voor Thierry? Zoveel was het eigenlijk niet, bij nader inzien.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Zonder ruggengraat

Voor Straatjournaal april ‘19

U en ik en de inktvis hebben een gemeenschappelijke voorouder, zij het dat het een onooglijk wurmpje betreft, pakweg een half miljard jaar geleden. Ergens daarna gingen gewervelden (ik en hopelijk u) en ongewervelden hun eigen evolutionaire weg. De eerste inktvissen (Cephalopoda) zwommen 290 miljoen jaar geleden al rond (of anders 169 miljoen – de weinige fossielen geven geen uitsluitsel) en ontwikkelden hun eigen anatomie en breinen. Ja, meervoud, want ook de uiteinden van de tentakels bevatten grote concentraties neuronen.

Over de intelligentie van inktvissen zijn sterke staaltjes te vertellen. In het laboratorium sluipen ze uit hun aquarium en brengen bezoekjes aan de buren – uit nieuwsgierigheid of om lekkernijen te roven, waarna ze schijnheilig terugkeren naar hun eigen plek. Ze treiteren stelselmatig één bepaalde verzorger (niemand weet waarom ze juist die ene steeds natspuiten) en saboteren de saaie proefjes van de wetenschappers. Maar als er echt wat te halen valt – een smakelijk krabbetje in een jampot – draaien ze na enig gepuzzel de schroefdop los, ook al hebben ze zo’n sluiting nooit eerder gezien.

Mijn fascinatie voor die beesten groeit met iedere pagina die ik lees in Other Minds van Peter Godfrey-Smith, zowel filosoof als duiker, die zich onder meer afvraagt hoe de belevingswereld van Cephalopoda verschilt van de onze. Het lijkt een kansloze vraag, maar het is een serieus boek en ik word me steeds bewuster van mijn hoekigheid, stramheid en ruggengraat. Want de inktvis heeft een aantal uiterst benijdenswaardige eigenschappen. Hij vouwt zich op en verstopt zich in nauwe spleten en onmogelijke gaten. Daarbij is hij een meestervermommer. Sommige soorten verschieten voortdurend van kleur als ze over afwisselende bodems zwemmen. Maar de gedaanteverwisselingen gaan verder: hun huid kan zelfs de patronen van de ondergrond aannemen en de textuur – uitsteeksels, korsten en en bultjes. Kampioen is een Indonesische inktvis die andere zeewezens imiteert, zoals platvissen en zeeslangen. Als het zo uitkomt draagt hij een schelp op zijn rug om onkwetsbaarheid te suggereren.

Bij dreigend gevaar zijn de voordelen van camouflage duidelijk, maar nog frappanter is dat bepaalde inktvissen ook in rust onophoudelijk kleureffecten vertonen. Weerspiegelen die hersenactiviteit, ongeveer zoals wij neuriën, in onszelf praten of dromen?

Hoe heerlijk moet het zijn om door een druk winkelcentrum te lopen terwijl niet alleen je kleding instinctief allerlei verschillende kleuren aanneemt, maar bolletjes ook nog eens veranderen in ruitjes, sterren of streepjes en je maat van XXS uitdijt naar XXL; bij de Etos ben je een meisje van 1.20m en bij de hangjongeren voor de Xenos pomp je je op tot een agent met gummiknuppel of een bullebak van 3.60 meter. Even verderop tover je dreadlocks op je kale schedel en in plaats van voortdurend te lopen, verplaats je je voor de variatie met radslagen of je stuitert als een rubberballetje. Het is maar net hoe je pet/helm/punthoed staat.

Ook geestelijk ben je flexibel en ongrijpbaar. Fluïde. Je hebt lak aan hokjes, kaders, grenzen, principes, machtsblokken, betrokken stellingen, barricaden, partijkleuren en in beton gegoten standpunten. De inktvis is al 200 miljoen jaar een solitair dier en doet niet aan groepsdenken.

Soms kijkt hij met zijn wijze, lepe ogen naar ons en slaakt een diepe onderwaterzucht. Mensen… sommigen lopen wekenlang in dezelfde bruine slobbertrui, stemmen elke vier jaar met dezelfde hand op dezelfde partij, staan dagelijks bij dezelfde afslag in de file, houden de godganse dag dezelfde teint, kruipen zelden in de huid van een ander. Eén club, één god, één paspoort, één kantoorstoel. Ze lopen braaf in het gareel en zetten zelden hun hakken in het zand. Die ruggengraat, mijmert hij, was dat achteraf nou wel zo’n geweldig idee?

