Bange mensen

Mijn vader had een abonnement op Vrij Nederland, dus Tamar / Renate Rubinstein (1929-1990) kwam bij ons wekelijks over de vloer. Hun andere roemruchte columnist, Piet Grijs, sprak mij destijds meer aan, maar ik vraag mij af of ik van hem nu nog een Privé-domeindeel van bijna 500 pagina’s zou kunnen verstouwen.

Aan Tamar had ik nooit een hekel, maar een zekere vermoeidheid trad wel in, als ze Weinreb weer eens van stal haalde of andere stokpaardjes bereed. Aan gejeremieer over een scheiding of een polemiek over feminisme had ik op die leeftijd vanzelfsprekend geen boodschap.

Sommige van die stukken doken ook weer op in de keuze die Ronit Palache maakte uit Rubinsteins werk, Bange mensen stellen geen vragen. Ik heb hier en daar wel iets geskipt, maar niettemin… ik ben tot het eind toe geboeid blijven lezen. Ja, óók over die scheiding die haar compleet uit het lood sloeg. Haar beschrijvingen van het plotselinge gemis gaan mij nu door merg en been en doen me des te meer beseffen hoe bevoorrecht ik zelf ben.

Idem voor het thema (on)gezondheid, over haar multiple sclerose en wegvloeiende krachten. Rubinstein bekijkt zichzelf tegelijk meedogenloos en met mededogen. Eerst verzet ze zich tegen de naderende hulpbehoevendheid (‘Dat uitbundige, dat zwaaien met armen en benen is mijn aard. Lenig en heupwiegend ben ik ook.’). Uit aanvankelijke schaamte voor haar ziekte vraagt ze zich af ‘welke rol’ ze moet kiezen: de dapper-glimlachend-door-zijn-tranen-heen-invalide? De woedende invalide? Hilarisch is het verhaal van een aankomst op Schiphol, waar men verzuimd had een rolstoel klaar te zetten. ‘Braaf als een pakje’ wachtte ze 20 minuten op vervoer, inwendig sissend en kolkend van woede. Toen ze later haar gal spuwde bij ene dr. V over haar gevoel van machteloosheid, zei de medicus laconiek: “Maar u bent toch niet machteloos? (…) U had toch weg kunnen lopen?’

Strompelend en kreunend, weliswaar, maar het hád gekund. Het frappante was dat het volstrekt niet bij haar was opgekomen om een scène te maken. Later ging ze op een andere manier met haar zwakte om. Een van de hoogtepunten van het boek is voor mij het portret van de hoogbejaarde socioloog Norbert Elias, dan half blind en doof, met wie ze samen gaat eten. Hij weigert aan zelfbeklag te doen en neemt ruim de tijd voor iedereen die hem aanklampt. En als Renate en hij (de blinde en de lamme) hun restaurant eenmaal bereikt hebben is het als vanouds dikke mik.

De Tamar van vroeger associeerde ik met starre standpunten en vetes; na het lezen van deze selectie waardeer ik vooral haar verdraagzaamheid voor menselijke zwakte, de openhartigheid over haar intieme gevoelens en haar onafhankelijke geest. En grappig was ze ook.

P.S. Hier staat een recensie uit de NRC.En een interview met Palache

 

Eergisteren zag ik bij de Schoterveenpolder deze reiger – ook een soort bloemlezer, zeg maar.


 

Onder het ijs

Ja, ik weet het, spuit elf geeft ook modder; dat boek is van 2018, inmiddels aan zijn 3e druk toe en het werd al bekroond met de Anton Wachterprijs. Daar komt bij, ik heb het niet eens zelf gekocht in de betere boekhandel, maar kreeg mijn exemplaar van een vriend, die het voor €1,25 had meegegrist bij een kringloopwinkel.

