Dichtbij en Grun

Een lui meedrijfdagje. Gisteren fiks gewandeld door de duinen (bij Het Wed mocht je er weer door!), dus er hoefde vandaag geen energie verbrand te worden. Verder is mijn ergste corona-infodorst gestild tot de tweede golf komt en dus krijgt andere lectuur een eerlijke kans

In NRC hield mijn lodderig flodderig oog stil bij een bekende zwart-witfoto uit 1940 van Haarlemse burgers en Duitse soldaten op een voor iedere bavocentrist bekend bordes aan de Grote Markt. Ik schuimde de pagina af. ‘Stoop’s Bad, Santpoorterplein, Verspronckweg…’ Nu komt het wel érg dichtbij, clichéde ik en las de selectie uit Bakvis in oorlogstijd, het nu voor het eerst gepubliceerde oorlogsdagboek dat Miep Diesel (1926-2020) als 15-jarige begon. Over  zwemmen, vriendjes, de MULO, de Stuyvesantstraat (waar ze woonde) – kortom het dagelijks leven tijdens de bezetting. Een fragmentje [zondag 31 januari 1943] Kort politiek overzicht. In Rusland gaat het uitstekend. De moffen lopen hard, heel hard. In Afrika gaat het ook reuzegoed. Ik denk dat de oorlog ongeveer in mei is afgelopen. Vorige nacht is er weer een hoge mof doodgeschoten op de Verspronckweg. Er zal wel weer wat zwaaien voor ons Haarlemmers.

Hier nog twee links, naar het Noord-Hollands Archief (waar het manuscript nu ligt) en een artikel uit het NH Dagblad.

Zelf lees ik momenteel De Kunst is mijn slagveld, de correspondentie (1993-2001) van de romantische, getourmenteerde, grappige, rancuneuze, obsessieve, Oost-Groningse romanschrijver Nanne Tepper (1962-2012). Liefst 750 pagina’s meeslepend, stilistisch briljant én wijdlopig proza; over Luiletterland, kunst, voetbal, porno, muziek, Nabokov, ‘fillum’, jeugdliefdes in de Veenkoloniën, intellectuele poeha, tuinieren en zijn eigen schrijverschap. Ik vermoed dat ik het boek niet helemaal zal lezen (er is zoveel!), maar voorlopig is het een feest. Ik doe geen poging er binnen dit bestek recht aan te doen en geef enkel dit citaat:

Heb ik je wel eens verteld dat mijn vorige elektriese tijpmasjien, tijdens het schrijven van een godslasterlijk stuk, ontplofte, een witte vloed afscheidde en een reeks 8-en produceerde (zo’n twintig) voor hij de geest gaf? Echt gebeurd!

 

De natuur neemt het voorjaar weer erg serieus dit jaar (kastanje aan Schotersingel)


 

Ischa en Ronit

De afgelopen weken zat er veel Dikke Man in mij, misschien wel meer dan gezond voor een mens is. Gisteren in de Kennemer Boekhandel interviewde ik voor zo’n dertig toeschouwers Ronit Palache, samenstelster van de Ischa Meijer-bloemlezing ‘Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan’ (privé-domein).

Ter voorbereiding las ik natuurlijk de 540 pagina’s van Ronits ‘monument’ voor Meijer (en wat een schitterend monument is het geworden!) en verdiepte me daarnaast hapsnap in ander ischatologisch materiaal, zoals radio-opnamen (de VPRO heeft 400 uur online staan), de memoires van Ischa’s naasten en collega’s in een bundel van Gijs Groenteman en overig werk (Brief aan mijn moeder, Hoeren enz.). Er is veel, veel, véél.
Zoals alles bij Meijer veelveelveel was: zijn branie, zijn gedrevenheid, zijn nieuwsgierigheid, zijn verliefdheden, zijn veelveelveelzijdigheid. Palache nam behalve columns en verhalen ook toneelteksten, lezingen, gedichten en interviews op.

En in samenhang vullen al die genres elkaar aan tot een belangrijk oeuvre. De interviews beslaan maar liefst 160 pagina’s; ze zijn stuk voor stuk leerzaam en aangrijpend (Marga Minco, Abel Herzberg, Isaac Lipschits, Judith Belinfante) en vertellen samen de ontluisterende geschiedenis van de eerste generatie Nederlandse joden na de oorlog. De zo lang zwijgende generatie, die mede dankzij Ischa leerde praten.

