Maak Gouden Regels

Er komt een nieuwe welstandsnota in Haarlem, de nota Ruimtelijke Kwaliteit. Hierin staan…

Nou, nou… Toe maar! Ja, zo kan ie wel weer! Pfff, ik wacht eerst wel even tot de volksvreugde is bedaard… mijn hemel, dit grenst aan massahysterie. Is die huidige nota nou echt zo erg?

De Verzamelde woest applaudiserende Raarlemmers in bulderend koor:

“Die nota biedt geen helder, concreet toetsingskader! Wat je noemt een flutnota. Die richt zich alleen op de bestaande omgeving; er ontbreekt een visie op de ruimtelijke ontwikkeling, kwaliteit en dynamiek, die nota is in sommige gevallen voor meerdere interpretaties vatbaar en omvat niet alle beleidsvelden. Als er ooit een klotenota was, was die het wel!”

Nou gelukkig, de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit denkt er krek zo over. En jullie kunnen helpen! Die adviescommissie vraagt jullie advies. En met die adviezen stelt de ARK dan Gouden Regels op.

Je moet je registreren en dan kun je zelf voorbeelden insturen van hoe het moet of niet. En je kunt in totaal 15 keer stemmen over bijdragen van anderen (duim omhoog / duim omlaag). Er staan al dakkapellen, bushokjes, binnentuinen, zonnepanelen en diverse vormen van Haarlembeleving.

Ik zal het even voordoen. Kijk, aan de Schotersingel zijn de stoepranden zo hoog dat ze voor peuters en onkrasse bejaarden een fikse barrière vormen.

Als ik die foto opstuur, zet ik erbij: De hoogte van trottoirranden in de openbare ruimte dient zodanig te zijn dat ze door alle gebruikers van de openbare ruimte zonder alpinistenuitrusting bestegen kunnen worden.

En met voldoende bijval wordt dat een Gouden Regel en vervalt de Oude Regel.

Handig, zo’n onzekere overheid!

 

Metaaldetector

Twee eeuwen te laat geboren en ook nog eens in het verkeerde land, dacht ik toen ik die man langs de oever van de Schotersingel zag scharrelen met zijn metaaldetector.

Langs de oevers van de Theems wemelde het in de Victoriaanse tijd van mensen die hoopten in het slijk iets van hun gading te vinden. Mudlarks werden ze genoemd en vaak hadden ze een specialisatie: rag-gatherers (voddenrapers), bone-pickers (die karkassen zochten) en toshers, die met een lampje de riolen ingingen. Ook voor pure-finder zou die man gedeugd hebben: die verzamelden op straat hondendrollen, die ze per emmer verkochten aan leerlooierijen.

Volgens schattingen was in Dickens’ tijd maar liefst 5% van de Londenaren als zzp-er werkzaam in de afvalverwerking, uit barre noodzaak. Wat ‘mijn’ man bezielde kan ik slechts raden, of nee, eigenlijk kan ik het niet.

Ze zijn in de Schotersingl al een paar maanden bezig de beschoeiing te vervangen. Er komt daar nieuw hout van de firma ‘Wood Solutions’ (een proefschrift over moderne bedrijfsnamen, is dat er al?).

 Het oude hout wordt weggesloopt en er komt ook nieuwe bagger. De oude bagger kwakken ze op kant en wal en míjn neus gaat liever een blokje om als die er net ligt.

Maar ‘mijn’ man wordt daar dus onweerstaanbaar naartoe getrokken door zijn metaaldetector. Muntjes, ziekenfondsbrilletjes, een verdronken krik…

Is metaaldetector ook een beroep?

.

Zo snel

We beginnen noodgedwongen in media res, in het Staten Bolwerk: vanuit mijn ooghoek zie ik een ekster een duikvlucht maken  en fel in het gras pikken. Hij vliegt weg als er twee honden langsravotten en ik zie iets door het gras scharrelen.

Een muis, denk ik eerst, maar het is een jong vogeltje. Uit het nest ontvoerd en uit de ekstersnavel gevallen? Of zat het daar al? Het hummeltje heeft een verenpak maar ook nog plukjes dons.

Als het ons ziet, maakt het een paar pasjes naar ons toe, recht overeind, en spert zijn oranje bek geluidloos open. Een klein kaal spelertje dat zich beklaagt bij de Grote Scheidsrechter. Over pijn. Onrecht.

Het bekje gaat een paar maal wijd open en dicht. “Zullen we ‘m meenemen?” vraag ik aan de huisdichteres. Op dat moment glijden de pootjes weg – nee, dit gaat niet goed. Even rust hij ongemakkelijk op zijn buik en dan maakt hij, vanuit het niets, één onwaarschijnlijke achterwaartse salto. Er is geen doodsstrijd. Er is geen doodsschreeuw. Na de landing ligt hij meteen met gespreide vleugeltjes voorover in het gras.

Dat was het, voor hem. Wij lopen door naar het station, we moeten nog een finale zien.

