Vanuit Haarlem en Velsen

In Bosbeek stuitten we gisteren op een illegale protestdemonstratie tegen de anderhalvemetersamenleving. Drommen onverzettelijke kleine, boze, witte mannen (en een enkele ondermaatse vrouw) vonden dat zij buitenproportioneel hard werden geraakt. De sfeer was grimmig.

 

 

We liepen door naar de Wüstelaan, waar ik nieuwsgierig werd naar Landgoed Spaarnberg, waar ik nooit eerder was geweest. Tussen 1963 en 1973 woonde ik weliswaar in Santpoort, maar ik vermoed dat in mijn jeugd de voormalige buitenplaats (in de 19e eeuw eigendom van bankier Adriaan van der Hoop, met ontwerpen van J.D. Zocher en later tuinarchitect Springer) nog niet open was voor het publiek.

We maakten er een korte, prettige wandeling en staarden naar het appartementencomplex uit 1993, dat daar op het gazon lag als een ruimteschip met motorpech. Of een door de oorspronkelijke bewoners verlaten pueblo in Guatemala. Ik zwets maar wat – het was vooral vreemd dat nergens een levende ziel te bekennen was.

 

 

De meeste Haarlemmers zien het gebouw waarschijnlijk uitsluitend vanaf de snelweg, aan de overzijde van de Delft, daar waar de weilanden ophouden. Op Twitter zag ik gisteren toevallig deze mooie foto van het gebied, genomen vanaf de Haarlemse kant (met dank aan PM Delèfre).

 

 

Wij zaten op een bankje aan de Santpoortse kant en bestudeerden de skyline van wat de Delftlaan was. Delftlaan? Voor mijn geestesoog verrijzen dan wat ooit ‘nieuwbouwflats’ heetten.

Delftlaan 1974, foto NH-Archief

Inmiddels gesloopt natuurlijk. De opvolgers zijn vanuit de verte weliswaar niet imposant, maar evenmin lelijk. Dat is al heel wat.

 

En verder mag je alleen maar hopen dat er tussen Velsen en Haarlem eeuwig een streepje grasland blijft waar koeien kunnen grazen en paarden kunnen rennen.

 


 

 

Deus ex machina?

Bizarre donder in Haarlem laat huizen trillen: “Het leek wel een aanslag” Dat was afgelopen nacht en veel mensen dachten volgens RTV-NH dat er een bom was afgegaan.

 

Het onweer gisteren; foto Sabrina Loerakker

Iedere eeuw zijn eigen associaties. Wij hebben ‘shock and awe’ en terrorisme; in het Jaarboek van de Historische Vereniging Haerlem (editie 2019) lees ik over natuurgeweld hier ter stede op 30 juni 1568, de dag van de executie van de dichter (‘factor’) Heynzoon Adriaensz., door de Bloedraad ter dood veroordeeld wegens anti-katholicisme en ketterij. Het gepeupel was voor het spektakel samengedromd op de Grote Markt, de beul stond klaar.

… daer wiert in de lught een groot geruchte gehoort, soo dat de aerde gheschut en gebeeft heeft, waar door d’omstaenders overhoop liepen, niet wetende wat’er te doen was: want die in het Oosten stonden meynden dat ‘t uyt den Westen quam en die in ‘t Westen stonden meynden dat ‘t uyt den oosten quam.

Er ontstond paniek en de beul maakte zich uit de voeten: het noodweer moest een ‘teecken’ van Godt Almaghtig zijn, die de stad destijds 24/7 monitorde. Indien het Zijn opzet was de dichter te redden, mislukte de interventie; de ongelukkige werd toen ‘het onweder en beroerte onder het volck wat ghestilt was’ gezwind in de kraag gevat en door de beul (weer paraat!) gewurgd tegen de sport van een ladder, waarna hij alsnog werd opgehangen.

De aangehaalde passage komt uit De gheschiedenisse ende den doodt der vromen Martelaren, een van de versies die naast elkaar worden gelegd in het zeer lezenswaardige artikel van Dr. J. Spoelder (oud-rector van het Kennemer Lyceum). In zijn conclusie nomineert hij Heynzoon Adriaensz. voor een eigen straat, vanwege zijn strijd voor de vrijheid van meningsuiting. ‘Hij verdient het ten volle!’ [En waag het niet te beginnen over Generaal Cronjé!!!!]