Ik heb het over Onder het ijs van Ellen de Bruin. Kan het Ministerie van Onderwijs daar niet 60.000 exemplaren van kopen en die bij wijze van leesbevordering verspreiden onder alle 4e-klassers van havo en vwo? Waarschijnlijk is Prometheus wel bereid tot een slinkse deal en dan hebben die kinderen écht wat… Voor elk wat wils: de grote thema’s (dood, rouw, initiatie, onmogelijke liefde), de nodige seks en dronkenschap (vakkundig gedoseerd), maatschappelijke thema’s (het boek gaat over een internationale poolexpeditie waar ook oliemaatschappijen veel belangstelling voor hebben). Voeg daaraan toe (voor bèta-boys en -girls) wetenswaardigheden over geologie, fossielen, ecologie en het mariene leven, van ijsberen tot eencellige algen (Bas, de 21-jarige hoofdpersoon is gefascineerd door haar ‘dinootjes’, dinoflagellaten). En als voorbereiding op het academische milieu is er de hiërarchie en kinnesinne tussen de onderzoekers op het schip, of het gekonkelefoes in het koffiehoekje van de vakgroep. Die lesplannen voor hollandici schrijven zichzelf en leerlingen hebben coronatussenuren genoeg om het boek in een week uit te krijgen.

Zelf genoot ik vooral van het plezier dat Ellen de Bruin in het schrijven van haar debuut gehad moet hebben. Ik kende haar van journalistieke bijdragen aan de NRC Wetenschapsrubriek, maar hier leek ze volmaakt in haar element – als azolla* in een subtropische zee.

Rancune, geborneerdheid en frustratie staan literair succes niet in de weg (lesplanopdracht: bedenk zelf vijftien voorbeelden van misantropische auteurs die meesterwerken schreven), maar als je Ellen de Bruin leest over katten, eten, poollandschappen, Amsterdam, grondboringen en een Engelse snollebollentweeling die walvisonderzoek doet, denk je vanzelf goh, wat een leuk mens moet dat zijn: nieuwsgierig, spontaan, grappig en intelligent. Goed gezelschap. Nou, ik hou op, anders wordt de huisdichteres jaloers, voor het eerst van haar leven. Dus voor wie Onder het ijs nog niet kent, aarzel niet er €1,25 voor neer te tellen. Of zoek een vriend van wie je het kunt krijgen. Of nog beter, koop het gewoon morgen bij de Kennemer Boekhandel of AB of De Vries. En ik kijk ondertussen uit naar de opvolger.

*Kroosvaren (speelt een rol bij de ontknoping van het boek)

P.S. Voor mijn andere leesbevorderingsplan zie MBATVGFOL


 

Zeeangst

‘Een logboek’ , staat er quasi-bescheiden onder de titel van Lodewijk Wieners nieuwste boek, Zeeangst.

Daar tuint niemand in natuurlijk. Het geeft weliswaar een goed gedocumenteerd verslag van een zeiltocht vanuit Haarlem langs de Engelse zuidkust tot aan Dartmouth, maar Wiener zou Wiener niet zijn als hij de lat niet veel hoger legde. Er is een sterk uitgewerkt autobiografisch thema. Sinds hij als jongen bijna verdronk, is zijn verhouding tot water ambivalent: hij vreest het en tart het. Het zorgt voor nachtmerries en angst (what if…) en dwingt hem in benarde situaties tot een bovennatuurlijke kracht en helderheid.

 

Ik las Zeeangst (284 pagina’s) in twee dagen uit en het heeft me veelsoortig plezier verschaft. Zo was het zeiljargon aan mij als onwetende landrot welbesteed (en achterin staat een glossarium voor wie echt wil weten wat leuvers, knuttels en zalingen zijn). Daar komt bij, als aan het vasteland gekluisterde anglofiel (in Greater Manchester is sinds vandaag weer een lockdown) was ik toch een beetje in Engeland – zij het het Engeland van 2019. Er is een aardig bijrolletje voor Loes, de scheepskat tegen wil en dank. Wiener is alijd goed met dieren; vogels, maar naar hier blijkt ook vissen. Met een ‘paravaan’ vangt hij zeebaars en makreel, die hij zelf schoonmaakt en rookt. ‘Het hart van een makreel lijkt op een beukennoot van rood vlees’. En voor mij een aardige bijkomstigheid: net als de huisdichteres in Schotland moest Wieners vriendin Ant met een beschadigd oog naar het ziekenhuis (zie Druppelen).

Wiener is altijd 100% Wiener, dus onvermijdelijk krijg je de bekende Wienerismen op de koop toe. Dan loopt de frik de schrijver hinderlijk voor de voeten of moet hij zich bewijzen door collega-schrijvers vliegen af te vangen. Zeeangst kan het gelukkig goed hebben, het zijn kleine plasjes buiswater die niet tot hozen nopen. Het schip koerst krachtig verder.