Dat ‘geperverteerde joodse poffertje’ (zoals I.M. zichzelf laat noemen uit de mond van Cor Galis) zal me nog wel even bezig houden, met zijn grilligheid en intensiteit. Want Ischa op zijn best is erg goed en ontroerend tegelijk. En dat interviewen? Ja, het is een vak, besef ik na mijn debuut. Ik vond het erg leuk om te doen, zij het dat mijn rol bijwijlen overbodig was, doordat Ronit een soort natuurkracht is: de woorden klateren en kolken  ook wel zonder aandrijving.

Wie verwittigd wil worden bij elk nieuw RaDa-stukje, kan zich abonneren via Subscribe2 (menu)

Vaderliefde

Zaterdag schoof ik in de Kennemer Boekhandel aan bij P.F. Thomése, die signeerde en voor een kleine kring liefhebbers enkele passages voorlas uit zijn nieuwste werk, Vaderliefde.

Het was een gemoedelijke bijeenkomst, een ideale opmaat voor het lezen van het boek. Ik heb het (= 250 pagina’s) al uit, het houdt me nog steeds bezig en ik ga mijn moeder een exemplaar cadeau geven. Zeggen jullie zelf maar aan hoeveel recensiesterren dat gelijkstaat. Vier? Hebben we dat vast gehad.

Vaderliefde is een rijk, gevarieerd en onderhoudend boek. Een familiekroniek met twee stambomen achterin, waarbij het zwaartepunt ligt bij Frits, de raadselachtige vader, overleden in 1979. Het boek kon, zo liet de schrijver doorschemeren, pas geschreven worden na de dood van zijn moeder in 2018.

Volgens de familieoverlevering zouden de vroegste voorouders uit het roemrijke riddergeslacht Brederode stammen, maar Thoméses genealogische naspeuringen brachten hem niet verder dan de Napoleontische tijd. Zelf wars van pretenties en aanstellerij, maakt de schrijver zich vrolijk over de ‘bastaard’ Cornelis aan vaderszijde en de accent aigu die voor de chic de familie werd binnengesmokkeld (vergelijkbaar met het trema van de zusjes Brontë).
 
Thomése is trefzeker in de tijdsbeelden (zijn beheerste, gesoigneerde stijl helpt daarbij) en sommige gave portretten zouden op zichzelf kunnen staan, als kort verhaal. Door het hele boek heen wordt benadrukt hoe veel we niet weten over eerdere generaties – hoe veel er ingekleurd moet worden (veelzeggend toont het omslag het uitgeknipte silhouet van de vader).

.

vaderliefde

.

Wrang genoeg blijven juist degenen die in tijd het nabijst zijn soms het onbereikbaarst. Moeder Betty geeft tijdens haar leven niets prijs van haar gevoelsleven; de vader blijkt twee levensbepalende geheimen gekoesterd te hebben over zijn oorlogservaringen. Wat hij wél met zijn zoon probeert te delen (natuurobservaties in de Kennemerduinen, familiehistorie) verwaait veelal of wordt pas veel later begrepen.

Het laatste hoofdstuk, ‘Nagelaten Zoon’, is het persoonlijkst en bevat de kiemen voor nog tien andere, andersoortige boeken. Humoristisch, satirisch, psychologisch, enz. Schitterend vond ik in ‘Faalgeschiedenis’ de verhalen over drukkerij Thieme, waar de vader werkte en zijn overdonderde zoon mee naar toe nam (‘de grote fabriekshal waar de persen woedend stonden te stampvoeten’). Of die over het landhuis in Zaltbommel, waar de jonge Frans dankzij acrobatische toeren het platte dak wist te beklimmen, waar een bronzen klok hing, die bij ontstentenis van een touw alleen door een dappere dakbedwinger geluid kon worden: Het was een machtige ervaring: naar alle windstreken uitkijkend over stad en land en dan die bronzen bruut te laten galmen over alle levende en dode mensen en dieren en dingen, alsof ik een onofficiële Bommelse god was, die allen verwonderd deed opkijken van hun bezigheden, zonder dat zij wisten naar wie of wat zij moesten opzien.