Boerenhesjes

Straatjournaal jan. 2019

Kom daar bij de gele hesjes eens om! De Noord-Hollandse boerenhesjes hadden hun eigen frituurwagen meegebracht naar hun protestdemonstratie bij het Provinciehuis in Haarlem. Tussen de lange rij met boze spandoeken opgetuigde landbouwtrekkers stond de mobiele snackbar van café De Drie Zwanen uit Den Ilp.

Symboliseerde die het wantrouwen tegen de stadse wereld? Voor ons boeren geen slappe industriële patat, vervaardigd uit geïmporteerde, inferieure aardappelrassen, in gedegenereerd vet gebakken door glazig kijkende, suf gegamede 16-jarigen, gespeend van motivatie en ruggegraat? Op het platteland snijden wij onze friet zelf. Leve de kruimige Goudpieper uit Spijkerboor of de befaamde Spanbroeker krieltjes!

Bij de ingang van het Provinciehuis trof ik een breed assortiment ontboerde rubberlaarzen. Hadden ze die voor de commissievergadering in Paviljoen Welgelegen keurig uitgetrokken, zoals ze dat thuis op de deel ook deden? Er ging tevens een duistere suggestie van uit: ons mooie beroep wordt bedreigd, het bestaan wordt ons onmogelijk gemaakt.

Directe aanleiding voor het ongenoegen van de ongeveer 150 boeren was de ‘Notitie voor richtinggevende uitspraken over bodemdaling in veenweidegebieden’. Minder sexy kan het haast niet, maar notitielezende boeren hadden eruit opgemaakt dat de beleidsmakers hun grasland op termijn liefst willen omzetten in moerasgebied. Zoals een spandoek het samenvatte: DE POLDERS ONDER WATER / DE KOEIEN NIET MEER OP HET LAND / DE PROVINCIE HEEFT DIT IN DE HAND.

Wat moest ik? Hesje of geen hesje? Solidair een boerenkiel aantrekken of geen boerenkiel? Volgens gedeputeerde Cees Loggen loopt het huidige systeem van drooghouden tegen zijn grenzen aan. Door het kunstmatig laag gehouden waterpeil verteert het veen en daalt de bodem, waardoor er weer meer gepompt moet worden, enzovoort. De aanhoudende stijging van de zeespiegel verergert de druk van het grondwater ook nog eens en oh ja, dat inklinkende veen zorgt voor een toename van de CO2-uitstoot. Hierover zijn alle politieke partijen het eens. Zonder extra maatregelen daalt de bodem tussen 2010 en 2050 met 27cm.

Dat is niet niks – het zou een hele schrik zijn als dat vanmiddag tussen 3 en 4 uur gebeurde – maar tegelijk kan ik me voorstellen dat je als melkveehouder denkt, dat is per jaar zoveel als één frietje van café De Drie Zwanen dik is. Moet ik me daarvoor laten omscholen tot lisdoddenkweker of gruttohoeder? Minder CO2? Pak eerst die viespeuken van Tata Steel eens hard aan, zodat de grafietregen boven Wijk aan Zee stopt.

En zo vergaat het me vaker. Ik weet niet hoe jullie in deze gepolariseerde wereld staan, maar ik kies graag partij. Alleen, in de praktijk eindig ik meestal in een half hesje; en de gehoopte principiële zwart-wit stellingname versmoezelt weldra tot vijftig tinten Tata-grijs. Wat is wijsheid in dit nieuwe jaar? Met zoveel abstracte en onbevattelijke problemen? Misschien moet ik daarvoor bij mijn vrouw te rade gaan, zoals wel vaker. Sylvia Hubers schreef onderstaand gedicht, We moeten iets kleins doen. Voor boeren, burgers en provincielui:

We moeten iets kleins doen.
Een klein wonder
moeten we verrichten.
Eén klein persoonlijk wonder,
één wonder moeten we verrichten
per persoon.

En dan, als iedereen dat gedaan heeft,
één klein wonder verrichten,
dan tellen we de wonderen
die ontstaan zijn bij elkaar op.
En dan, dan hebben we
een groot wonder.

Kijk: zo simpel zit nu eenmaal
een groot wonder in elkaar

Ik wens iedereen een 2019 met veel kleine wondertjes.