 

Dichtbij en Grun

Een lui meedrijfdagje. Gisteren fiks gewandeld door de duinen (bij Het Wed mocht je er weer door!), dus er hoefde vandaag geen energie verbrand te worden. Verder is mijn ergste corona-infodorst gestild tot de tweede golf komt en dus krijgt andere lectuur een eerlijke kans

In NRC hield mijn lodderig flodderig oog stil bij een bekende zwart-witfoto uit 1940 van Haarlemse burgers en Duitse soldaten op een voor iedere bavocentrist bekend bordes aan de Grote Markt. Ik schuimde de pagina af. ‘Stoop’s Bad, Santpoorterplein, Verspronckweg…’ Nu komt het wel érg dichtbij, clichéde ik en las de selectie uit Bakvis in oorlogstijd, het nu voor het eerst gepubliceerde oorlogsdagboek dat Miep Diesel (1926-2020) als 15-jarige begon. Over  zwemmen, vriendjes, de MULO, de Stuyvesantstraat (waar ze woonde) – kortom het dagelijks leven tijdens de bezetting. Een fragmentje [zondag 31 januari 1943] Kort politiek overzicht. In Rusland gaat het uitstekend. De moffen lopen hard, heel hard. In Afrika gaat het ook reuzegoed. Ik denk dat de oorlog ongeveer in mei is afgelopen. Vorige nacht is er weer een hoge mof doodgeschoten op de Verspronckweg. Er zal wel weer wat zwaaien voor ons Haarlemmers.

Hier nog twee links, naar het Noord-Hollands Archief (waar het manuscript nu ligt) en een artikel uit het NH Dagblad.

Zelf lees ik momenteel De Kunst is mijn slagveld, de correspondentie (1993-2001) van de romantische, getourmenteerde, grappige, rancuneuze, obsessieve, Oost-Groningse romanschrijver Nanne Tepper (1962-2012). Liefst 750 pagina’s meeslepend, stilistisch briljant én wijdlopig proza; over Luiletterland, kunst, voetbal, porno, muziek, Nabokov, ‘fillum’, jeugdliefdes in de Veenkoloniën, intellectuele poeha, tuinieren en zijn eigen schrijverschap. Ik vermoed dat ik het boek niet helemaal zal lezen (er is zoveel!), maar voorlopig is het een feest. Ik doe geen poging er binnen dit bestek recht aan te doen en geef enkel dit citaat:

Heb ik je wel eens verteld dat mijn vorige elektriese tijpmasjien, tijdens het schrijven van een godslasterlijk stuk, ontplofte, een witte vloed afscheidde en een reeks 8-en produceerde (zo’n twintig) voor hij de geest gaf? Echt gebeurd!

 

De natuur neemt het voorjaar weer erg serieus dit jaar (kastanje aan Schotersingel)


 

Ischa en Ronit

De afgelopen weken zat er veel Dikke Man in mij, misschien wel meer dan gezond voor een mens is. Gisteren in de Kennemer Boekhandel interviewde ik voor zo’n dertig toeschouwers Ronit Palache, samenstelster van de Ischa Meijer-bloemlezing ‘Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan’ (privé-domein).

Ter voorbereiding las ik natuurlijk de 540 pagina’s van Ronits ‘monument’ voor Meijer (en wat een schitterend monument is het geworden!) en verdiepte me daarnaast hapsnap in ander ischatologisch materiaal, zoals radio-opnamen (de VPRO heeft 400 uur online staan), de memoires van Ischa’s naasten en collega’s in een bundel van Gijs Groenteman en overig werk (Brief aan mijn moeder, Hoeren enz.). Er is veel, veel, véél.
Zoals alles bij Meijer veelveelveel was: zijn branie, zijn gedrevenheid, zijn nieuwsgierigheid, zijn verliefdheden, zijn veelveelveelzijdigheid. Palache nam behalve columns en verhalen ook toneelteksten, lezingen, gedichten en interviews op.

En in samenhang vullen al die genres elkaar aan tot een belangrijk oeuvre. De interviews beslaan maar liefst 160 pagina’s; ze zijn stuk voor stuk leerzaam en aangrijpend (Marga Minco, Abel Herzberg, Isaac Lipschits, Judith Belinfante) en vertellen samen de ontluisterende geschiedenis van de eerste generatie Nederlandse joden na de oorlog. De zo lang zwijgende generatie, die mede dankzij Ischa leerde praten.