Meer! Meer van dit soort herinneringen!

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen. EN ik zit (in ieder geval de komende maanden) op Facebook

Verschrikkelijke mensen

Ik hoorde Mark Rutte en Sander Dekker stamelen over de rapporten die de reeks fouten blootlegden die Michael P. in staat stelde Anne Faber te vermoorden. Het was stamelen zonder stamelen: een paar geprepareerde zinnen hebben politici altijd wel voorradig, maar beider onmacht was evident.

Vooropgesteld, het jarenlang uitkleden en demoraliseren van alle overheidsinstanties heeft zeker niet geholpen om misstanden te voorkomen, dus die kabinetshoofden zitten hoe dan ook dik onder de boter. En zoals altijd was er de gespeelde daadkracht; Rutte sloot het gesprekje af met de bezwering dat dit land ‘veilig’ moest worden gehouden ‘voor dit soort verschrikkelijke mensen’.

Waarbij de vraag is of we bereid zijn de consequenties te aanvaarden. Want hoeveel veiligheid kan je garanderen zonder alle ‘verschrikkelijke mensen’ levenslang op te sluiten? Ik moest denken aan het verhaal Mr. Loveday’s Little Outing van Evelyn Waugh, een van Engelands briljantste stilisten en grootste zwartkijkers. Twintig jaar geleden las ik het regelmatig in 5VWO, maar nadien is het van het repertoire verdwenen. De onsentimentele humor behoefde steeds meer uitleg, en qua empathie en inlevingsvermogen had het oneigentijds weinig te bieden.

Voor wie het niet kent: Lady Moping heeft haar man na diens zelfmoordpoging tijdens haar tuinfeest (hij dreigde er al jaren mee) laten opnemen in het gekkenhuis, waar hij verblijft in de aparte vleugel voor de rijkere gestoorden. Bij een bezoek samen met haar dochter Angela ontmoeten we Lord Moping’s ‘secretaris’, een oudere man: voorkomend en zachtaardig. Angela ziet hem aan voor een verpleger, maar hij is een ‘inmate’, die zich op allerlei manieren verdienstelijk maakt voor anderen. Hij biljart met ze, doet goocheltrucs, repareert grammofoons, enz. Als jongeman had Mr. Loveday (let op de naam) een jonge vrouw van haar fiets getrokken en gewurgd. “But surely he is perfectly safe now?” roept Angela uit.

Angela wordt een vrouw met een missie; die arme Mr. Loveday moet vrij. Desgevraagd vertrouwt hij haar toe te vrezen dat veel patiënten hem erg zouden missen, maar ‘Well, miss, I should welcome a little outing before I get too old to enjoy it. […] There is one thing I often wish I could do. You mustn’t ask me what.’

Hij krijgt een afscheidsfeestje met tranen en cadeautjes; een bonte stoet krankzinnigen doet hem huppelend en hinkelend uitgeleide naar het hek. Tot ieders verbazing is Loveday al twee uur na zijn afscheid terug van zijn uitstapje. Was het niet leuk? Het was juist érg leuk, laat hij weten, met een glimlachje. “I think that now I shall be here for good.”

Dan is die damesfiets in de berm nog niet gevonden. Het is een grimmig verhaal en als je het hebt gelezen, is het moeilijk er niet aan te denken als je in artikelen over tbs en het Pieter Baan Centrum termen leest als risico-analyse, resocialisatie en recidivekans.

P.S. Een PDF van het verhaal staat hier. En voor ereaderreaders is dit misschien iets

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Lijden met Ischa

Silicon-bedrijven die zich bezighouden met Kunstmatige Intelligentie vertrouwen het oplossen van grote maatschappelijke problemen toe aan slimme knulletjes zonder mensenkennis en levenservaring, die zelf geen enkel benul hebben wat het is om te lijden en te falen en die ieder ethisch besef ontberen.

Dat heb ik niet van mezelf; het is de opvatting van neuro-wetenschapper en ondernemer Vivienne Ming, die vreest dat Artificial Intelligence in de huidige toepassing maatschappelijke vooroordelen en misstanden alleen maar zal versterken (Guardian Weekly).