 

En verder gaat er voor mij van zo’n uitgave iets heerlijk geruststellends uit. De trouw en toewijding van de samenstellers, de onnadrukkelijke geleerdheid, de voetnoten, de jaarkroniek, de lijst van donateurs, schenkingen en legaten, het jaarverslag, de necrologieën, gevelstenen en restauraties en het bibliografisch overzicht. Iedere editie weer. Dit jaar kan nog van alles brengen aan mondiale rampspoed, bijbelse plagen, maatschappelijke woelingen en omwentelingen, maar over twaalf maanden kunnen wij het – wat er ook gebeurt – teruglezen in het Haerlem Jaarboek 2020. Ik vind dat als bavocentrist een prettig idee.


 

Misokakofonie

Het zal jullie ook zijn opgevallen, er heerst een nieuw soort stilte. Af en toe een droog, onderdrukt kuchen drie huizen verderop of het zacht ruisen van de beademingsapparatuur op verre IC’s, maar dan heb je het wel gehad qua straatrumoer.

Een déjà lu, trouwe RaDa-lezer? Dat kan kloppen, want ik schreef het op 30 maart. Een alinea die hard aan revisie toe is. Zoiets:

Het zal jullie ook zijn opgevallen, er heerst een nieuw soort tyfusherrie. Ander rijgedrag: het constant accelereren en afremmen van boliden en minderboliden die voor het eerst sinds de eeuwwisseling meer dan 25 meter vrij asfalt voor zich zien. En dat versterkt door het gebrul in de wijde omgeving van optrekkende 500 cc-motoren, met in hun slipstream nijdige zwermen opgevoerde scooters en andere gefrustreerde knetteraars.

Is het echt zo of komt het door het contrast met eind maart? Door de openstaande ramen? Wordt mijn gehoor scherper? Lijd ik aan beginnende misofonie? Oh nee, dat is een overreactie op zachte geluiden, vaak lichaamsgeproduceerd, zoals gesnuif door neusharen of het knappen van selderijstengels tussen malende kaken. De patiënt ontwikkelt daarvoor een zogenaamd ‘hyperfocus’. Dat laatste komt me bekend voor – maar dan met motorisch lawaai. Gisteravond bij een wandelingetje langs de Bolwerken wilde ik al een sussende vinger tegen de lippen leggen als er fluisterbootjes passeerden. Kan het wat zachter? Nog even en ik trek een kind van zijn elektrische step vanwege de geluidsoverlast.

Ooit (in Puirammers en puinruimers) stelde ik voor Nederlands te splitsen in het Wilde Westen (voor vrijgevochten types) en het Tamme Oosten (doetjes en watjes). Inmiddels ben ik meer voor een andere tweedeling: akoestisch / unplugged versus versterkt / luidruchtig. In het Oosten alleen elektrische voertuigen, handboortjes, gardes en kamermuziek. In het westen mag alles op maximaal volume. En langs de grens wil ik een hoge geluidswal.

 

De enige motor waar ik een zwak voor heb: deze Honda Nighthawk met zadelpijn


 

Levenswijsheid

We moeten het nodig eens over Immanuel Kant hebben. Nou ja, dat vinden ze in Duitsland, lees ik in NRC, want de grote filosoof (1724-1804) was bepaald onzuiver op de graat als het gaat om rassentheorieën. Er was wel een soort sterfbedbekering, maar tijdens het grootste deel van zijn leven kende hij geen twijfel als het ging om de superioriteit van het blanke ras. Dus hoe heilig en veilig zijn die bustes van hem?

Ahum.. ik schraap de keel even, want ik wil me niet geleerder voordoen dan ik ben en me bezondigen aan gewichtigdoenerij. Dat jullie denken, wat een intellectuele reus, die zit daar tijdens een hittegolf tropenuren te maken met een zware Duitse denker op schoot, maarruh… Het toeval wilde dat ik gisteren – van de weeromstuit, om te ontsnappen aan het niet aflatende mediagekrakeel en polemisch rumoer – bij de Kennemer Boekhandel een boek van Schopenhauer van de plank griste: Bespiegelingen over levenswijsheid.

In hoofdstuk II heeft de goede Arthur (1788-1860) het over de tegenstelling tussen eenzame afzondering (het lot van grote geesten) en vulgaire samenscholing / plat vermaak (een levensbehoefte voor de massa). Waarna ik op deze passage stuitte: De sociabelste van alle mensen schijnen de negers te zijn, zoals ze ook verstandelijk bepaald achtergebleven zijn. Volgens berichten uit Noord-Amerika, in Franse kranten, […] sluiten de zwarten, vrijen en slaven door elkaar, zich in groten getale in de kleinst mogelijke ruimte op, daar zij er maar niet genoeg van kunnen krijgen hun zwarte stompneuzige gezicht steeds herhaald te zien. (p. 31, Wereldbibliotheek)

Kdoing! Kdeng! Denk ik mezelf eens een dosis levenswijsheid toe te dienen..