Dat ‘geperverteerde joodse poffertje’ (zoals I.M. zichzelf laat noemen uit de mond van Cor Galis) zal me nog wel even bezig houden, met zijn grilligheid en intensiteit. Want Ischa op zijn best is erg goed en ontroerend tegelijk. En dat interviewen? Ja, het is een vak, besef ik na mijn debuut. Ik vond het erg leuk om te doen, zij het dat mijn rol bijwijlen overbodig was, doordat Ronit een soort natuurkracht is: de woorden klateren en kolken  ook wel zonder aandrijving.

Wie verwittigd wil worden bij elk nieuw RaDa-stukje, kan zich abonneren via Subscribe2 (menu)

Vaderliefde

Zaterdag schoof ik in de Kennemer Boekhandel aan bij P.F. Thomése, die signeerde en voor een kleine kring liefhebbers enkele passages voorlas uit zijn nieuwste werk, Vaderliefde.

Het was een gemoedelijke bijeenkomst, een ideale opmaat voor het lezen van het boek. Ik heb het (= 250 pagina’s) al uit, het houdt me nog steeds bezig en ik ga mijn moeder een exemplaar cadeau geven. Zeggen jullie zelf maar aan hoeveel recensiesterren dat gelijkstaat. Vier? Hebben we dat vast gehad.

Vaderliefde is een rijk, gevarieerd en onderhoudend boek. Een familiekroniek met twee stambomen achterin, waarbij het zwaartepunt ligt bij Frits, de raadselachtige vader, overleden in 1979. Het boek kon, zo liet de schrijver doorschemeren, pas geschreven worden na de dood van zijn moeder in 2018.

Volgens de familieoverlevering zouden de vroegste voorouders uit het roemrijke riddergeslacht Brederode stammen, maar Thoméses genealogische naspeuringen brachten hem niet verder dan de Napoleontische tijd. Zelf wars van pretenties en aanstellerij, maakt de schrijver zich vrolijk over de ‘bastaard’ Cornelis aan vaderszijde en de accent aigu die voor de chic de familie werd binnengesmokkeld (vergelijkbaar met het trema van de zusjes Brontë).
 
Thomése is trefzeker in de tijdsbeelden (zijn beheerste, gesoigneerde stijl helpt daarbij) en sommige gave portretten zouden op zichzelf kunnen staan, als kort verhaal. Door het hele boek heen wordt benadrukt hoe veel we niet weten over eerdere generaties – hoe veel er ingekleurd moet worden (veelzeggend toont het omslag het uitgeknipte silhouet van de vader).

.

vaderliefde

.

Wrang genoeg blijven juist degenen die in tijd het nabijst zijn soms het onbereikbaarst. Moeder Betty geeft tijdens haar leven niets prijs van haar gevoelsleven; de vader blijkt twee levensbepalende geheimen gekoesterd te hebben over zijn oorlogservaringen. Wat hij wél met zijn zoon probeert te delen (natuurobservaties in de Kennemerduinen, familiehistorie) verwaait veelal of wordt pas veel later begrepen.

Het laatste hoofdstuk, ‘Nagelaten Zoon’, is het persoonlijkst en bevat de kiemen voor nog tien andere, andersoortige boeken. Humoristisch, satirisch, psychologisch, enz. Schitterend vond ik in ‘Faalgeschiedenis’ de verhalen over drukkerij Thieme, waar de vader werkte en zijn overdonderde zoon mee naar toe nam (‘de grote fabriekshal waar de persen woedend stonden te stampvoeten’). Of die over het landhuis in Zaltbommel, waar de jonge Frans dankzij acrobatische toeren het platte dak wist te beklimmen, waar een bronzen klok hing, die bij ontstentenis van een touw alleen door een dappere dakbedwinger geluid kon worden: Het was een machtige ervaring: naar alle windstreken uitkijkend over stad en land en dan die bronzen bruut te laten galmen over alle levende en dode mensen en dieren en dingen, alsof ik een onofficiële Bommelse god was, die allen verwonderd deed opkijken van hun bezigheden, zonder dat zij wisten naar wie of wat zij moesten opzien.