Toen ik het las moest ik direct denken aan De Interviewer van Ischa Meijer, een bundeling vraaggesprekken uit 1999. Vijftig interviews uit 25 jaar interviewen. Ik viste het boek van 400 pagina’s uit een bak met literaire afdankertjes van een serveerster in het Dolhuys en ik ben er al een week aan verslingerd. Deels doordat het een tijdreisje is. De grote namen uit mijn jeugd: schrijvers (Hugo Claus, W.F. Hermans, Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt, K. Schippers, Marga Minco), journalisten (Henk Hofland, W.L. Brugsma, Jan Blokker, Renate Rubinstein), kunstenaars en artiesten (Karel Appel, Wally Tax, Willem Breuker, Wim Sonneveld) en ga zo door. Drie interviews met Lou de Jong. De meesten hebben butsen en schrammen opgelopen in of door de oorlog en hebben veel moeten overwinnen om iets van het leven te maken. Naïef kun je hun wereldbeeld niet noemen (anders dan dat van die AI-knullen hierboven) en Ischa Meijer – laat dat maar aan hem over – vraagt natuurlijk door en door en door.

Het is geen toeval: het enige mijns inziens overbodige interview is dat voor de Nieuwe Linie met sixties ‘protestzanger’ Boudewijn de Groot, die bij hun ontmoeting in een ‘kasteelachtige’ Aerdenhoutse villa (waar hij logeert) door Meijer wordt neergezet als een volstrekte minkukel. Inderdaad, die woningnood, daar kan hij ‘charmant striemend’ over zingen. Het interview met Gert en Hermien lees je daarentegen ademloos.

Haarlems ereburger Harry Mulisch werd in 1970 onder handen genomen voor de Haagse Post. Uit de introductie: Voor velen een hansworst, een frivole kwast, de jongen die vanuit zijn sportkar voldaan het opstandig gepeupel bestudeert. De eigentijdse dandy, die kans ziet in de krappe actieradius Leidsebosje-Leidsestraat half vrouwelijk Amsterdam tussen de lakens te lokken. Voor vrienden: een moederloos veulen (Mies Bouhuys), de grootste schrijver van Nederland (Jan Hein Donner), een onwankelbaar trouwe vriend (W.L. Brugsma), iemand met een volkomen gesloten wereldbeeld (Cees Nooteboom).

Het boek (Prometheus) is volgens bol.com nog antiquarisch verkrijgbaar. Het is maar een tip.

P.S. Gisteren zocht de Pavohovaha schuchter toenadering tot de PvdA Zuid-Kennemerland op hun Nieuwjaarsreceptie. Voor opnamen van de toespraak die ik hield in mijn hoedanigheid van partijvoorzitter, secretaris, lijstduwer en lijsttrekker zie de site van Martien Brander: een bedaard, sloom en gemoedelijk 2019.

https://youtu.be/wO5qejrrKkk

IMG-20190113-WA0002.

Paars PS In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Plaquetteplaque?

In Engeland zitten hele wijken onder een blauwe plaquetteplaque (Ken Drabbers, forgotten writer of utterly forgettable prose lived here for six consecutive days in 1868) en in Frankrijk werd iedere kwispedoor met een fluim van Flaubert stante pede bijgezet in een vitrine.

En dan wij… Marita Mathijsen hekelt in NRC (22 sept.) de armetierige manier waarop wij in Nederland omspringen met ons literair erfgoed. Schriel steken we af: voormalige schrijvershuizen staan anoniem tussen hun buren en letterkundige musea (if any) zieltogen. Wel is er nu een initiatief (in navolging van The Times Literary Supplement) voor een site waarop plekken die ooit iets betekend hebben voor de bellettrie kunnen worden aangemeld.

Ze zijn net begonnen, dus Haarlem is nog een blinde vlek op de kaart.

.

schrijverloos

.

Kan iemand Wim Vogel uitroken misschien? Staan we direct op de eerste plek! En heeft Wim al subsidie voor een app van de Literaire Wandelgids van Haarlem? Ik probeer me voor de geest te halen welke schrijversschrijnen we hier ter stede al hebben. Marie-Thérèse Meijs, wethouder van Cultuur, het kan toch niet zo zijn dat…? Mag de RaDa-reda anders voorstellen George Moormann carte blanche en een vorstelijk bedrag te geven om een dode schrijvershoek in te richten?