Direct hierop volgt een uiterst elegante alinea, met een citaat van Ariosto, over de ‘verveling van de onwetenden’. Dus ik blijf wel nieuwsgierig naar de rest van het boek. Gelukkig biedt NRC uitkomst voor wie in gewetensnood is geraakt, met het advies van hoogleraar ethiek Pauline Kleingeld: ‘Stop niet met lezen, maar blijf zelf nadenken.’

 


 

 

Ingedeeld

Nee, ik heb niet naar Johan Derksen gekeken bij Veronica Inside. Ik had even mijn bekomst van mensen met meningen. En ik moest eerst Karst nog verwerken.

We waren neergestreken op een terras in de stad en hij kwam glunderend naar ons toe. Jaar of zestig, buik ontspannen vooruit. Biertje in de linkerhand, de rechter uitgestoken. We wisten dat hij iets te vieren had. Toch, die hand wimpelde ik af. Hij schamperde wat, maar het werd me niet zwaar aangerekend. “Geloven jullie er wél in?”

Dat preciseerde hij. “Kennen jullie iemand die eraan gestorven is?” Ik kende er wel 400.000, wereldwijd – nou ja, niet allemaal bij naam, maar toch. Wij wilden er geen intellectuele krachtmeting van maken, leve de luchtigheid, maar dat mislukte, al na een paar zinnen veranderde het karakter van het gesprek. “Op het Malieveld is het anders ook een lekkere teringzooi.” Hij wilde er iets mee betogen, iets urgents, al begreep ik niet goed wat. Zijn gezicht verhardde en het lukte me niet hem los te kietelen. Wij waren al ingedeeld. Bij ‘de anderen’.

En daarmee hadden wij hem ook ingedeeld, bij de rancuneuzen en roekelozen. De confrontatie voelde onaangenaam, de tegenstelling onoverbrugbaar. Gelukkig moest hij een vriend begroeten en toen wij weggingen zwaaiden we naar elkaar. Het is heus geen beroerde kerel en hij heeft veel meer onder de crisis te lijden dan ik. Met Karst kom ik er wel uit, ondanks die plotseling zo verbeten kop van hem. Niettemin, het voorval houdt me bezig. Ik moest denken aan periodes die mijn generatie alleen uit de geschiedenisboeken kent. Gedwongen keuzes: ‘als je niet voor me bent, ben je tegen me.’ En ook aan die honderden wilskrachtige nano-kikkertjes bij Het Wed, die vol overtuiging op het water af renden, of juist ervandaan. Hun richting gekozen.

PS. Meer over de drukte op het Malieveld bij iamzero.

PPS. Gisteren waren we op het strand bij IJmuiden. Ditmaal geen meisop maar deze proeverij van kwallen.

 

 

‘Go with the flow’ is ook niet alles


 

En ten slotte het collectief  ‘Delfts blauw’



 

 

Trumpism

Een sneue farce, noemt The Guardian de ‘comeback rally’ van Donald Trump in een sardonisch verslag. De hal was bij zijn thuiswedstrijd in Tulsa, Oklahoma maar voor twee derde vol (ondanks een miljoen kaartaanvragen – volgens Twitter-geruchten hadden fake-fans onder wie verveelde Koreaanse tieners zich geamuseerd met valse aanmeldingen).

Er gaan door deze blamage koppen rollen bij het campagneteam, is de voorspelling – niet zo moeilijk, er rollen rond Trump altijd koppen. The Guardian heeft een speciale pagina, The firings and fury, die alle ontslagen bijhoudt.

Betekent dit nieuwe geklungel dat Trumps tijd voorbij is? Ik ben er nog lang niet gerust op, daarvoor is de man al te vaak onderschat. En ik las de afgelopen dagen Surviving Autocracy van Masha Gessen, die razendknap aantoont hoe het gangbare politieke idioom geen greep krijgt op Trump. Ze haalt de Hongaarse socioloog Bálint Magyar aan, die het voorbeeld geeft van een taal die ontwikkeld is om vissen te beschrijven, met woorden als ‘schubben’, ‘kieuwen’ en ‘vinnen’. Als er een olifant opdoemt, levert dat ontoereikende observaties op: de olifant kan niet urenlang onder water blijven, heeft een nutteloos klein staartje, etc. De olifant is Trump, die niet ‘presidential’ is, die lak heeft aan regels, procedures en dossierkennis; die er niet mee zit als de pietluttige fact-checkers van de Washington Post hem gemiddeld dertien keer per dag op een onwaarheid betrappen. Als president heeft hij recht op zijn eigen, alternatieve waarheid.