Meer! Meer van dit soort herinneringen!

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen. EN ik zit (in ieder geval de komende maanden) op Facebook

Verschrikkelijke mensen

Ik hoorde Mark Rutte en Sander Dekker stamelen over de rapporten die de reeks fouten blootlegden die Michael P. in staat stelde Anne Faber te vermoorden. Het was stamelen zonder stamelen: een paar geprepareerde zinnen hebben politici altijd wel voorradig, maar beider onmacht was evident.

Vooropgesteld, het jarenlang uitkleden en demoraliseren van alle overheidsinstanties heeft zeker niet geholpen om misstanden te voorkomen, dus die kabinetshoofden zitten hoe dan ook dik onder de boter. En zoals altijd was er de gespeelde daadkracht; Rutte sloot het gesprekje af met de bezwering dat dit land ‘veilig’ moest worden gehouden ‘voor dit soort verschrikkelijke mensen’.

Waarbij de vraag is of we bereid zijn de consequenties te aanvaarden. Want hoeveel veiligheid kan je garanderen zonder alle ‘verschrikkelijke mensen’ levenslang op te sluiten? Ik moest denken aan het verhaal Mr. Loveday’s Little Outing van Evelyn Waugh, een van Engelands briljantste stilisten en grootste zwartkijkers. Twintig jaar geleden las ik het regelmatig in 5VWO, maar nadien is het van het repertoire verdwenen. De onsentimentele humor behoefde steeds meer uitleg, en qua empathie en inlevingsvermogen had het oneigentijds weinig te bieden.

Voor wie het niet kent: Lady Moping heeft haar man na diens zelfmoordpoging tijdens haar tuinfeest (hij dreigde er al jaren mee) laten opnemen in het gekkenhuis, waar hij verblijft in de aparte vleugel voor de rijkere gestoorden. Bij een bezoek samen met haar dochter Angela ontmoeten we Lord Moping’s ‘secretaris’, een oudere man: voorkomend en zachtaardig. Angela ziet hem aan voor een verpleger, maar hij is een ‘inmate’, die zich op allerlei manieren verdienstelijk maakt voor anderen. Hij biljart met ze, doet goocheltrucs, repareert grammofoons, enz. Als jongeman had Mr. Loveday (let op de naam) een jonge vrouw van haar fiets getrokken en gewurgd. “But surely he is perfectly safe now?” roept Angela uit.

Angela wordt een vrouw met een missie; die arme Mr. Loveday moet vrij. Desgevraagd vertrouwt hij haar toe te vrezen dat veel patiënten hem erg zouden missen, maar ‘Well, miss, I should welcome a little outing before I get too old to enjoy it. […] There is one thing I often wish I could do. You mustn’t ask me what.’

Hij krijgt een afscheidsfeestje met tranen en cadeautjes; een bonte stoet krankzinnigen doet hem huppelend en hinkelend uitgeleide naar het hek. Tot ieders verbazing is Loveday al twee uur na zijn afscheid terug van zijn uitstapje. Was het niet leuk? Het was juist érg leuk, laat hij weten, met een glimlachje. “I think that now I shall be here for good.”

Dan is die damesfiets in de berm nog niet gevonden. Het is een grimmig verhaal en als je het hebt gelezen, is het moeilijk er niet aan te denken als je in artikelen over tbs en het Pieter Baan Centrum termen leest als risico-analyse, resocialisatie en recidivekans.

P.S. Een PDF van het verhaal staat hier. En voor ereaderreaders is dit misschien iets

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Lijden met Ischa

Silicon-bedrijven die zich bezighouden met Kunstmatige Intelligentie vertrouwen het oplossen van grote maatschappelijke problemen toe aan slimme knulletjes zonder mensenkennis en levenservaring, die zelf geen enkel benul hebben wat het is om te lijden en te falen en die ieder ethisch besef ontberen.

Dat heb ik niet van mezelf; het is de opvatting van neuro-wetenschapper en ondernemer Vivienne Ming, die vreest dat Artificial Intelligence in de huidige toepassing maatschappelijke vooroordelen en misstanden alleen maar zal versterken (Guardian Weekly).