Overigens is in mijn geval een griepje goed voor de boekenconsumptie – eetlust, Wanderlust en gewone lust vallen weg en alleen leeslust blijft over. Lord of the Rings en Ulysses las ik in verre verledens al revaliderend.

Dit weekend begon ik in CoDex 1962, een trilogie van de IJslander Sjón: een deel liefdesverhaal (Thine eyes did see my substance), dan een misdaadverhaal en het eindigt met science fiction. Het is een speels, grappig, grillig, soms gruwelijk, bijna over-de-toppig boek, gesitueerd in het interbellum in het Duitse Kükenstadt –  ik begrijp niet alles en Sjón tart de lezer graag, maar na 150 pagina’s blijf ik vol bewondering en erg nieuwsgierig naar het vervolg. Het zou qua thematiek ook nog wel eens een buitengewoon ernstig boek kunnen blijken te zijn. Misschien later meer.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

De porseleinkast

Gisteren wandelde ik binnen bij de presentatie van Nicolien Mizee’s nieuwste, De porseleinkast. Het was, dankzij Brigitte Kaandorp, een vrolijke bedoening in de Kennemerboekhandel. De kennismaking, het eerste deel van de ‘faxen aan Ger’ had ik nog niet gelezen, ondanks alle recensentenballen en jubelsterren die het boek opgeplakt kreeg.

Vanochtend las ik de eerste veertig pagina’s van de 455 (mooie uitgave van Van Oorschot), schoot een paar keer luid in de lach, las sommige alinea’s drie keer, omdat ze het verdienden – zo mooi/scherp/beklemmend waren ze en ik wilde direct terug naar de KB om alsnog een exemplaar van De kennismaking te kopen, zodat de huisdichteres en ik straks elk met een eigen Mizee op schoot kunnen zitten en niet hoeven kibbelen.

Zelf heb ik een nodding acquaintance met Mizee. We hebben (dit is Haarlem) weleens een praatje gemaakt, maar een grote vlucht zal onze conversatie nooit nemen. Daarvoor ‘voel’ ik haar te veel kijken. In het boek heeft ze op een terras een afspraakje met een ‘man van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat’. Het gesprek vlot niet doordat hij stug doorpraat terwijl in zijn bierglas een wesp vecht voor zijn leven. Vervolgens verbreekt ze het contact. Zo’n soort gevoel had ik bij de zeldzame gelegenheden dat ik Mizee sprak, dat er ergens een wesp was die zij wel zag en ik niet. In het verlengde daarvan, aan de door haar geadoreerde Ger schrijft ze: ‘Het was altijd of we niet zelf praatten, maar machteloos toekeken hoe door ons gehuurde woordvoerders trachtten een normaal menselijk gesprek na te bootsen…’

Dat dissociatieve, al dan niet machteloze kijken is voor een schrijver natuurlijk een pre. ‘The writer shouldn’t be afraid to stare’, schreef Flannery O’Connor*.

Zolang scherpe observatie een hoger literair doel dient, kan ik ermee leven. Maar gisteren, op de stoep van de boekhandel, dreutelteutte ik even in afwachting van de huisdichteres, die bij de kassa stond. Toen ik me op een gegeven moment omdraaide, stonden daar twee vrouwen van een jaar of 35, glas in de hand, van wie de ene mij wel erg nadrukkelijk monsterde –  aan al mijn kledingstukken hingen ineens prijskaartjes, mijn kapsel werd gekeurd, ik werd gewogen en opgemeten. Het ging verder. Mijn stamboom werd nagetrokken, zo voelde het, mijn DNA geproefd en een total body scan was in de maak. Door haar brutale blik meende ik eerst dat we elkaar kenden, maar toen ik terugkeek, gaf ze geen sjoege. Was het een gereïncarneerde aristocrate die in de goeie ouwe 18e eeuw met diezelfde blik een echtgenoot voor haar huwbare dochter selecteerde? Of was het een schaamteloze bitch?

Ik hield het op het tweede, maar er klonk een ferm tegengeluid van degene die mij het best kent. ‘Jij kan zelf precies zo kijken.’

*Citaat incorrect. Maar zoiets was het.