En om niet in dubbelmineur te eindigen: herinneren jullie dat pluizige frummeltje nog? Dat kon nog wel verpleegd worden en zie, het is uitgegroeid tot een zeer vitale Groningse groenling!

 

Sneeuwvrouw

Zo tegen twaalven stond vast dat het de sneeuw echt menens was. De straat was allang toegedekt en de vlokken bleven dicht vallen.
“Zullen we…?”
“Niks voor ons eigenlijk…”

Pioniers waren we! Ontdekkingsreizigers in een witte wereld! Dat eerste stuk over de stoep drukten we onze zolen in de ongerepte sneeuw alsof de afdrukken bestemd waren voor het Rijksmuseum. We keken elkaar tevreden aan. De nacht was van ons.

Nou ja, zo lang het duurde. Op de Schotersingel kwam ons een slanke jonge vrouw tegemoet in een zwarte jas. Ze droeg een beslagen bril en reageerde ietwat schichtig op mijn groet. Je hebt van die mensen, dacht ik eerst, zelfs in zo’n sprookjesachtige sfeer.

Een paar meter verderop begreep ik dat we haar hadden betrapt; haar hadden gestoord terwijl zij uitgelaten haar eigen sneeuwfeestje vierde en twintig jaar van zich had afgegooid.

 

Daar (het zwarte puntje bovenaan de foto) lag een forse, zeer verse sneeuwbal. Achtergelaten. We volgden het spoor tot de Noorderbrug, enigszins schuldbewust dat ze zich door ons gedwongen had gevoeld haastig terug te keren naar de volwassenheid.

(Aan het eind van onze wandeling voerde ik na een kleine provocatie hunnerzijds nog een hevig  sneeuwballengevecht tegen twee jongens, dat onbeslist eindigde.)

Parastunters

“Ki… kiki… kiet…kiiieeet!!! Kriet…kriiiee-eeeet… krie… krie… kr…  karakarakarakara … karaakrakkakaraaakk… kamara…kamorra… priet, prie, priet… kraap, kra…ark… papapa… apakka.. para…kiet… kiet… kiet…. kiep… kipkr… kriep (als ik het wel heb)… wiepwiep… wie… w…w… w…. wwwwwww… wwiepark….aaark…..aaaaark….kiepkiepkiepki….park… krippekriepekriep…. ara!!!!!….akipika… prie…. kiet… kiiieeeettt…. pi… pi… pi… pi… pi… pi… krappie… prakie…prakkie…krapie… para…rararrraarrraa… para… piek… pei (pardon! red.) pie… pi… park… paaaa-aaaaa-aaaaa-aaaaark!”

En dat een paar uur lang tweehonderdvoudig en dan hebben jullie een idee hoe het gehakketak van de reusachtige zwerm halsbandparkieten bij het Kennemerplein klinkt. De opgewonden standjes  arriveren (sinds een paar weken?) zo tegen de avondschemering bij ‘hun’ boom aan de Schotersingel en maken daar kwartier, pal langs de weg – waar wij mensen een rustig plekje zouden verkiezen, ergens waar de vogeltjes fluiten (zeg maar). Ze kibbelen hartstochtelijk over de boomschikking, nemen de dag door en tonen elkaar hun laatste vliegstunts. Ik mag er graag naar kijken. Waar ze overdag uithangen? Geen idee.

P.S. Ha, aandacht voor ‘Vandaar dit Huwelijksleven’ op het grote boze wereldwijde web bij P.M. Delèfre en – zeer lovend! – Hans van Willigenburg (hier ter stede bekend als columnist van het Straatjournaal) op zijn weblog Seksloos.

.

 

Rodere Loper

Ik vrees dat ik gedwongen zal worden de komende twintig jaar van mijn leven te slijten in een boomhut. Als activist, ook dat nog, alsof 20 jaar boomhut als niet-acivist nog niet erg genoeg is.

 Weten jullie nog, trouwe Raarlemmers, dat ik op deze plek stevig waarschuwde tegen de onweerstaanbare verleidingen waaraan de naam De Rode Loper beleidsmakers en idealisten blootstelt? Dat die naam visioenen oproept van fietsers die soeverein van Houtplein naar Soendaplein zoeven, ongehinderd door het plebs in bussen en auto’s? Minzaam wuivend naar het voetvolk langs de route?

En dat die visioenen naar mijn overtuiging zouden leiden tot bestuurlijke onbuigzaamheid, rechtlijnigheid en totalitaire stadsplanning?

Dat zo’n Loper qualitate qua nooit Rood en Lang genoeg kan zijn. En dat derhalve de sexy naam Rode Loper zsm vervangen diende te worden door het hoogst onflatteuze UMTRIGHS:

Uitermate Moeizaam Te Realiseren Ideologisch Geïnspireerd Haarlems Stadsfietspad?