Toen ik het las moest ik direct denken aan De Interviewer van Ischa Meijer, een bundeling vraaggesprekken uit 1999. Vijftig interviews uit 25 jaar interviewen. Ik viste het boek van 400 pagina’s uit een bak met literaire afdankertjes van een serveerster in het Dolhuys en ik ben er al een week aan verslingerd. Deels doordat het een tijdreisje is. De grote namen uit mijn jeugd: schrijvers (Hugo Claus, W.F. Hermans, Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt, K. Schippers, Marga Minco), journalisten (Henk Hofland, W.L. Brugsma, Jan Blokker, Renate Rubinstein), kunstenaars en artiesten (Karel Appel, Wally Tax, Willem Breuker, Wim Sonneveld) en ga zo door. Drie interviews met Lou de Jong. De meesten hebben butsen en schrammen opgelopen in of door de oorlog en hebben veel moeten overwinnen om iets van het leven te maken. Naïef kun je hun wereldbeeld niet noemen (anders dan dat van die AI-knullen hierboven) en Ischa Meijer – laat dat maar aan hem over – vraagt natuurlijk door en door en door.

Het is geen toeval: het enige mijns inziens overbodige interview is dat voor de Nieuwe Linie met sixties ‘protestzanger’ Boudewijn de Groot, die bij hun ontmoeting in een ‘kasteelachtige’ Aerdenhoutse villa (waar hij logeert) door Meijer wordt neergezet als een volstrekte minkukel. Inderdaad, die woningnood, daar kan hij ‘charmant striemend’ over zingen. Het interview met Gert en Hermien lees je daarentegen ademloos.

Haarlems ereburger Harry Mulisch werd in 1970 onder handen genomen voor de Haagse Post. Uit de introductie: Voor velen een hansworst, een frivole kwast, de jongen die vanuit zijn sportkar voldaan het opstandig gepeupel bestudeert. De eigentijdse dandy, die kans ziet in de krappe actieradius Leidsebosje-Leidsestraat half vrouwelijk Amsterdam tussen de lakens te lokken. Voor vrienden: een moederloos veulen (Mies Bouhuys), de grootste schrijver van Nederland (Jan Hein Donner), een onwankelbaar trouwe vriend (W.L. Brugsma), iemand met een volkomen gesloten wereldbeeld (Cees Nooteboom).

Het boek (Prometheus) is volgens bol.com nog antiquarisch verkrijgbaar. Het is maar een tip.

P.S. Gisteren zocht de Pavohovaha schuchter toenadering tot de PvdA Zuid-Kennemerland op hun Nieuwjaarsreceptie. Voor opnamen van de toespraak die ik hield in mijn hoedanigheid van partijvoorzitter, secretaris, lijstduwer en lijsttrekker zie de site van Martien Brander: een bedaard, sloom en gemoedelijk 2019.

https://youtu.be/wO5qejrrKkk

IMG-20190113-WA0002.

Paars PS In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Plaquetteplaque?

In Engeland zitten hele wijken onder een blauwe plaquetteplaque (Ken Drabbers, forgotten writer of utterly forgettable prose lived here for six consecutive days in 1868) en in Frankrijk werd iedere kwispedoor met een fluim van Flaubert stante pede bijgezet in een vitrine.

En dan wij… Marita Mathijsen hekelt in NRC (22 sept.) de armetierige manier waarop wij in Nederland omspringen met ons literair erfgoed. Schriel steken we af: voormalige schrijvershuizen staan anoniem tussen hun buren en letterkundige musea (if any) zieltogen. Wel is er nu een initiatief (in navolging van The Times Literary Supplement) voor een site waarop plekken die ooit iets betekend hebben voor de bellettrie kunnen worden aangemeld.

Ze zijn net begonnen, dus Haarlem is nog een blinde vlek op de kaart.

.

schrijverloos

.

Kan iemand Wim Vogel uitroken misschien? Staan we direct op de eerste plek! En heeft Wim al subsidie voor een app van de Literaire Wandelgids van Haarlem? Ik probeer me voor de geest te halen welke schrijversschrijnen we hier ter stede al hebben. Marie-Thérèse Meijs, wethouder van Cultuur, het kan toch niet zo zijn dat…? Mag de RaDa-reda anders voorstellen George Moormann carte blanche en een vorstelijk bedrag te geven om een dode schrijvershoek in te richten?