P.S. De introductie van de deelbakfiets (Cargoroo) parkeer ik maar even. Voorlopig alleen een foto van dit nieuwe fenomeen in de Kleverparkbuurt.

.

cargaroo

.

Paars PS: In de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Verbogt

Soms wil je je intuïtie al te gretig gelijk geven. Vorige week was Thomas Verbogt te gast op de jaarlijkse schrijversavond van mijn school. Ik liep toevallig achter hem op weg naar de aula en meende aan zijn loopje een heel oeuvre af te kunnen lezen.

Op de buitenkant van de voet. Beetje stram in de heupen, geen swagger en schwung. Alsof hij net had leren lopen. Ahum, Verbogt maakte prompt grote indruk op me. De interviewende leerlingen hadden zich voorbeeldig gekweten van hun taak en kregen daarvoor veel terug. ‘Ik heb me in de trein hierheen voorgenomen zo eerlijk mogelijk te zijn,’ zei hij op een gegeven moment. Hier zat geen ijdele showman, maar iemand die zijn gehoor zonder aanstellerij deelgenoot maakte van de onzekerheden en dilemma’s van het schrijversberoep; ook ging er troost uit van de zuivere manier waarop hij sprak over de schrammen en butsen die het leven hem sinds zijn vroegste jeugd had bezorgd.

Ik kocht Waaitaal, een bundeling van Verbogts columns uit De Gelderlander en smikkelde die in twee dagen op. Geef die man een woord als ‘vleesvervanger’ of ‘sierbestrating’ en hij tovert er een stukje van. Pretentieloos? Dat zou je kunnen denken, maar samen leveren die stukjes een fraai zelfportret van iemand die niet aan vanzelfsprekendheden doet en de wereld met bevreemding en lichte argwaan beziet. Die enigszins schutterig op de buitenkant van zijn voeten loopt en daardoor elk moment stil kan staan om zijn waarnemingen over te doen en te verifiëren.

Zelf had ik vandaag een huppeldag – leve de impulsen en onbekookte acties! Ik viel bij de OGER-outlet voor een prachtig, zwaar afgeprijsd pak dat ik eigenlijk niet nodig had. Elders vond ik de nieuwe regenjas die ik wel nodig had en in de Gierstraat tikte ik tien exemplaren op de kop van National Geographic voor in de klas (samen €1), plus de Jeruzalem Trilogie van Amos Oz. Bij dat nieuwe antiquariaat, Huijsing Books, dat met smart wacht tot Hudson Bay eindelijk uit de steigers mag. Bij de kaasboer in de Koningstraat waren vier grijze Duitse vrouwen voor me, met een brede Käsebelangstelling – van Friese nagelkaas tot Borsseler belegen. Toen het eindelijk mijn beurt was, bleek ik de Stilton met rode port niet te kunnen weerstaan.

[Zwakke poging tot een typisch Verbogtiaanse slotzin, met ingebouwde anti-climax].

.

gevels

.

Bavomoorden?

Hoe groot en gevaarlijk moet een stad minimaal zijn om als locatie te dienen voor een detectivereeks?

Die vraag rees toen ik vanochtend las in Rebus’s Scotland van Ian Rankin. Over een paar weken ga ik met school naar Edinburgh en bij het inlezen (Google ten best books about…) struikelde ik over boeken van Ian Rankin, wiens personage Inspector Rebus in de Schotse hoofdstad opereert. Ik las Knots and Crosses, het eerste deel van de serie, waarvan ik er mettertijd vast nog wel een paar zal consumeren.

Rebus groeit met Rankin mee, ze doorlopen dezelfde actuele en maatschappelijke ontwikkelingen, al zijn ze niet even oud. Ze hebben veel gemeen qua achtergrond, maar verschillen ook. Zo schrijft Rankin over zijn eigen creatie: ‘It’s fortunate I’ll never meet him. I have the feeling we wouldn’t get along.’

Edinburgh heeft zo’n 500.000 inwoners, heeft een haven en is internationaal georiënteerd; het voelt groot genoeg voor een gestage productie van zware delicten. Amsterdam heeft Baantjer, Maastricht heeft Flikken (tv, weliswaar), maar Haarlem? De menselijke verbeelding vermag veel, evenals de menselijke wreedheid, maar ik vermoed dat ‘onze’ serie (Spaarnemoorden, Dooie Muggen) na drie of vier deeltjes uh… dood zou bloeden / een natuurlijke dood zou sterven bij gebrek aan een werkelijk giftige voedingsbodem.