In die zin is ‘Trumpism’ (inclusief alle onwetendheid, improvisaties, blunders en inconsequenties) een systeem. Een systeem dat zichzelf in stand houdt door onzekerheid, angst en chaos te scheppen. Ah, het boek is al vertaald voor de Bezige Bij. Het is erg actueel, ook Trumps corona-gestoethaspel wordt behandeld. En samen met Amity and Prosperity en Lucy Ellmanns roman Ducks, Newburyport (die ik na 600 pagina’s weglegde maar wel uit ga lezen) vormt het een meeslepende, zij het weinig opbeurende trilogie over het huidige Amerika.


 

Prop in de mond

Hoezo, die slappe mondkapjes? Kan het RIVM in het belang van de geestelijke volksgezondheid de mondprop niet verplicht stellen? Of de muilkorf? Zodat alle roeptoeters de komende twee maanden een gedwongen schreeuwpauze houden?

Hier ter stede opperde PvdA-raadslid John Oomkes om de Haarlemse straatnamen, van Aarwinkelweg tot Zijpestraat, eens langs te lopen. Niet letterlijk (hoeveel kilometer zou dat zijn?), maar met het rode potlood van de politiek correcte corrector. John kon voor de vuist weg wel een paar generaals uit de Transvaalbuurt bedenken wier sterren (ooit fier op de borst gespeld) een eeuw geleden feller straalden dan nu.

In twee dagen ontving het HD honderd brieven, met een baaierd van meningen, pro en contra, onbekookt en degelijk onderbouwd. Nee, niet! Alle briefschrijvers waren tegen. ‘Handen af van de straatnamen’, staat er boven het artikel van Richard Stekelenburg over de instant ophef en in de bijbehorende enquête (1063 stemmers) spreekt 94% zich uit tegen het verwijderen van ‘foute’ straatnamen.

Een onderwerp met zo veel facetten leent zich uitstekend voor het soort speelse behandeling waar het RaDa zich in specialiseert. Graag had ik de namen in de Vogelenbuurt tegen het licht gehouden (kan de Meeuwenstraat nog?) of illustere Haarlemmers voorgedragen voor een eigen straatnaam. Maar nu even niet. Het bedroeft mij: iemand laat een proefballonnetje op, maar nog voor het boven de daken kan verschijnen wordt het aan flarden gereten door gifpijlen, kogels, messen, werp- en barbecuespiesen. En zo gaat het de hele week al, met allerlei onderwerpen.

RIVM, mogen de oordopjes ook verplicht in de strijd tegen de meningitis? Zoveel stoom uit zoveel oren tegelijk, dat kan niet goed zijn voor een land.

P.S. Het RaDa schreef eerder over straatnamen in Even voorstellen?


 

 

Nanokikkers

We hadden kort geleden ook al nanokikkertjes gezien bij Het Wed, maar toen waren ze niet met zo veel. Nano-? Zo klein als een vlieg. Eerst zagen we er een. Voorzichtig!!!! Toen zagen we ze overal. Waar was nog plek voor onze voeten???

.

 

Eensgezind zochten de hummeltjes… Ja, wat eigenlijk? Hun volksverhuizing ging door het zand, weg bij het water. Later zagen we ook eenzame migranten op 500 meter van de plas. Verdwaald? In elk geval wel volhardend. Lang niet ieder dikkopje wordt een grote brulkikker. Velen eindigen plat, zoals dit exemplaar, naast de neus van de schoen (maat 39) van de huisdichteres – die overigens niet de pletter was.

 

 

Life is a battlefield (of was dat ‘love’?) en het pad langs het Wed bleek een levensgevaarlijke oversteekplaats voor ze, met al die overgemotiveerde joggers en rücksichtloze natuurgenieters.

 

 

En nu de leuke foto’s. Want de nabestaanden lieten zich allerminst demoraliseren door het verlies van zoveel broertjes en zusjes en leken best zin te hebben in hun kikkerlevens. Al verbeeld ik me heus niet dat ik weet wat er in de gemiddelde nanokikker omgaat natuurlijk…

 

 

 

Om ze recht te doen moet je ze eigenlijk in actie zien, dus hier komt (pas voor de tweede keer!) een erg kort, erg amateuristisch RaDa-filmpje. Maar je krijgt een idee.