Helaas, de politiek bleek (en niet voor de eerste keer!) doof voor mijn nuchtere, verstandige pleidooi. MAGVD! Met alle gevolgen van dien!

 

 

 

 

Nu heeft de gemeente bedacht dat er een fietsbruggetje moet komen, dat het Staten Bolwerk doorsnijdt ter hoogte van het Dolhuys. Het Bolwerk van Zocher, hoor je er dan vroom bij te zeggen, maar al was het van Mussert of Dutroux, het is zo’n schitterende plek, ze moeten er met hun takken van afblijven!

Aan de Noorderbrug en de Kennemerbrug mankeert niks, niemand zit te wachten op zo’n fluttig bruggetje en als ze dan toch een symbolisch project willen, DAN EIS IK EEN TUNNEL.

Plons

Hij moet daar al heel wat jaartjes hebben gestaan aan het Staten Bolwerk. Het is dezelfde boom waarbij die veldwerker onder supervisie van haar kat de administratie deed op haar laptop.

En toen was daar (bij nacht, overdag?) kennelijk (zonder storm, zonder bliksem) die krak! Die plons. Die grote plons!!

Dag boom!

 

Vaste medewerkers

Het was zo’n zonnige slenterdesloeberdeslobberdag waarop Haarlem op zijn bovenstedorpstebest is.

Eerst de Dag van het Park; opening om 11 uur door wethouder Jan Nieuwenburg bij het Dolhuys. Met oorstrelende harp- en vioolmuziek van Brenda Dor-Groot, en de huisdichteres liet een verse ode aan de Bolwerken over de Schotersingel schallen.

Onverwachte verschijningen verschenen.

 

Op naar de vijfde H’lemse Dichtlijn, om 13 uur geopend door Nuel Gieles. In topvorm: ad rem, zeer betrokken en strooiend met loftuitingen voor… voor de bekende hap, zou je met wat oneerbiedig kunnen zeggen, want het ons-scant-ons gehalte was bijzonder hoog in de Vishal.

De medewerkers waren allemaal oude rotten. Ik citeer uit het colofon van het begeleidende Dichtlijn-boekje: Irmgard Geerinckx, Dries Havermans, Jozeph en Tineke Vlaar, Ronald Mattern, Sonja Kagie, Jacques de Jong, Eric J. Coolen. Voor de kenners weinig verrassingen in de opstelling, toch? Ook onder de negentig deelnemende dichters bevond zoch een aanzienlijk aantal habitués.

Het mocht de pret niet drukken, integendeel, vaak verhoogde het juist de pret. Ik had een uitstekende middag. Na de sluiting (cum veiling van een schilderij van Hannes Kuiper) gingen wij voor de nababbel naar het monumentenpand aan het Spaarne waar overdag ook een dichtersploeg had opgetreden.

Na een uur werd er op het raam getikt. Want (weinig van die woordspuwende poëten en wufte aestheten zullen daarbij stilstaan) alle gele banieren moeten na afloop ook nog van de gevel worden gehaald en opgevouwen voor volgend jaar. Door twee mannen met een keukentrapje, in casu Dries Havermans en Jozeph Vlaar.

 Hulde aan de vaste medewerkers!

 

(Nog meer lof voor de Dichtlijn bij Wilikditwel)

 

Unverfroren

Gisteren – het was donker, ik vermoedde nog niet wat een wonderbaarlijke ochtend er in de maak was, met in het Amstelpark berijpte bomen (alleen de kruinen beschenen door de opkomende zon) en berijpte bruine schapen (poedersuiker op de vacht) – stond bij de achteringang van station Haarlem de Oosteuropese straatviolist die ik soms wel kan maar niet mag schieten (zijn repertoire bevat alle tergende evergreens die je níet wilt horen als forens met een takkenhumeur) en die ik soms een euro geef vanwege zijn twinkelende oogjes, die onder alle omstandigheden de indruk weten te wekken dat hij niets liever doet dan de goede Nederlandse mensen een beetje opvrolijken met Eine kleine Nachtmusik of Tulpen uit Amsterdam.

Ook gisteren was hij dus op zijn post. Ik moest denken aan Suzannes ‘Russisch onorthodoxe studiemethode’ (zie reacties bij dit stukje), waarbij de musicus ongeacht de omstandigheden dóórspeelt en (problemen zijn er om overwonnen te worden!) nimmer excuses zoekt in geknapte snaren – of in dit geval in verstijfde vingers, een rillend lijf en afstervende extremiteiten.

De brave man stond daar en speelde – unverfroren.

IJSPRET EIST TOL, kopte de Telegraaf vanochtend op de voorpagina, in een stuk over (vrije RaDa-weergave) het dreigend gipstekort en overspalkte verpleegkundigen op de afdeling spoedeisende hulp.

Maar bedenk eens wat deze feestelijke vorstperiode doet voor de geestelijke volksgezondheid! Bovenstaande foto nam ik aan de Schotersingel in het jaar 424 na Avercamp.