Het is mijn genre niet, dus wie weet zie ik een lokale grootheid over het hoofd. Zoektermen als ‘detectiveschrijver, Haarlem’ leveren weinig op. Bies van Ede schreef Doodstil; veelzeggend, hij situeerde dat in het eponieme Groningse dorp in plaats van het Rozenprieel of de Vijfhoek.

Leuke bijvangst bij ‘detective Haarlem’: recherchebureau Rebuss. Jammer, ze hebben hun basis in 030 (= Zeist), anders had ik eens op de koffie kunnen gaan om te onderzoeken hoe we het doen als misdaadstad, en of er een gat in de markt is.

.

onderdeloep

.

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.

Lakschoenen

Om het weggezakte Duits een beetje op te halen kocht ik voor mijn trip naar Flensburg een boek van de Keulse schrijfster Elke Heidenreich, van wie ik nog nooit had gehoord. Korte stukjes – anekdotisch, autobiografisch (?), spits, wrangkomisch; soms doet ze denken aan Lydia Davis. Columns, verhalen? Ik lees Alles kein Zufall met veel genoegen. Van Heidenreich zijn als ik het vluchtig natrek alleen twee kinderboeken in het Nederlands vertaald. Dus als ik zo vrij mag zijn…?

Lakschoenen

Na het concert zie ik achter de schermen een magere, bleke jongeman in een zwart pak, met mooie lakschoenen. Op beide schoenen zitten forse witte briefjes. Eerst denk ik, wat een aparte versiering. Dan kniel ik voor hem neer en zeg: ‘Mag ik?’ ‘Natuurlijk,’ brouwt hij en ik lees de briefjes, die met schoenveters vastgesnoerd zitten:

Ik word gedwongen deze schoenen te dragen.

Ik richt me op en zie in zijn twintigjarige, bleke, vertoornde gezicht onder het hoge, schrandere voorhoofd wat een gevoelig kereltje hij is. ‘En?’ vraagt hij, eerder angstig dan provocerend.
‘Ja’ zeg ik, een lachje onderdrukkend, ‘dus iemand dwingt je deze schoenen te dragen. Het zijn anders best mooie zwarte lakschoenen.’
‘Mijn vader,’ zegt hij, ‘mijn vader dwingt me. De dirigent.’ Hij laat zijn stem zakken, we staan voor de deur van de dirigentenkamer. ‘Hij wil niet dat ik met sportschoenen naar concerten ga. Maar ik ben veganist. Ik eet niets van dieren, ik draag niets van dieren. En dát – hij wijst vol afschuw op zijn schoenen – dat is leer. Dierenhuid. Mijn voeten lijden. Ik lijd.’
‘We lijden toch allemaal,’ zeg ik mild. ‘Volgens Kafka staan we ons leven lang op het toneel en zingen. Omdat we lijden. Daar moet je doorheen.’
Ik loop van hem weg en hoor hoe hij mij naroept: ‘Maar dat wil ik niet!’
De maestro, zijn vader, komt zijn kamer uit. Applaus klinkt van de getrouwen hier achter het podium. De vader knikt gevleid. De zoon staat afzijdig en lijdt, de witte briefjes lichten op.

Uit Alles kein Zufall.

Over lijden gesproken: rappe RaDa-lezers die in een grafstemming zijn kunnen vandaag nog naar een bijzonder evenement hier in de omgeving.

.

uitvaartbraderie .

*Na de uitvaart de biecht: zojuist bij het vertalen heb ik mezelf nog net behoed voor een Ausrutscher van jewelste. In het origineel stond ‘seltsamer Schmuck’. Dat had ik met mijn duffe koffieloze zondagochtendhoofd vertaald met: ‘wat een zeldzame eikel!’ (zoals in ‘I can’t believe what a schmuck that guy is’).

Paars P.S. : in de zijbalk kun je je abonneren op het RaDa – je krijgt dan een emailbericht zodra er een nieuw stukje is verschenen.