 

P.S. Het RaDa ging eerder over kikkers. Helaas, in mijn begintijd zette ik foto’s bij Photobucket en op die foto’s is nu een vet watermerk geplakt. Zie Individuen (het stukje is nog steeds leuk).  En verder Kikkermomentjes en Kikkers en kikkertjes. En nu  is iedereen hopelijk een beetje opgekikkerd.


 

Stoepkruid

Pick your battles‘ is zo onderhand wel ingeburgerd, geloof ik (in de zin van ‘maakt je niet druk over wissewasjes of ga geen conflicten aan die je toch verliest’), maar ik zie daarnaast kansen voor ‘pick your misery‘.

Uit de aangeboden ellende in de ochtendkrant stel ik dagelijks een menu samen met corona als vast onderdeel en (afhankelijk van de vangst van de dag) de verloedering van Amerika of het verval van het steeds minder verenigd Verenigd Koninkrijk. Zoals sommige koks nooit witlof of koolrabi gebruiken heb ik ook mijn blinde vlekken op de globe. Het zijn de moedeloos makende brandhaarden: Afghanistan, het Midden-Oosten, Venezuela. In dat lijstje hoort ook Syrië, maar vandaag maakte ik een uitzondering. In NRC Next staat een artikel over dat beklagenswaardige en nog steeds onrustige land, waar 85% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Een afgrijselijke foto trok mijn aandacht: het gebombardeerde Aleppo in 2018. Een man loopt langs wat eens een gevelrij was, met achter de puinhopen het karkas van een stad.

Als ik klaar ben met de krant laat ik mezelf uit, in mijn gewaardeerde nuftuttige, speltminnende bakfietsmoederbuurtje. Het contrast voelt haast obsceen – de eerste vijf huizen waar ik langskom zijn boven de voordeuren verbonden door een strook gepamperde roze rozen, bij het bloeien geholpen door een onzichtbaar zorgstelsel van haken en latjes. Is ‘snoezig’ nog een woord?

De regen van vannacht heeft veel krijtsporen van het trottoir gewist, waaronder ook die van een nieuwe rage, botanical chalking.

 

 

Het is een sympathiek project, waarbij plantenkenners de stoepflora van een naam voorzien. Tuinvlieders als campanula, maar vooral wilde planten die tussen twee tegels een bescheiden bestaan proberen op te bouwen. (Voor wie geïnteresseerd is, volg @stoepplantjes op Twitter of kijk bij de Leidse Hortus.

Zelf lijd ik aan dysbotanie, dus ik denk niet dat ik zevenblad en duizendknoop ooit uit elkaar zal kunnen houden. Maar wat ik wel merk is dat ik sinds dit initiatief beter kijk. En soms teleurgesteld ben als ik geen bijschrift vind.

 

 

Het leven is ingewikkeld, beste Raarlemmers, met groene of dorre vingers. Ik bedoel, je moet er niet aan denken dat iemand uit Damascus of Raqqah het RaDa leest en dan het bordje in dit perk ziet: ‘Pas Op! Wij proberen hier te groeien. Dank je wel!’

 

 


 

 

Roerloos

Soms zijn situaties te lachwekkend om er bij stil te blijven staan. Zo liepen wij gisteravond door de schemering langs de Bolwerken toen we midden op de Kloppersingel een bootje zagen dobberen. Dobberdobberen.

Op de achterplecht, bij de afhangende Nederlandse driekleur stond een vrouw hulpeloosheid uit te stralen. Ze snauwde iets naar de wallekant, rukte gefrustreerd aan een koordje. Er moest iets gaan vonken, sputteren of knetteren, zoveel was duidelijk, ook van verre. Ah… de ontvanger van het gesnauw was een man op de oever, wiens humeur eveneens danig te wensen overliet.

Zijn instructies werden verkeerd begrepen of niet uitgevoerd. Even bleef het stil, in afwachting van… Ja, waarvan? Zou hij zich als koene redder opwerpen en met krachtige slagen naar haar toe zwemmen? Of zou zij met een hartgrondig ‘fuck die fuckboot!’ overboord duiken? Welk wreed lot had en hield hen van elkaar gescheiden?

Het werd nog vreemder. Toen wij passeerden, zagen we dat de man een/het houten roer in zijn hand hield. Dit zou eventueel het moment geweest zijn om kwansuis te informeren of hij hulp nodig had. Dat zou me nooit lukken zonder gegrinnik en dom gehinnik. Dus we slenterden door, hopend op een spoedige apotheose, langs een bankje waar twee pubers ook genoten van de klucht. Toen ik nog eenmaal omkeek was er beweging; het bootje tolde traag om zijn as.