Overigens is in mijn geval een griepje goed voor de boekenconsumptie – eetlust, Wanderlust en gewone lust vallen weg en alleen leeslust blijft over. Lord of the Rings en Ulysses las ik in verre verledens al revaliderend.

Dit weekend begon ik in CoDex 1962, een trilogie van de IJslander Sjón: een deel liefdesverhaal (Thine eyes did see my substance), dan een misdaadverhaal en het eindigt met science fiction. Het is een speels, grappig, grillig, soms gruwelijk, bijna over-de-toppig boek, gesitueerd in het interbellum in het Duitse Kükenstadt –  ik begrijp niet alles en Sjón tart de lezer graag, maar na 150 pagina’s blijf ik vol bewondering en erg nieuwsgierig naar het vervolg. Het zou qua thematiek ook nog wel eens een buitengewoon ernstig boek kunnen blijken te zijn. Misschien later meer.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

De porseleinkast

Gisteren wandelde ik binnen bij de presentatie van Nicolien Mizee’s nieuwste, De porseleinkast. Het was, dankzij Brigitte Kaandorp, een vrolijke bedoening in de Kennemerboekhandel. De kennismaking, het eerste deel van de ‘faxen aan Ger’ had ik nog niet gelezen, ondanks alle recensentenballen en jubelsterren die het boek opgeplakt kreeg.

Vanochtend las ik de eerste veertig pagina’s van de 455 (mooie uitgave van Van Oorschot), schoot een paar keer luid in de lach, las sommige alinea’s drie keer, omdat ze het verdienden – zo mooi/scherp/beklemmend waren ze en ik wilde direct terug naar de KB om alsnog een exemplaar van De kennismaking te kopen, zodat de huisdichteres en ik straks elk met een eigen Mizee op schoot kunnen zitten en niet hoeven kibbelen.

Zelf heb ik een nodding acquaintance met Mizee. We hebben (dit is Haarlem) weleens een praatje gemaakt, maar een grote vlucht zal onze conversatie nooit nemen. Daarvoor ‘voel’ ik haar te veel kijken. In het boek heeft ze op een terras een afspraakje met een ‘man van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat’. Het gesprek vlot niet doordat hij stug doorpraat terwijl in zijn bierglas een wesp vecht voor zijn leven. Vervolgens verbreekt ze het contact. Zo’n soort gevoel had ik bij de zeldzame gelegenheden dat ik Mizee sprak, dat er ergens een wesp was die zij wel zag en ik niet. In het verlengde daarvan, aan de door haar geadoreerde Ger schrijft ze: ‘Het was altijd of we niet zelf praatten, maar machteloos toekeken hoe door ons gehuurde woordvoerders trachtten een normaal menselijk gesprek na te bootsen…’

Dat dissociatieve, al dan niet machteloze kijken is voor een schrijver natuurlijk een pre. ‘The writer shouldn’t be afraid to stare’, schreef Flannery O’Connor*.

Zolang scherpe observatie een hoger literair doel dient, kan ik ermee leven. Maar gisteren, op de stoep van de boekhandel, dreutelteutte ik even in afwachting van de huisdichteres, die bij de kassa stond. Toen ik me op een gegeven moment omdraaide, stonden daar twee vrouwen van een jaar of 35, glas in de hand, van wie de ene mij wel erg nadrukkelijk monsterde –  aan al mijn kledingstukken hingen ineens prijskaartjes, mijn kapsel werd gekeurd, ik werd gewogen en opgemeten. Het ging verder. Mijn stamboom werd nagetrokken, zo voelde het, mijn DNA geproefd en een total body scan was in de maak. Door haar brutale blik meende ik eerst dat we elkaar kenden, maar toen ik terugkeek, gaf ze geen sjoege. Was het een gereïncarneerde aristocrate die in de goeie ouwe 18e eeuw met diezelfde blik een echtgenoot voor haar huwbare dochter selecteerde? Of was het een schaamteloze bitch?

Ik hield het op het tweede, maar er klonk een ferm tegengeluid van degene die mij het best kent. ‘Jij kan zelf precies zo kijken.’

*Citaat incorrect. Maar zoiets was het.

P.S. De introductie van de deelbakfiets (Cargoroo) parkeer ik maar even. Voorlopig alleen een foto van dit nieuwe fenomeen in de Kleverparkbuurt.

.

cargaroo

.

Paars PS: In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.